Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:74

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-01-2020
Datum publicatie
15-01-2020
Zaaknummer
201901012/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 maart 2017 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland omgevingsvergunning verleend aan de maatschap voor het boller leggen van bestaande akkers en het aanleggen van natuurvriendelijke oevers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201901012/1/A1.

Datum uitspraak: 15 januari 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1.    het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: gedeputeerde staten),

2.    [maatschap], gevestigd te [plaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 december 2018 in zaak nr. 18/3458 in het geding tussen:

gedeputeerde staten

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Neder-Betuwe (hierna: het college).

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2017 heeft het college omgevingsvergunning verleend aan de maatschap voor het boller leggen van bestaande akkers en het aanleggen van natuurvriendelijke oevers.

Bij besluit van 16 mei 2018 heeft het college naar aanleiding van het bezwaar van gedeputeerde staten besloten om het besluit van 8 maart 2017 onder aanvulling van de motivering in stand te laten.

Bij uitspraak van 21 december 2018 heeft de rechtbank het door gedeputeerde staten ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 16 mei 2018 vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven en een voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben gedeputeerde staten hoger beroep ingesteld. De maatschap heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het college en de maatschap hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 oktober 2019, waar gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. M.M.H.J. Vroemen, P.F.H.A. Tille en ir. B. van Adrichem, en het college, vertegenwoordigd door T. Akkermans, S.D. van Dijk en J. Rozema, bijgestaan door mr. J. van Vulpen, advocaat te Nijmegen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de maatschap, vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

1.    Het op deze zaak betrekking hebbende wettelijke kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

2.    De maatschap exploiteert een agrarisch bedrijf met ongeveer 200 schapen en 1300 geiten en is tevens eigenaar van kadastraal perceel sectie […], nummer […] aan de Verlengde Melkdreef. Dit perceel grasland van 1,59 hectare ligt in het weidevogelgebied Eldikse veld. Het perceel is in het bestemmingsplan "Buitengebied Dodewaard en Echteld" (hierna: het bestemmingsplan) bestemd als "Agrarisch met waarden -2" met de gebiedsaanduiding "weidevogelgebied". Voor het ophogen van het perceel is op grond van artikel 6.6.1 van de planregels een omgevingsvergunning vereist. Gelet op artikel 6.6.3 van de planregels kan deze alleen worden verleend indien uit een nader onderzoek is gebleken dat hierdoor de landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan het perceel, of de mogelijkheden tot het herstel of de ontwikkeling van deze waarden, niet blijvend onevenredig worden geschaad.

    Nadat een toezichthouder had geconstateerd dat op het perceel grond werd aangebracht, heeft het college de werkzaamheden op 20 januari 2017 stilgelegd. Dit omdat volgens het college voor het aanbrengen van grond een omgevingsvergunning is vereist op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) gelezen in samenhang met artikel 6.6.1. van de planregels (hierna: aanlegvergunning). Op 1 februari 2017 heeft de maatschap een aanvraag ingediend voor een aanlegvergunning. Het college heeft de aangevraagde vergunning verleend. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat gelet op de "quickscan natuurwetgeving en weidevogels Verlengde Melkdreef Ochten" van 7 april 2017 van ecologisch adviesbureau Viridis (hierna: quickscan) de landschappelijke waarden en natuurwaarden die eigen zijn aan de betreffende gronden, of de mogelijkheid tot herstel of de ontwikkeling van deze waarden niet blijvend onevenredig geschaad worden door de ingreep mits er geen werkzaamheden in de broedtijd worden uitgevoerd. De werkzaamheden mogen niet in de broedtijd worden uitgevoerd omdat de weidevogels, scholeksters en kieviten, gebruik maken van het perceel om te broeden. Ook na de ophoging blijft het perceel volgens de quickscan geschikt als weidevogelgebied. Het college heeft in de omgevingsvergunning een aantal mitigerende maatregelen genoemd.

