Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:759

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-03-2020
Datum publicatie
18-03-2020
Zaaknummer
201906896/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:8906, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 oktober 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201906896/1/V2.

Datum uitspraak: 16 maart 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 augustus 2019 in zaak nr. 19/4080 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 1 mei 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 augustus 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris binnen zes weken na de dag van verzending een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E.E.M. Bezem, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

    Achtergrond

1.    De vreemdeling heeft de Surinaamse nationaliteit. Bij besluit van 29 oktober 2018, gehandhaafd bij besluit van 1 mei 2019, heeft de staatssecretaris de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij echtgenote, die de Nederlandse nationaliteit heeft en op [datum] met de vreemdeling is gehuwd, afgewezen. De staatssecretaris heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de vreemdeling niet beschikt over de vereiste machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: het mvv-vereiste). De vreemdeling komt niet in aanmerking voor vrijstelling van het vereiste op een van de uitzonderingsgronden, neergelegd in artikel 3.71 van het Vb 2000. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat van strijd met artikel 8 van het EVRM (artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000) geen sprake is. Daarnaast heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste in het geval van de vreemdeling niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard (hierna: de hardheidsclausule; artikel 3.71, derde lid, van het Vb 2000). Het geschil ziet op dit laatste.

Oordeel rechtbank

2.    De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris, gelet op de uitspraak van 29 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1001, ten onrechte niet is overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag om een verblijfsvergunning voor gezinshereniging, ook al voldeed de vreemdeling niet niet aan het mvv-vereiste. Naar haar oordeel moet de staatssecretaris, wanneer een aanvrager om vrijstelling van het mvv-vereiste verzoekt, beoordelen of de aangevoerde bijzondere, persoonlijke feiten en omstandigheden, die wellicht op zichzelf genomen niet voldoende zijn voor vrijstelling, toch tot vrijstelling van het mvv-vereiste kunnen leiden. Daartoe moet de staatssecretaris beoordelen of het, gelet op de aangevoerde omstandigheden, onevenredig bezwarend zou zijn om vast te houden aan het mvv-vereiste, als de aanvrager daarnaast aan alle materiële vereisten voor gezinshereniging voldoet. Nu de staatssecretaris dat niet heeft beoordeeld, is het besluit ondeugdelijk gemotiveerd.

Beoordeling grief

3.    De staatssecretaris klaagt in de enige grief dat de rechtbank niet heeft onderkend dat uit de overwegingen uit de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2019 niet volgt dat hij ook in het geval van de vreemdeling verplicht was te beoordelen of hij voldoet aan de materiële vereisten voor vergunningverlening. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft hij daarom wel deugdelijk gemotiveerd dat de hardheidsclausule niet op de vreemdeling van toepassing is.

3.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie uitspraak van 14 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:471), volgt uit de uitspraak van 29 maart 2019 dat, wanneer een vreemdeling zich beroept op de hardheidsclausule, de staatssecretaris een beoordeling of die vreemdeling voldoet aan de materiële vereisten voor gezinshereniging pas moet verrichten als de vreemdeling bijzondere, persoonlijke feiten en omstandigheden aanvoert die maken dat het onevenredig bezwarend zou zijn om vast te houden aan het mvv-vereiste als die vreemdeling aan alle materiële vereisten zou voldoen.

3.2.    Blijkens het in bezwaar gehandhaafde besluit van 19 oktober 2018 heeft de staatssecretaris de omstandigheid dat de vreemdeling en zijn echtgenote vanwege hun kinderwens in Nederland een medisch traject willen ingaan en vrezen voor eventuele gevolgen voor het werk en de woning van de vreemdeling als hij zou terugkeren naar Suriname, niet aangemerkt als bijzondere omstandigheden. De staatssecretaris heeft dat standpunt deugdelijk gemotiveerd. Hij heeft daarom terecht niet beoordeeld of de vreemdeling voldoet aan de materiële vereisten voor gezinshereniging.

     De grief slaagt.

Conclusie

4.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd te bespreken. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.

5.    De vreemdeling heeft in beroep betoogd dat de staatssecretaris ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar, nu de gevallen waarin van het horen kan worden afgezien restrictief moeten worden toegepast en hier zich geen van de uitzonderingssituaties voordoen.

5.1.    De beroepsgrond faalt. De staatssecretaris mag slechts krachtens artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen in bezwaar afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend standpunt. Gelet op de motivering van het besluit van 29 oktober 2018 en wat de vreemdeling daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, is aan deze maatstaf voldaan.

6.    Het beroep is ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 augustus 2019 in zaak nr. 19/4080;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Bossmann

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2020

393.