Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:754

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
18-03-2020
Zaaknummer
202001393/2/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juni 2019 heeft de burgemeester van Terneuzen aan [verzoeker] een last onder bestuursdwang opgelegd op grond van artikel 13b van de Opiumwet strekkende tot sluiting van de woning aan de [locatie] te Koewacht voor de duur van drie maanden, met ingang van 25 juli 2019. Op 15 februari 2019 heeft de politie eenheid Zeeland-West-Brabant in twee ruimtes op de zolder van de woning van [verzoeker] een hennepkwekerij aangetroffen, bestaande uit in totaal 40 hennepplanten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202001393/2/A3.

Datum uitspraak: 17 maart 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker], wonend te Koewacht, gemeente Terneuzen,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 18 februari 2020 in zaak nrs. 20/126 en 20/127 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

de burgemeester van Terneuzen.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2019 heeft de burgemeester aan [verzoeker] een last onder bestuursdwang opgelegd op grond van artikel 13b van de Opiumwet strekkende tot sluiting van de woning aan de [locatie] te Koewacht (hierna: de woning) voor de duur van drie maanden, met ingang van 25 juli 2019.

Bij besluit van 10 december 2019 heeft de burgemeester het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 februari 2020 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en zijn verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.

[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 maart 2020, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. W.R. Aerts, advocaat te Vlissingen, en de burgemeester, vertegenwoordigd door L.M.F. van Damme-Braem LLB en N.E.M. van Hurck, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    Op 15 februari 2019 heeft de politie eenheid Zeeland-West-Brabant in twee ruimtes op de zolder van de woning van [verzoeker] een hennepkwekerij aangetroffen, bestaande uit in totaal 40 hennepplanten. Hiervan is op 13 maart 2019 een bestuurlijke rapportage opgemaakt. In de rapportage wordt de burgemeester geadviseerd om maatregelen te treffen overeenkomstig het gemeentelijke Damoclesbeleid 2017. De burgemeester heeft [verzoeker] vervolgens gelast de woning voor drie maanden te sluiten. Dit besluit heeft hij in bezwaar gehandhaafd. De strafzaak tegen [verzoeker] is voorwaardelijk geseponeerd op grond van het feit dat zijn gezondheidstoestand aan vervolging in de weg stond.

3.    De burgemeester heeft, hangende de verzoeken van [verzoeker] om een voorlopige voorziening in bezwaar en beroep, afgezien van tenuitvoerlegging van de last, zodat de woning tot op heden niet feitelijk gesloten is geweest. Bij brief van 2 maart 2020 heeft de burgemeester toegezegd de sluiting op te schorten totdat op het verzoek is beslist.

4.    Het verzoek van [verzoeker] strekt er in wezen toe dat bij wijze van voorlopige voorziening de werking van het besluit van de burgemeester tot sluiting van de woning wordt geschorst, totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan op zijn hoger beroep. Aan zijn verzoek heeft [verzoeker] ten grondslag gelegd dat hij, sinds hij in 1998 betrokken is geweest bij een verkeersongeval, aan ernstige chronische zenuwpijn lijdt en slaapklachten heeft. Hij gebruikt hennepolie om zijn pijn- en slaapklachten te verlichten. [verzoeker] heeft een verklaring van zijn huisarts van 21 februari 2019 overgelegd waarin staat dat klassieke pijnstilling voor [verzoeker] onvoldoende is en ook dat de momenteel beschikbare medicinale cannabis niet voldoende werkt. In een verklaring van de huisarts van 19 april 2019 staat voorts dat de zelf gekweekte/gemaakte CBD/THC-olie voor [verzoeker] tot nog toe het meest effectieve pijnstillende middel met de minste bijwerkingen blijkt te zijn. [verzoeker] heeft toegelicht dat medicinale hennepolie die regulier verkrijgbaar is, bijwerkingen geeft vanwege een voor hem ongunstige verhouding van het THC- en CBD-gehalte. Hij veredelt daarom hennepplanten om daarvan hennepolie te maken met de voor hem optimale verhouding van THC en CBD. De 40 hennepplanten dienden voor eigen gebruik. Volgens [verzoeker] heeft de rechtbank daarom ten onrechte geoordeeld dat de burgemeester bevoegd was om tot sluiting van de woning over te gaan. Ook meent [verzoeker] dat de burgemeester in de omstandigheden van het geval aanleiding had moeten zien om van zijn beleid af te wijken.

4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 4 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4083, is artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet naar zijn tekst niet van toepassing bij de enkele aanwezigheid van drugs in een pand. Gezien de woorden "daartoe aanwezig" moeten de drugs immers met een bepaalde bestemming aanwezig zijn, dat wil zeggen voor verkoop, aflevering of verstrekking. Als uitgangspunt kan evenwel worden aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 5 g (of 5 planten) softdrugs (het door het openbaar ministerie gehanteerde criterium voor eigen gebruik) de aangetroffen hoeveelheid softdrugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Het is dan vervolgens aan de rechthebbende op de woning om aannemelijk te maken dat de aangetroffen hoeveelheid softdrugs niet voor verkoop, verstrekking of aflevering aanwezig was. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:738, betekent dit dat, indien het om een geringe overschrijding van de 5 g grens gaat en de rechthebbende feiten en omstandigheden kan noemen waaruit volgt dat het om een hoeveelheid voor eigen gebruik zou kunnen gaan, er dan in beginsel toch geen bevoegdheid tot sluiting is en de burgemeester zal moeten motiveren waarom desondanks de conclusie gerechtvaardigd is dat de aangetroffen hoeveelheid softdrugs bestemd is voor de verkoop, aflevering of verstrekking, zodat hij niettemin bevoegd is om ter zake van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen.

4.2.    De burgemeester heeft gelet op de aangetroffen hoeveelheid planten aannemelijk geacht dat deze bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. De voorzieningenrechter onderschrijft het standpunt van de burgemeester dat de overschrijding van de 5 planten-grens niet gering is, maar acht gelet op de eenduidige verklaringen van [verzoeker] over het veredelingsproces niet onaannemelijk dat hij de planten feitelijk toch voor eigen gebruik kweekte. Daarbij is van belang dat van dealen vanuit de woning of van andere indicaties die wijzen op drugshandel niet is gebleken. De in dit geding voorliggende vraag of er onder deze omstandigheden een bevoegdheid bestond voor de burgemeester om tot sluiting van de woning te beslissen, vergt nader onderzoek en leent zich daarom niet voor beoordeling in deze procedure. Het oordeel daarover wordt aan de Afdeling overgelaten. Alle belangen afwegend, acht de voorzieningenrechter het algemeen belang bij onmiddellijke sluiting van de woning in dit geval minder zwaarwegend dan het belang van [verzoeker] om in de woning te kunnen blijven totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. De voorzieningenrechter betrekt daarbij dat [verzoeker] ter zitting heeft gesteld dat hij in contact staat met een onderzoeksbureau voor cannabis in Leiden teneinde een wetenschappelijke onderbouwing te kunnen aanleveren voor het voor de veredeling benodigde aantal planten.

5.    Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

6.    De burgemeester dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening de tenuitvoerlegging van het besluit van de burgemeester van Terneuzen van 10 december 2019, kenmerk 285352, en zijn besluit van 11 juni 2019, kenmerk 274767;

II.    veroordeelt de burgemeester van Terneuzen tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.103,01 (zegge: elfhonderd drie euro en een cent), waarvan € 1.050,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.    gelast dat de burgemeester van Terneuzen aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 265,00 (zegge: tweehonderdvijfenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, griffier.

w.g. Daalder

voorzieningenrechter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2020

612.