    De rechtbank heeft overwogen dat de aanlegvergunning terecht is verleend en dat een ontheffing of verklaring van geen bedenkingen in het kader van de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb) niet is vereist. De rechtbank heeft het besluit wel vernietigd omdat het college in het besluit de vraag of een ontheffing of verklaring van geen bedenkingen is vereist onvoldoende heeft besproken. Nu uit de quickscan valt af te leiden dat de verhoging geen wezenlijke invloed heeft op de staat van instandhouding van de op het perceel aanwezige vogelsoorten, heeft de rechtbank aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De rechtbank heeft verder het besluit vernietigd omdat de mitigerende maatregelen wel zijn genoemd maar ten onrechte niet expliciet als voorschrift aan de omgevingsvergunning zijn verbonden. De rechtbank heeft bepaald dat de mitigerende maatregelen genoemd in het besluit als voorschrift aan de omgevingsvergunning worden verbonden.

Hoger beroep van gedeputeerde staten

3.    Gedeputeerde staten betogen dat de rechtbank, door de rechtsgevolgen in stand te laten, niet heeft onderkend dat de aanlegvergunning niet verleend had mogen worden. Gedeputeerde staten stellen voorop dat de aanlegvergunning niet verleend had kunnen worden zonder dat een toetsing had plaatsgevonden op grond van de Wnb door gedeputeerde staten. Volgens gedeputeerde staten was die toetsing ook nodig ter bescherming van het weidevogelgebied. Er kan namelijk met grote mate van zekerheid worden gesteld dat de ophoging de broed- en foerageerfunctie voor weidevogels negatief heeft beïnvloed en zal beïnvloeden. Gedeputeerde staten verwijzen in dit verband naar het onderzoek van adviesbureau Altenburg en Wymenga van 10 september 2018. De aan het besluit ten grondslag gelegde quickscan is volgens gedeputeerde staten onvoldoende voor een ander oordeel omdat deze dateert van na het uitvoeren van de werkzaamheden. Daarin is onvoldoende rekening gehouden met het feit dat er sprake is van een weidevogelgebied. De nadruk had moeten liggen op wat voor weidevogels nodig is. Ten aanzien van de opgelegde mitigerende maatregelen merken gedeputeerde staten op dat deze onvoldoende zijn om schade aan het weidevogelgebied te voorkomen dan wel te beperken. Het voorgaande betekent volgens gedeputeerde staten dat de aanlegvergunning ook ten onrechte is verleend omdat de natuurwaarden die eigen zijn aan het perceel blijvend onevenredig worden geschaad.

3.1.    Zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld en tussen partijen niet in geschil is, is een aanlegvergunning vereist voor het ophogen van het perceel. Uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b en artikel 2.11, eerste lid, van de Wabo volgt dat een dergelijke vergunning alleen mag worden geweigerd indien de aanleg in strijd is met de regels van het bestemmingsplan. Het toetsingskader wordt in dit geval gevormd door artikel 6.6.3 van de planregels. Gelet op dat artikel kan de aanlegvergunning alleen worden verleend indien uit een nader onderzoek is gebleken dat door de ophoging landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan het perceel, of de mogelijkheden tot het herstel of de ontwikkeling van deze waarden, niet blijvend onevenredig worden geschaad.

3.2.    Het perceel behoort tot een weidevogelgebied. In de Wnb zijn bepalingen opgenomen die strekken tot bescherming van plant- en diersoorten waaronder weidevogels. In bepaalde gevallen is een ontheffing op grond van de Wnb vereist. Vast staat dat de maatschap een dergelijke ontheffing niet heeft aangevraagd. Nu er geen ontheffingsprocedure loopt, is mogelijk ook een omgevingsvergunning vereist als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo (hierna: i-vergunning). Op grond van artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo zou de aanvraag dan ook betrekking op de i-vergunning moeten hebben.

