Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:732

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-03-2020
Datum publicatie
11-03-2020
Zaaknummer
201906607/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 januari 2019 heeft de Belastingdienst/Toeslagen bij [appellante] onder meer invorderingsrente in rekening gebracht. Bij besluit van 16 maart 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het recht van [appellante] op zorgtoeslag over het jaar 2013 herzien en op nihil gesteld. Als gevolg van dit besluit moet [appellante] een bedrag van € 1.217,00 aan teveel ontvangen voorschotten terugbetalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201906607/1/A2.

Datum uitspraak: 11 maart 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 juli 2019 in zaken nrs. 19/1658 en 19/1498 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Invorderingsrente

Bij besluit van 22 januari 2019 heeft de Belastingdienst/Toeslagen bij [appellante] onder meer invorderingsrente in rekening gebracht.

Bij besluit van 22 februari 2019 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Aanmaningskosten

Bij besluit van 22 januari 2019 heeft de Belastingdienst/Toeslagen bij [appellante] onder meer aanmaningskosten in rekening gebracht.

Bij besluit van 26 februari 2019 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard.

Beroep en hoger beroep

Bij mondelinge uitspraak van 23 juli 2019 heeft de rechtbank de door [appellante] tegen de besluiten van 22 februari 2019 en 26 februari 2019 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Het proces-verbaal is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2020, waar [appellante], bijgestaan door [gemachtigde], en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken en mr. N. Mhamdi, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij besluit van 16 maart 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het recht van [appellante] op zorgtoeslag over het jaar 2013 herzien en op nihil gesteld. Als gevolg van dit besluit moet [appellante] een bedrag van € 1.217,00 aan teveel ontvangen voorschotten terugbetalen. Het verzoek van [appellante] om uitstel van betaling is door de dienst ingewilligd.

    Naar aanleiding van het besluit van 16 maart 2018 (en het door de Belastingdienst/Toeslagen gehonoreerde verzoek om uitstel van betaling ten spijt), heeft de dienst de in het procesverloop genoemde besluiten (op bezwaar) genomen. Omdat de Belastingdienst/Toeslagen hangende de beroepsprocedure heeft erkend dat ook de invorderingsrente ten onrechte bij [appellante] in rekening is gebracht, heeft het geschil in beroep zich met name toegespitst op de vraag of [appellante] aanspraak kan maken op een proceskostenvergoeding. Deze vraag is door de rechtbank ontkennend beantwoord. [appellante] is het daar niet mee eens en vecht, zo heeft de Afdeling ter zitting vastgesteld, uitsluitend dit oordeel in hoger beroep aan.

Hoger beroep     

2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten de Belastingdienst/Toeslagen te veroordelen tot vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep én te gelasten het door haar betaalde griffierecht te vergoeden. Zij stelt daartoe voorop dat de dienst ten onrechte bij haar invorderingsrente en aanmaningskosten in rekening heeft gebracht, waardoor zij genoodzaakt was daartegen in rechte op te komen. Zij heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde], een professioneel rechtshulpverlener. Zij heeft daarom recht op de door haar gevraagde proceskostenvergoeding, aldus [appellante].

    Daarbij voert zij aan dat het niet aan haar toekennen van de gevraagde proceskostenvergoeding, omdat zij haar eigen belangen zou hebben behartigd, in strijd is met artikel 41 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en het verbod op discriminatie als neergelegd in zowel artikel 1 van Protocol nr. 12 bij het EVRM als in artikel 1 van de Grondwet. Volgens [appellante] zijn het met name (hoog)opgeleide burgers die hun eigen belangen behartigen, als gevolg waarvan met name die burgers geen proceskostenvergoeding toegekend krijgen. Dit is discriminatie, aldus [appellante].

Beoordeling

Bevoegdheid

3.    De Afdeling is, anders dan [appellante] ter zitting heeft gesteld, ingevolge artikel 8:105, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bevoegd kennis te nemen van dit geschil.

Griffierecht

4.    Vaststaat dat de Belastingdienst/Toeslagen, hangende het beroep bij de rechtbank, heeft erkend dat de dienst ten onrechte invorderingsrente in rekening heeft gebracht bij [appellante]. Daarmee staat de onrechtmatigheid van het besluit op bezwaar van 22 februari 2019 vast en behoeft aan hetgeen [appellante] ter zake verder heeft gesteld niet te worden toegekomen. De rechtbank had hierin aanleiding moeten zien de Belastingdienst/Toeslagen te gelasten het door [appellante] betaalde griffierecht aan haar te vergoeden. Aangezien de rechtbank dit heeft nagelaten, komt de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

    Het betoog slaagt.

