Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:739

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-03-2020
Datum publicatie
11-03-2020
Zaaknummer
201904614/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:3377, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juni 2015 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zwijndrecht een verzoek van [appellante] en [partij] om handhavend op te treden tegen geluidsoverlast veroorzaakt door het gebruik van de voetbalkooi aan de Jupiterstraat/Jeroen Boschlaan in Zwijndrecht, afgewezen. [appellante] woonde, ten tijde van het handhavingsverzoek, aan de [locatie] in Zwijndrecht. Deze woning wordt door de openbare weg gescheiden van de voetbalkooi en bevindt zich op 22 meter afstand daarvan. [appellante] heeft geluidsoverlast als gevolg van het gebruik van de voetbalkooi ervaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201904614/1/A2.

Datum uitspraak: 11 maart 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Heerjansdam, gemeente Zwijndrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 april 2019 in zaak nr. 17/4598 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwijndrecht (hierna: het college).

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2015 heeft het college een verzoek van [appellante] en [partij] om handhavend op te treden tegen geluidsoverlast veroorzaakt door het gebruik van de voetbalkooi aan de Jupiterstraat/Jeroen Boschlaan in Zwijndrecht, afgewezen.

Bij besluit van 21 februari 2017 heeft het college het door [partij] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 april 2019 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen van rechtswege ontstane beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 februari 2017 vernietigd, het besluit van 30 juni 2015 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 21 februari 2017. De rechtbank heeft het verzoek van [appellante] om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 februari 2020, waar [appellante], en het college, vertegenwoordigd door mr. C.W.M. Berendsen, zijn verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

1.    [appellante] woonde, ten tijde van het handhavingsverzoek, aan de [locatie] in Zwijndrecht. Deze woning wordt door de openbare weg gescheiden van de voetbalkooi aan de Jupiterstraat/Jeroen Boschlaan en bevindt zich op 22 meter afstand daarvan. [appellante] heeft geluidsoverlast als gevolg van het gebruik van de voetbalkooi ervaren. De geluidsoverlast bestaat volgens [appellante] uit het stemgeluid van jongeren en het geluid van de bal op het moment dat die tegen de draden en op de palen van de voetbalkooi wordt geschopt. [appellante] en [partij] hebben bij brief van 22 mei 2015 verzocht om handhavend op te treden wegens overtreding van artikel 4:6 van de Algemene Plaatselijke Verordening Zwijndrecht (APV Zwijndrecht).

2.    Bij het besluit van 30 juni 2015 heeft het college het eerdergenoemde handhavingsverzoek van [appellante] en [partij] afgewezen omdat de genomen maatregelen toereikend zouden zijn. Bij besluit van 22 september 2015 heeft het college het bezwaar van [appellante] en [partij] ongegrond verklaard omdat volgens het college niet aannemelijk is dat er sprake is van overlast. Bij uitspraak van 12 januari 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:270) heeft de rechtbank het beroep van [appellante] niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet meer woonde aan de [locatie] in Zwijndrecht, het adres in de onmiddellijke nabijheid van de voetbalkooi, en daarom geen belanghebbende meer was. De rechtbank heeft bij diezelfde uitspraak het beroep van [partij] gegrond verklaard, het besluit van 22 september 2015 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [partij]. Bij het besluit van 21 februari 2017 heeft het college het bezwaar van [partij] opnieuw ongegrond verklaard omdat er geen sprake is van ontoelaatbare geluidshinder als bedoeld in artikel 4:6 van de APV Zwijndrecht. Bij uitspraak van 19 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1927) heeft de Afdeling het door [appellante] ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 12 januari 2017 gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover het beroep van [appellante] niet-ontvankelijk is verklaard en het beroep van [appellante] tegen het besluit van 22 september 2015 gegrond verklaard. Verder heeft de Afdeling geoordeeld dat het beroep van [appellante] tegen het besluit van 22 september 2015 van rechtswege betrekking heeft op het besluit van 21 februari 2017 en dat beroep met toepassing van artikel 6:19, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verwezen naar de rechtbank. De rechtbank heeft het door [appellante] van rechtswege ontstane beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 februari 2017 wegens onrechtmatigheid vernietigd, het besluit van 30 juni 2015 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 21 februari 2017. De rechtbank heeft het verzoek van [appellante] om schadevergoeding afgewezen omdat zij de gestelde schade en de omvang ervan niet aannemelijk heeft gemaakt.

3.    In geschil is of de rechtbank terecht het verzoek om schadevergoeding van [appellante] heeft afgewezen.

Oordeel van de rechtbank

4.    De rechtbank heeft overwogen dat zij op grond van artikel 8:89, tweede lid, van de Awb bevoegd is om over een verzoek om schadevergoeding te oordelen als de gevraagde vergoeding niet meer dan € 25.000,00 (inclusief rente) bedraagt. De door [appellante] gevorderde schadevergoeding overstijgt dit bedrag. Ter zitting heeft [appellante] haar verzoek om schadevergoeding beperkt tot kosten in verband met haar verhuizing ter hoogte van € 14.210,00, medische kosten ter hoogte van € 1.085,00 en gerechtelijke kosten ter hoogte van € 2.144,77. De rechtbank heeft geoordeeld dat zij door deze matiging bevoegd is te oordelen over het verzoek om schadevergoeding.