    Als de werkzaamheden voor de op het perceel aanwezige weidevogels leiden tot het overtreden van één van de verboden genoemd in artikel 3.1 van de Wnb, dan is op grond van artikel 2.2aa, aanhef en onder b, van het Bor een i-vergunning vereist. In dat kader moet er een verklaring van geen bedenkingen worden afgeven door gedeputeerde staten voordat het college tot verlening van die vergunning over kan gaan. Het is aan het college om te beoordelen of een i-vergunning is vereist. Daarbij hoeft het college, indien het tot de conclusie komt dat een i-vergunning niet is vereist, niet eerst de aanvraag aan de gedeputeerde staten voor te leggen. Dit betekent echter niet dat voor gedeputeerde staten geen mogelijkheid bestaat om de vergunningverlening tegen te houden dan wel zijn standpunt hierover naar voren te brengen. Gedeputeerde staten kunnen, zoals hier ook is gebeurd, in een dergelijk geval rechtsmiddelen aanwenden tegen verlening van de aanlegvergunning. In dat kader kan aan de orde worden gesteld of een i-vergunning met de daarbij behorende verklaring van geen bedenkingen is vereist. Anders dan gedeputeerde staten lijken te stellen, is er dus wel een mogelijkheid om te voorkomen dat het weidevogelgebied negatief wordt beïnvloed door allerlei ten onrechte vergunde werkzaamheden.

3.3.    Gelet op hetgeen tussen partijen in geschil is, zal de Afdeling hierna de vraag beantwoorden of de rechtbank terecht heeft overwogen dat geen  i-vergunning was vereist. Om die vraag te beantwoorden moet worden onderzocht of de werkzaamheden een wezenlijke invloed hebben op de instandhouding van de weidevogels als bedoeld in artikel 3.1, vijfde lid, van de Wnb. De Afdeling zal tevens de vraag beantwoorden of de rechtbank terecht heeft overwogen dat de aanlegvergunning terecht is verleend. Om die vraag te beantwoorden is van belang of een i-vergunning was vereist en of de natuurwaarden niet blijvend onevenredig worden geschaad. Het weidevogelgebied waartoe het perceel behoort, betreft een groot gebied met een aantal verschillende vogels. Naar het oordeel van de Afdeling moet, anders dan in het onderzoek waarnaar gedeputeerde staten verwijst, niet worden gekeken naar het gehele weidevogelgebied maar naar het perceel en de weidevogels die daar aanwezig (kunnen) zijn.

3.4.    Het college heeft aan de omgevingsvergunning in het kader van de toetsing aan het bestemmingsplan de quickscan ten grondslag gelegd. Uit de quickscan volgt dat de werkzaamheden gevolgen kunnen hebben voor het weidevogelgebied. Dit omdat het terrein tijdelijk braak zal komen te liggen waardoor het niet door de weidevogels kan worden gebruikt. Uit de quickscan volgt dat op het perceel alleen twee weidevogelsoorten voorkomen, namelijk de kievit en scholekster. Die vogels gebruiken het perceel als broedgebied en dat zal na de ophoging nog steeds mogelijk zijn. Het perceel zal na de ophoging iets droger zijn dan voorheen maar naar verwachting heeft dat geen gevolgen voor de kievit en scholekster. Andere vogels zoals de tureluur en grutto zijn wel in de omgeving aanwezig maar worden niet als broedvogels binnen het perceel verwacht omdat zij een hogere vegetatie nodig hebben. Als de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden, zullen zich geen negatieve gevolgen voordoen. Het voorgaande wordt ondersteund door de notitie van Viridis van 16 april 2019 waarnaar het college in hoger beroep heeft verwezen. Het wordt ook ondersteund door een door de maatschap overgelegde second opinion waaruit volgt dat het perceel, ook gelet op de verschillende aanwezige storingsbronnen in de directe omgeving, niet geschikt is voor de grutto en tureluur, maar wel geschikt is voor de kievit en scholekster.

