Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:779

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-03-2020
Datum publicatie
18-03-2020
Zaaknummer
201904477/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2019:2290, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 oktober 2017 heeft het college bekendgemaakt dat van rechtswege een omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van een bedrijfspand op de Jan Olieslagersweg ongenummerd te Eindhoven, kadastraal bekend gemeente Strijp, sectie […], nummer […] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2020/7124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201904477/1/A1.

Datum uitspraak: 18 maart 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 23 april 2019 in

zaak nr. 18/2438 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.

Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2017 heeft het college bekendgemaakt dat van rechtswege een omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van een bedrijfspand op de Jan Olieslagersweg ongenummerd te Eindhoven, kadastraal bekend gemeente Strijp, sectie […], nummer […] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 29 augustus 2018 heeft het college de door Eindhoven Airport N.V., vereniging Ondernemerskontakt Eindhoven Airport (hierna: OKEA) en Flight Forum CV daartegen gemaakte bezwaren gegrond verklaard, de van rechtswege verleende omgevingsvergunning herroepen en de gevraagde omgevingsvergunning alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 23 april 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 29 augustus 2018 vernietigd voor zover daarbij het bezwaar van Flight Forum CV ontvankelijk en gegrond is verklaard, het bezwaar van Flight Forum CV niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2020, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.J.C. van den Hoff, advocaat te Veldhoven, en het college, vertegenwoordigd door A. van de Waerdt en E. van den Nieuwelaer, zijn verschenen. Voorts zijn Eindhoven Airport en OKEA, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. J.A.M. van der Velden, advocaat te Breda, ter zitting gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] heeft op 15 januari 2016 een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van een bedrijfspand op het perceel. Aan het perceel was de bestemming "Bedrijf-4" toegekend op grond van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Eindhoven Airport". Het bouwvlak binnen deze bestemming heeft een oppervlakte van 7.994 m2. Een klein deel van het bouwvlak zou met het bouwplan worden bebouwd.

    Bij besluit van 27 januari 2017 heeft het college geweigerd omgevingsvergunning te verlenen.

    Bij uitspraak van 11 september 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 27 januari 2017 vernietigd, bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en bepaald dat het college binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak de van rechtswege gegeven vergunning bekend moet maken.

    Bij besluit van 8 oktober 2017 heeft het college bekendgemaakt dat van rechtswege een omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van een bedrijfspand op het perceel.

    Bij uitspraak van 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3803 heeft de Afdeling het door het college tegen de uitspraak van de rechtbank van 11 september 2017 ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard.

    Bij uitspraak van 23 april 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 29 augustus 2018 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarbij het bezwaar van Flight Forum CV ontvankelijk en gegrond is verklaard, het bezwaar van Flight Forum CV niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank heeft [appellant] materieel in het ongelijk gesteld.

Het hoger beroep van [appellant]

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank Eindhoven Airport N.V. ten onrechte als belanghebbende heeft aangemerkt.

2.1.    Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt:

"Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."

2.2.    Eindhoven Airport ligt op hetzelfde bedrijventerrein als het perceel van [appellant]. Parkeerterrein P5 van Eindhoven Airport ligt op een afstand van ongeveer 15 meter van het perceel. Niet in geschil is dat Eindhoven Airport eigenaar is van het parkeerterrein.

    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 19 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2745), maakt reeds het belang van iemand als eigenaar van het aangrenzende perceel dat hij een rechtstreeks bij de verlening van de omgevingsvergunning betrokken belang heeft in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Dat in de onderhavige situatie het parkeerterrein van Eindhoven Airport en het perceel van elkaar worden gescheiden door een weg en een smalle strook groen, maakt dit naar het oordeel van de Afdeling niet anders.