Proceskosten in bezwaar en beroep

5.    Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) kunnen voor vergoeding in aanmerking komen kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De op eigen naam ingediende bezwaar- en beroepschriften in kwestie zijn voorzien van een stempel van het belastingadvieskantoor van [appellante] en reppen niet van een gemachtigde. Het moet er daarom voor worden gehouden dat [appellante] in deze haar eigen belangen heeft behartigd, zodat van een situatie als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb reeds daarom geen sprake is. De enkele stelling ter zitting van [appellante] dat de stukken in kwestie, in overleg met haar, door [gemachtigde] zijn opgesteld en ingediend en hij in enkele stukken die [appellante] heeft ingediend scribent wordt genoemd, is onvoldoende om hierover anders te oordelen.

    Vaststaat evenwel dat [gemachtigde] tijdens de zitting bij de rechtbank, als professioneel rechtshulpverlener, namens [appellante], het woord heeft gevoerd. De rechtbank heeft de Belastingdienst/Toeslagen dan ook ten onrechte niet veroordeeld tot het betalen van (een forfaitaire) vergoeding van de kosten voor het verschijnen ter zitting. Dat de Belastingdienst/Toeslagen vóór de zitting bij de rechtbank reeds had onderkend dat ook ten onrechte invorderingsrente bij [appellante] in rekening is gebracht, leidt, anders dan de dienst ter zitting heeft betoogd, niet tot het oordeel dat het verschijnen ter zitting niet langer nodig was. Die erkenning door de dienst ging immers niet gepaard met een toekenning van een proceskostenvergoeding, zoals door [appellante] verzocht. Omdat de rechtbank heeft nagelaten de dienst te veroordelen tot (een forfaitaire) vergoeding van de proceskosten voor het verschijnen ter zitting, komt de aangevallen uitspraak ook in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

    Het betoog slaagt in zoverre.

Overige gronden

6.    Het betoog van [appellante] dat de weigering om aan haar de gevraagde proceskostenvergoeding (integraal) toe te kennen in strijd is met artikel 41 van het EVRM, wordt niet gevolgd. Anders dan [appellante] lijkt te veronderstellen, richt die bepaling zich niet tot de nationale rechter maar uitsluitend tot het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

    Het betoog faalt.

7.    Naar het oordeel van de Afdeling is evenmin sprake van strijd met de door [appellante] ingeroepen discriminatieverboden. Met het in artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb neergelegde vereiste dat sprake moet zijn van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, wordt mede beoogd te waarborgen dat uitsluitend een vergoeding wordt toegekend voor kosten die de rechtzoekende daadwerkelijk heeft gemaakt voor rechtsbijstand door een professionele rechtshulpverlener. Dat, zoals [appellante] betoogt, vooral (hoog)opgeleide burgers hun eigen belangen behartigen en daardoor geen proceskostenvergoeding toegekend krijgen, neemt, wat daar verder ook van zij, niet weg dat voor dat vereiste, in het licht van het hiervoor beschreven doel daarvan, redelijke en objectieve gronden bestaan, voor zover er al van een ongelijke behandeling zou kunnen worden gesproken.

    Het betoog faalt.

Conclusie

8.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij heeft nagelaten de Belastingdienst/Toeslagen te veroordelen tot vergoeding van de in beroep door [appellante] gemaakte proceskosten én voor zover de rechtbank de dienst niet heeft gelast het betaalde griffierecht aan [appellante] terug te betalen.

9.    De Belastingdienst/Toeslagen dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 juli 2019 in zaken nrs. 19/1658 en 19/1498, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de Belastingdienst/Toeslagen te veroordelen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten en voor zover de rechtbank de Belastingdienst/Toeslagen niet heeft gelast het betaalde griffierecht aan [appellante] terug te betalen;

III.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV.    veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.050,00 (zegge: duizendvijftig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 222,00 (zegge: tweehonderdtweeëntwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.

w.g. Polak    w.g. Van Dokkum

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2020

480-854.