    Het college heeft in het besluit van 16 mei 2018 bepaald dat de quickscan onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning. Een aantal mitigerende maatregelen moeten volgens het college worden genomen:

•    "de werkzaamheden dienen met de minste schade voor de aanwezige planten en dieren uitgevoerd te worden. De werkzaamheden dienen in één richting uitgevoerd te worden. Door de werkzaamheden in één richting uit te voeren, krijgen de aanwezige (grondgebonden zoog)dieren de kans voor de werkzaamheden uit te vluchten;

•    voor de aanleg van de natuurvriendelijke oevers wordt aanbevolen het talud op het droge uit te graven en tot slot de grondrug tussen de sloot en het nieuwe talud te verwijderen. Zodoende wordt veel verstoring en vertroebeling van het water voorkomen;

•    alvorens de grondhopen op het perceel worden verspreid en de oevers van de sloten worden opgegraven, dient door een terzake kundige ecoloog een broedvogelcontrole te worden uitgevoerd. Indien hierbij broedgevallen binnen de begrenzing van het plangebied worden aangetroffen, dienen de werkzaamheden te worden uitgesteld tot de jongen vliegvlug zijn en het perceel op eigen kracht kunnen verlaten."

3.5.    De rechtbank heeft gelet op de hiervoor genoemde onderzoeken terecht overwogen dat het in artikel 3.1 van de Wnb opgenomen storingsverbod niet wordt overtreden. Er is derhalve geen i-vergunning vereist. De rechtbank heeft daarbij terecht verwezen naar de quickscan waaruit valt af te leiden dat de verhoging geen wezenlijke invloed heeft op de staat van instandhouding van de weidevogels kievit en scholekster, mits geen werkzaamheden worden uitgevoerd in het broedseizoen. Daaruit volgt ook dat de aanlegvergunning, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, in zoverre terecht is verleend. In hetgeen gedeputeerde staten over de quickscan hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid daarvan. Hoewel het wenselijker was om een onderzoek te starten voordat de werkzaamheden, die zijn stilgelegd, waren aangevangen, bleek het na aanvang van die werkzaamheden nog steeds mogelijk om te onderzoeken welke weidevogels voor de werkzaamheden op het perceel aanwezig zouden kunnen zijn geweest en wat voor gevolgen de werkzaamheden zullen hebben voor die vogels, hetgeen hier ook is gebeurd. In het rapport van Altenburg & Wymenga wordt gesteld dat de werkzaamheden gevolgen hebben voor de grutto en tureluur maar gelet op de door het college en de maatschap overgelegde onderzoeken was het perceel al voor de werkzaamheden niet geschikt voor deze vogels. Deze vogels komen, gelet op die onderzoeken en het verhandelde ter zitting weliswaar wel voor elders in het weidevogelgebied maar niet op het perceel waar de werkzaamheden plaats zullen vinden. De Afdeling is van oordeel dat voor de beantwoording van de vraag die hier aan de orde is, slechts van belang is of de werkzaamheden van invloed zijn op de weidevogels die zijn te verwachten op het perceel en niet voor het gehele weidevogelgebied.

    Uit de quickscan volgt dat overtreding van artikel 3.1 van de Wnb kan worden voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. De Afdeling ziet met de rechtbank geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Om te bereiken dat de ophoging buiten het broedseizoen plaatsvindt, heeft de rechtbank de drie mitigerende maatregelen, genoemd in het besluit van 16 mei 2018, als voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden. Gedeputeerde staten hebben niet aannemelijk gemaakt waarom daarmee niet voldoende is gewaarborgd dat artikel 3.1 van de Wnb niet wordt overtreden.

    Het betoogt faalt.

Incidenteel hoger beroep van de maatschap

4.    De maatschap heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van gedeputeerde staten gegrond is. Nu het hoger beroep van gedeputeerde staten, gelet op het voorgaande, ongegrond zal worden verklaard, is deze voorwaarde niet vervuld en is het incidenteel hoger beroep van de maatschap vervallen. Aan een inhoudelijke bespreking ervan kan daarom niet worden toegekomen.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. B.J. Schueler en mr. P.H.A. Knol, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. de Koning, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. De Koning

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2020

712.