    Daarnaast is van belang dat na bekendmaking van de van rechtswege verleende omgevingsvergunning het bestemmingsplan "Weginfrastructuur omgeving Eindhoven-Noordwest, Oirschot en Best" is vastgesteld, waarbij onder meer is voorzien in de aanleg van een nieuwe weginfrastructuur waaronder de aanleg van een ontsluitingsweg ten behoeve van het bedrijventerrein en Eindhoven Airport. Het beoogde tracé van de desbetreffende weg is ten dele voorzien op het perceel. Door de realisatie van het bouwplan zou het niet meer mogelijk zijn om de geplande wegstructuur te realiseren, waardoor de bereikbaarheid van het bedrijventerrein en Eindhoven Airport zou worden belemmerd.

    Het voorgaande in aanmerking genomen, heeft de rechtbank Eindhoven Airport naar het oordeel van de Afdeling terecht als belanghebbende aangemerkt.

    Het betoog faalt.

3.    Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank OKEA ten onrechte als belanghebbende heeft aangemerkt. OKEA behartigt algemene en collectieve belangen voor haar leden. De rechtbank heeft niet vastgesteld welk belang OKEA in dit geval heeft. De omstandigheid dat als gevolg van de realisatie van het bouwplan meer verkeersbewegingen zijn te verwachten over de

Jan Olieslagersweg, betekent niet dat daarmee vaststaat dat OKEA gevolgen van enige betekenis ondervindt, aldus [appellant].

3.1.    Artikel 1:2, derde lid, van de Awb luidt: "Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen."

3.2.    Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt. Met artikel 1:2, derde lid, van de Awb heeft de wetgever blijkens de totstandkomingsgeschiedenis (Kamerstukken II 1988/1989, 21 221, nr. 3, p. 32-35) veilig willen stellen dat organisaties als belanghebbende kunnen opkomen, mits een algemeen of collectief belang dat zij zich statutair ten doel stellen te behartigen en waarvoor zij zich daadwerkelijk inzetten, bij het besluit rechtstreeks is betrokken.

3.3.    Om te kunnen bepalen of het belang van de vereniging rechtstreeks is betrokken bij het besluit tot vergunningverlening is, naast haar statutaire doel, van belang of zij feitelijke werkzaamheden verricht met het oog op de behartiging van haar doelstelling. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 27 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4292) dient bij de feitelijke werkzaamheden acht te worden geslagen op de periode voorafgaand aan het indienen van bezwaar.

3.4.    Zoals blijkt uit de statuten van OKEA ziet haar doelstelling op de bevordering van de onderlinge contacten en de behartiging van gemeenschappelijke belangen van haar leden, alsmede het verrichten en bevorderen van al hetgeen met het vorenstaande verband houdt in de meest uitgebreide zin danwel van al hetgeen in het belang van de leden noodzakelijk of gewenst is, alles in de ruimste zin.

3.5.    Zoals blijkt uit artikel 4 van de statuten tracht de belangenvereniging haar doel onder meer te bereiken door:

a. het bestuderen en bespreken van vraagstukken die de belangen van de bedrijven gevestigd rondom Eindhoven Airport direct of indirect raken;

b. het onderhouden van contacten en het voeren van besprekingen met derden ter behartiging van de belangen der leden;

c. het verlenen van hulp, bemiddeling en voorlichting aan haar leden;

d. het treffen van die maatregelen - waaronder tevens te begrijpen het oprichten en in stand houden van instellingen - welke van nut zijn met het oog op het doel der vereniging;

e. het gebruik maken van andere wettige middelen, welke tot het gestelde doel dienstig kunnen zijn;

f. het verrichten en bevorderen van al hetgeen met het vorenstaande verband houdt en aan de doelstelling dienstig kan zijn, in de meest uitgebreide zin, dan wel van al hetgeen in het belang van de leden noodzakelijk of gewenst is.

3.6.    De Afdeling is van oordeel dat de belangen die zijn betrokken bij het verlenen van de omgevingsvergunning tot de belangen behoren die OKEA blijkens haar statuten behartigt. Ingevolge artikel 5 van haar statuten kunnen leden van OKEA slechts natuurlijke en rechtspersonen zijn die enig bedrijf uitoefenen, gevestigd rondom Eindhoven Airport. Ter zitting is komen vast te staan dat enkele leden van OKEA eigenaar zijn van percelen die grenzen aan het perceel waarop de omgevingsvergunning ziet.