    De rechtbank heeft vooropgesteld dat [appellante] moet bewijzen dat zij schade heeft geleden en wat de omvang daarvan is (vergelijk punt 7.1. van de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1367). Het is aan [appellante] om de gestelde kosten op objectieve en verifieerbare wijze aannemelijk te maken.

    De rechtbank heeft geoordeeld dat het door [appellante] opgevoerde schadebedrag als gevolg van de hogere huur van de nieuwe woning niet deugdelijk is onderbouwd. Verder is volgens de rechtbank niet komen vast te staan dat [appellante] genoodzaakt was te verhuizen naar een woning in de vrije sector en is niet aannemelijk geworden dat er dubbele huur is betaald. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat het feit dat een verhuizing in het algemeen kosten met zich brengt, [appellante] niet van de verplichting ontslaat om de door haar geleden schade aannemelijk te maken.

    Over de medische kosten heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellante] geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij haar eigen risico heeft moeten dragen en ook niet dat dat is geweest als gevolg van de medische behandelingen waarvan de noodzaak voor het ondergaan daarvan in verband kan worden gebracht met de overlast van de voetbalkooi.

    Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de gerechtelijke kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

    De rechtbank heeft op grond van het vorenstaande geoordeeld dat [appellante] de gestelde schade door het niet handhavend optreden door het college niet heeft kunnen bewijzen. Er hoeft dan ook geen schade te worden vergoed, aldus de rechtbank.

    Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat zij, omdat het een bestuursrechtelijke procedure is, niet zal voldoen aan het verzoek van [appellante] om dit dossier te overhandigen aan het Openbaar Ministerie.

Hoger beroep

5.    [appellante] is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de onderbouwde schadevergoeding en werkelijke (geluids)overlast. Op de zitting kon het beeld- en geluidmateriaal niet op fatsoenlijke wijze getoond worden vanwege een technisch probleem.

    Verder verzoekt [appellante] de Afdeling om opdracht te geven aan de hoofdofficier van justitie om vervolging in te stellen naar alle betrokkenen van de overlast.

    Tot slot is het aan haar opgelegde verbod van toegang tot het gemeentehuis en buurthuizen ondanks vrijspraken van het hof nog steeds van toepassing.

5.1.    Niet in geschil is dat het gebruik van de voetbalkooi ontoelaatbare geluidhinder veroorzaakt als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de APV Zwijndrecht en de afwijzing van het verzoek om handhavend op te treden bij besluit van 30 juni 2015, gehandhaafd bij besluit van 21 februari 2017, daarom onrechtmatig is. Of het beeld- en geluidmateriaal op fatsoenlijke wijze kon worden getoond, wat daar ook van zij, behoeft geen bespreking meer omdat de onrechtmatigheid van het besluit vaststaat en het al dan niet kunnen tonen van beeld- en geluidmateriaal in zoverre geen relevantie meer heeft.

    [appellante] komt in aanmerking voor schadevergoeding die zij door het onrechtmatige besluit heeft geleden, indien de schade het gevolg is van dat besluit. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1367) ligt de bewijslast van het causale verband van de schade en de omvang daarvan in beginsel bij degene die stelt schade te hebben geleden. Het is daarom aan [appellante] om de gestelde kosten op objectieve en verifieerbare wijze aannemelijk te maken. Zij is daarin niet geslaagd. Daartoe wordt het volgende overwogen.

    Volgens [appellante] zijn er drie schadeposten, te weten, extra huurkosten en kosten in verband met haar verhuizing, medische kosten en gerechtelijke kosten. Deze gestelde schadeposten betreffen achtereenvolgens de volgende bedragen € 14.210,00, € 1.085,00 en € 2.144,77.