 

BIJLAGE

 

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

[…]

b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,

[…]

i. het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.

[…]

Artikel 2.7, eerste lid

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 2.10, tweede lid, en 2.11, tweede lid, draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project. In afwijking van de eerste volzin en onverminderd artikel 2.5 kan, indien één van die onlosmakelijke activiteiten een activiteit is als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor die activiteit voorafgaand aan en los van de overige onlosmakelijke activiteiten een aanvraag om een omgevingsvergunning worden ingediend.

Artikel 2.11

1 Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, waaromtrent regels zijn gesteld in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien het werk of de werkzaamheid daarmee in strijd is of in strijd is met de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

2 Indien sprake is van strijd met de regels, bedoeld in het eerste lid, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Besluit omgevingsrecht

Artikel 2.2aa

Als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, worden tevens aangewezen:

[…]

b. het verrichten van een handeling als bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 of 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, behoudens de gevallen, bedoeld in de artikelen 3.3, tweede of zevende lid, 3.8, tweede of zevende lid, 3.10, tweede of derde lid, of 3.31, eerste lid, voor zover die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h of in artikel 2.2 van de wet, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang met artikel 2.2a van toepassing is en voor zover voor die handeling geen ontheffing als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, 3.8, eerste lid of 3.10, tweede lid in samenhang met 3.8, eerste lid, is aangevraagd of verleend.

Artikel 5.21

[…]

2 Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel b, en het betreft een handeling als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend op de gronden die zijn aangegeven in artikel 3.3, vierde lid, van de Wet natuurbescherming.

3 Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel b, en het betreft een handeling als bedoeld in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend op de gronden die zijn aangegeven in artikel 3.8, vijfde lid, van de Wet natuurbescherming.

4 Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel b, en het betreft een handeling als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend op de gronden die zijn aangegeven in artikel 3.8, vijfde lid, of 3.10, tweede lid, van de Wet natuurbescherming.

Artikel 6.10a

1 Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, onderdeel a of b, wordt de omgevingsvergunning niet verleend dan nadat gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben.

Wet natuurbescherming

Artikel 3.1

1 Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen.

2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

3 Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben.

4 Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen.

5 Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Bestemmingsplan "Buitengebied Dodewaard en Echteld"

Artikel 6.6.1

Het is verboden binnen de bestemming Agrarisch met waarden - 2, voor zover dit niet betreft een bouwvlak, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden:

a. werken en werkzaamheden die direct zijn gericht op het storten, deponeren of op andere wijze opslaan van baggerspecie, grond, puin of afvalmaterialen, voor zover deze van elders zijn aangevoerd;

b. het vellen, rooien of beschadigen van houtgewas, geen productiebos,

productieboomgaard, zacht-fruitopstand, (boom)kwekerij of windsingel zijnde, voor zover dit niet betreft de verzorging van de aanwezige houtopstanden;

c. het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden.

d. en tevens ter plaatse van de aanduiding "weidevogelgebied":

1. het aanplanten van een houtopstand, waaronder begrepen een productieboomgaard,

een zacht-fruitopstand, een (boom)kwekerij of een windsingel;

2. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen, voorzover het niet betreft

wegen en paden ten behoeve van het normale agrarische gebruik;

3. het graven, verbreden, verdiepen of dempen van waterpartijen en

watergangen of het aanbrengen van drainagevoorzieningen;

4. het scheuren van grasland anders dan werkzaamheden ter vervanging van een bestaand grasland of het toepassen van wisselteelt.

Artikel 6.6.3

Een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in lid 6.6.1, kan alleen worden verleend indien uit een nader onderzoek is gebleken dat hierdoor de landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan de desbetreffende gronden, of de mogelijkheden tot het herstel of de ontwikkeling van deze waarden, niet blijvend onevenredig worden geschaad.

Artikel 1.58

Landschappelijke waarde:

de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, welke waarde bepaald wordt door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur.

Artikel 1.65

Natuurwaarde:

de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door de hydrologie en door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk, als in onderlinge samenhang.