    OKEA heeft in beroep een opsomming gegeven van de activiteiten die zij in de van belang zijnde periode heeft verricht en ook nu nog verricht, waaronder het organiseren van activiteiten voor en/of door de leden, met onder meer een voorlichtend karakter ten aanzien van onderwerpen die rondom Eindhoven Airport spelen, zoals de bereikbaarheid van het bedrijventerrein. Verder heeft OKEA aangegeven dat zij regelmatig overleg voert met de gemeente Eindhoven en dat zij overleg voert met andere ondernemersorganisaties. Aangegeven is dat de bereikbaarheid van het bedrijventerrein Eindhoven Airport een belangrijk onderwerp is voor OKEA.

    Zoals hiervoor is overwogen, is het door de realisatie van het bouwplan niet langer mogelijk om de geplande ontsluitingsweg ten behoeve van het bedrijventerrein te realiseren die ten dele op het perceel is voorzien. Gelet hierop zou de bereikbaarheid van het bedrijventerrein kunnen worden belemmerd, hetgeen invloed heeft op de collectieve belangen van de bedrijven die OKEA behartigt.

3.7.    Gelet op de statutaire doelstelling van OKEA, zowel in functionele als in territoriale zin, in samenhang bezien met haar feitelijke werkzaamheden, is de Afdeling van oordeel dat OKEA door het besluit van 8 oktober 2017 rechtstreeks wordt getroffen in een belang dat zij in het bijzonder behartigt. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat OKEA bij dat besluit belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb en dat het college het bezwaar van OKEA terecht ontvankelijk heeft geacht.

    Het betoog faalt.

4.    [appellant] betoogt voorts dat bezwaarmakers een beroep hebben gedaan op artikel 6.2.1, aanhef en onder a, van de planregels behorende bij het bestemmingsplan, waaruit volgt dat gebouwen moeten worden gerealiseerd binnen de aanduiding "bouwvlak". Deze planregel strekt echter niet tot bescherming van de belangen van bezwaarmakers. De desbetreffende bouwregel heeft niet een zodanig beschermingsbereik dat deze ook de belangen van derden beoogt te beschermen, aldus [appellant].

4.1.    De rechtbank heeft naar het oordeel van de Afdeling terecht, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2552, overwogen dat [appellant] niet kan worden gevolgd in zijn standpunt dat het college heeft miskend dat het relativiteitsvereiste in de weg zou staan aan het gegrond verklaren van de door bezwaarmakers gemaakte bezwaren. Het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:69a van de Awb richt zich tot de bestuursrechter. Zoals is uiteengezet in de memorie van toelichting bij de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 20-21) heeft de wetgever ervoor gekozen om het relativiteitsvereiste zoals neergelegd in artikel 8:69a van de Awb slechts in te voeren voor de fase van het beroep bij de rechter, en niet ook voor de fase van het bezwaar, nu het beslissen op bezwaar een wezenlijk ander karakter heeft dan rechtspraak. In de bezwaarprocedure dient een volledige heroverweging van het genomen besluit plaats te vinden en daarbij past niet een toetsing in bezwaar die beperkt is tot toetsing aan die rechtsregels welke de belangen van de bezwaarmaker beoogt te beschermen.

    Het betoog faalt.

5.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat hij de bedoeling heeft gehad om de beoogde bebouwing binnen het bouwvlak te situeren. Het bouwplan is door een gerenommeerd architect getekend op een zogenoemde onderlegger, afkomstig van de gemeente Eindhoven. Deze onderlegger is identiek aan de door de architect geraadpleegde kadastrale gegevens. Het bouwplan is op basis van deze ondergrond en het digitale bouwvlak zoals weergegeven op www.ruimtelijkeplannen.nl ingetekend. Het was de bedoeling het bouwplan binnen het op www.ruimtelijkeplannen.nl aangegeven bouwvlak te situeren en dat had het college moeten begrijpen, aldus [appellant].