    Op basis van de overgelegde stukken kan niet geoordeeld worden dat [appellante] genoodzaakt was een huis in de vrije sector te huren. Weliswaar is er sprake van een onrechtmatig besluit van het college en stelt [appellante] als gevolg van dit onrechtmatige besluit in combinatie met de gezondheidssituatie van haar zoon te zijn verhuisd, maar niet aannemelijk is dat zij als gevolg van dit besluit een huis in de vrije sector met een hogere huurprijs heeft moeten huren. Dat [appellante] een brief van 6 juli 2016 heeft overgelegd waarin haar is medegedeeld dat de woning waarvoor zij zich kandidaat heeft gesteld, wordt afgewezen, betekent niet dat [appellante] in het geheel geen mogelijkheid had een huis in de sociale sector te huren. Het door [appellante] gestelde verschil in huurkosten tussen haar oude woning en haar nieuwe woning komt reeds op grond hiervan niet voor vergoeding in aanmerking. [appellante] heeft verder gesteld dat zij € 5.500,00 aan dubbele huur en herinrichtingskosten heeft gemaakt. Om haar kosten aannemelijk te maken heeft zij een artikel van 13 maart 2017 van Aedes (branchevereniging van woningcorporaties) overgelegd waaruit blijkt dat sinds 16 februari 2018 de verhuiskostenvergoeding wordt verhoogd naar € 5.993,00. De rechtbank heeft in dit verband terecht overwogen dat een verhuizing weliswaar kosten met zich brengt, maar dat [appellante] daarmee nog niet aannemelijk heeft gemaakt wat zij daadwerkelijk aan kosten voor de verhuizing heeft gemaakt. Wat betreft het betalen van dubbele huur heeft [appellante] geen stukken overgelegd en daarmee heeft zij deze gestelde kosten niet aannemelijk gemaakt.

    [appellante] heeft geen stukken overgelegd dat de door haar gestelde medische behandelingen het gevolg zijn van het onrechtmatige besluit van 30 juni 2015. Dat zij als gevolg hiervan haar eigen risico is kwijtgeraakt, is dan ook niet aannemelijk gemaakt.

    Tot slot heeft [appellante] aangevoerd dat zij gerechtelijke kosten heeft gemaakt. Deze kosten bestaan volgens [appellante] uit de aanvraag medische urgentie (€ 60,00), kosten voor een advocaat (€ 196,00), kosten voor de Raad van State (lees: griffierecht) (€ 168,00), kosten voor een verloren beroep (€ 731,77) en geld dat het college aan [appellante] zou moeten betalen (€ 990,00). [appellante] heeft niet aangetoond welke kosten zij heeft gemaakt voor de aanvraag medische urgentie. Zij heeft slechts een kopie van de aanvraag overgelegd waarop staat dat er per pin betaald is, maar daaruit volgt niet wat de hoogte van de gemaakte kosten is. De door [appellante] ter zitting vermelde pinbon waarop het bedrag staat, bevindt zich niet in het dossier. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld (zie de uitspraak van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3518) kan de vergoeding van de kosten in de bezwaar- en beroepsprocedure slechts met toepassing van de artikelen 7:15 en 8:75 van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) plaatsvinden. In artikel 1 van het Bpb is een limitatieve opsomming gegeven van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Het bedrag van de kosten wordt forfaitair vastgesteld op grond van artikel 2 van het Bpb en de bijlage van het Bpb. Gelet op dit limitatieve en forfaitaire karakter van de exclusieve regeling van de proceskostenveroordeling, is voor een vergoeding van de gestelde kosten in bezwaar en beroep langs de weg van artikel 8:88 van de Awb geen plaats. Over het griffierecht ten bedrage van € 168,00 heeft de Afdeling bij haar uitspraak van 19 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1927) reeds geoordeeld. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 12 januari 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:270) niet geoordeeld dat het college aan [appellante] € 990,00 zou moeten betalen, maar aan de andere eiseres in die procedure ([partij]) in verband met de behandeling van de in beroep opgekomen proceskosten, geheel toe te rekenen aan een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De stelling van [appellante] dat de proceskostenvergoeding (tevens) aan haar moet worden uitbetaald, berust dan ook op een foutieve lezing van de uitspraak. Uit de overgelegde stukken volgt bovendien niet dat de kosten die [appellante] stelt te hebben gehad voor door haar advocaat verleende rechtsbijstand in de eerdere procedure niet in de proceskostenvergoeding van € 990,00 aan [partij] zijn verdisconteerd. Tot slot kan het college evenmin op grond van artikel 8:88 van de Awb worden veroordeeld tot vergoeding van de kosten van [appellante] in de civiele procedures tegen de gemeente, omdat die kosten geen gevolg zijn van een onrechtmatig besluit van het college als bedoeld in die bepaling. De kosten ten bedrage van € 731,77 komen daarom niet voor vergoeding op grond van artikel 8:88 van de Awb in aanmerking (vergelijk voornoemde uitspraak van de Afdeling van 18 november 2015).

5.2.    Op grond van het vorenstaande heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding terecht afgewezen.

6.    [appellante] verzoekt de Afdeling tevergeefs om de hoofdofficier van justitie een opdracht tot vervolging te geven. De Afdeling is hiertoe niet bevoegd.

7.    De grond van [appellante] gericht tegen het aan haar opgelegde verbod op toegang tot het gemeentehuis en buurthuizen, wat daar verder ook van zij, is in deze procedure niet aan de orde.

Conclusie

8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, griffier.

w.g. Hagen    w.g. Van Soest-Ahlers

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2020

343-921.