5.1.    De rechtbank heeft naar het oordeel van de Afdeling terecht overwogen dat het bouwplan van [appellant] gedeeltelijk buiten het bouwvlak is voorzien, zodat sprake is van strijd met artikel 6.2.1, aanhef en onder a, van de planregels behorende bij het bestemmingsplan. In dit verband is van belang dat volgens de door [appellant] bij de aanvraag ingediende plattegrond- en terreintekening van 15 januari 2016 de diepte van de aangevraagde bedrijfshal 46,48 meter is. Partijen zijn het er voorts over eens dat de diepte van het bouwvlak gemeten op www.ruimtelijkeplannen.nl aan de oostzijde van het perceel 44 meter bedraagt. Dat betekent dat sprake is van een overschrijding van het bouwvlak van 2,48 meter.

    Dat het, zoals [appellant] stelt, de bedoeling is geweest om het bouwplan binnen het bouwvlak zoals aangegeven op www.ruimtelijkeplannen.nl te situeren maakt, wat daar verder van zij, naar het oordeel van de Afdeling niet dat van een overschrijding van het bouwvlak geen sprake is. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank had moeten concluderen dat het college had moeten begrijpen dat het de bedoeling van [appellant] was om het bouwplan binnen het bouwvlak te situeren.

    Het betoog faalt.

6.    Ten slotte betoogt [appellant] dat hij op 22 september 2016 een gewijzigde bouwtekening heeft ingebracht, waarbij de bedrijfshal zodanig is gepositioneerd dat deze alsnog geheel binnen het bouwvlak komt te liggen. De rechtbank heeft ten onrechte niet onderkend dat deze wijziging door het college had moeten worden meegenomen in de lopende procedure. Het betreft volgens [appellant] een wijziging van ondergeschikte aard, omdat het bouwplan wat betreft maatvoering, uiterlijke verschijningsvorm en ruimtelijke uitstraling hetzelfde is gebleven. Voorts is geen sprake van een technische of constructieve wijziging, aldus [appellant].

6.1.    De Afdeling stelt vast dat de aangepaste bouwtekening dateert van 22 september 2016, derhalve van na de datum waarop de omgevingsvergunning van rechtswege is verleend, te weten op 6 april 2016.

    Dat neemt niet weg dat de desbetreffende tekening kan worden betrokken bij de besluitvorming in bezwaar. Daarbij is van belang dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 10 september 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF0323) geen nieuwe aanvraag nodig is als de wijziging van het bouwplan van ondergeschikte aard is.

De vraag of de wijziging van ondergeschikte aard is, dient per concreet geval te worden beantwoord.

    In dit geval heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan wat betreft uiterlijke verschijningsvorm weliswaar niet verandert, maar met betrekking tot de stedenbouwkundige uitstraling wel degelijk sprake is van een wijziging. Er vindt immers een verschuiving plaats van de bedrijfshal van 40 meter in noordwestelijke richting. De bedrijfshal komt door de verplaatsing dichter bij Eindhoven Airport en het [bedrijf] te liggen, die hierdoor wat betreft zicht en ruimtelijke uitstraling meer worden benadeeld. Bij het bouwen op het rechter bouwvlak blijft bovendien, anders dan wanneer wordt gebouwd op het middelste bouwvlak, de gehele linkerzijde open hetgeen een andere stedenbouwkundige uitstraling heeft, gelet op de doorkijk. De rechtbank heeft gelet op het voorgaande naar het oordeel van de Afdeling terecht geconcludeerd dat met de aangepaste situering van de bedrijfshal geen sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard.

    Het betoog faalt.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, griffier.

w.g. Uylenburg    w.g. Melenhorst

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2020

490.