Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:731

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-03-2020
Datum publicatie
11-03-2020
Zaaknummer
201906674/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juni 2019 heeft de raad van de gemeente Almere het bestemmingsplan "Almere Poort Oost en Duin" vastgesteld. Het plan is een actualisatie van de planologische regeling voor het gebied Almere Poort Oost en Duin. Een groot deel van het plangebied is nog onbebouwd en zal de komende jaren worden ontwikkeld. VvE IJmeerdijk is een vereniging van eigenaren van een appartementencomplex dat ten westen van het plangebied aan de Marinaweg 41-91 staat. De andere appellanten zijn de bewoners van dit appartementencomplex aan [17 locaties] te Almere en bewoners van woningen aan [3 locaties]. VvE IJmeerdijk en anderen kunnen zich niet verenigen met het plan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201906674/1/R1.

Datum uitspraak: 11 maart 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Vereniging van Eigenaars IJmeerdijk gebouw II, gevestigd te Almere, en anderen (hierna tezamen: VvE IJmeerdijk en anderen),

appellanten,

en

de raad van de gemeente Almere,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Almere Poort Oost en Duin" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben VvE IJmeerdijk en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 januari 2020, waar VvE IJmeerdijk en anderen, in de persoon van [gemachtigde A] en vertegenwoordigd door mr. R.Th.J. van ’t Zelfde, advocaat te Rotterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. S.H.W. Gratama, E.J. Giethorn, A.H.V. Eggenhuizen en ir. N. Jeurink, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Amvest Development Real Estate B.V., vertegenwoordigd door mr. E.T. Sillevis Smitt, advocaat te Rotterdam, en [gemachtigde B], als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plan betreft een actualisatie van de planologische regeling voor het gebied Almere Poort Oost en Duin. Een groot deel van het plangebied is nog onbebouwd en zal de komende jaren worden ontwikkeld.

    VvE IJmeerdijk is een vereniging van eigenaren van een appartementencomplex dat ten westen van het plangebied aan de Marinaweg 41-91 staat. De andere appellanten zijn de bewoners van dit appartementencomplex aan [17 locaties] te Almere en bewoners van woningen aan [3 locaties]. VvE IJmeerdijk en anderen kunnen zich niet verenigen met het plan.

Intrekking

2.    VvE IJmeerdijk en anderen hebben ter zitting te kennen gegeven dat het beroep, voor zover ingediend door J. Kransberg, is ingetrokken.

Ontvankelijkheid

3.    De raad stelt dat het beroep van VvE IJmeerdijk en anderen, voor zover ingediend door de bewoners van de woningen aan [6 locaties], niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat zij geen zienswijzen tegen het ontwerpplan naar voren hebben gebracht.

3.1.    Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp en betrokkenen door deze wijzigingen in een nadeliger positie zijn gebracht, dan wel indien een belanghebbende anderszins redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

3.2.    Ter zitting hebben VvE IJmeerdijk en anderen erop gewezen dat de bewoners van de woningen aan [6 locaties] die geen zienswijzen hebben ingediend, zich richten tegen de verruiming van de bouwmogelijkheden in de artikelen 4, 6, 7 en 9. Bij de vaststelling van het plan is het toegestane bedrijfsoppervlak van kantoren binnen de bestemmingen "Bedrijventerrein - 2" en "Gemengd - 4" ten opzichte van het ontwerpplan verruimd van 4.000 m² naar 15.000 m² . Binnen de bestemmingen "Gemengd - 1" en "Gemengd - 2" is het toegestane aantal woningen verruimd van 650 naar maximaal 900.

    De Afdeling stelt echter vast dat de kortste afstand tussen de woningen aan [6 locaties] en de dichtstbijgelegen gronden met een van de hierboven genoemde bestemmingen meer dan 1 km bedraagt en dat tussen hun woningen en gronden met voornoemde bestemmingen de Poortdreef ligt, welke weg de hoofdontsluiting naar de A6 is. Gelet hierop is naar het oordeel van de Afdeling uitgesloten dat de bewoners van de woningen aan [6 locaties] gevolgen zullen ondervinden van de verruiming van het toegestane aantal woningen en het toegestane bedrijfsoppervlak van kantoren op gronden met voornoemde bestemmingen. Derhalve zijn de bewoners van de woningen aan [6 locaties] door de gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan in zoverre niet in een nadeliger positie komen te verkeren ten opzichte van het ontwerpplan.

    Gelet op het voorgaande is het beroep van beroep van VvE IJmeerdijk en anderen, voor zover ingediend door de bewoners van de woningen aan [6 locaties], niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

4.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Inhoudelijk

5.    VvE IJmeerdijk en anderen betogen dat de raad ten onrechte de gronden uit het voorliggende plan niet in één plan heeft opgenomen met de gronden uit het ontwerpbestemmingsplan "Almere Poort Buitendijks". Volgens hen doet zich een onlosmakelijke samenhang voor tussen dit plangebied en het aangrenzende gebied. Zij hebben toegelicht dat het gebied, gelet op onder andere de aspecten verkeer en parkeren, als geheel beoordeeld dient te worden. Voor de ontsluiting van het plangebied van het ontwerpbestemmingsplan "Almere Poort Buitendijks" wordt bijvoorbeeld verwezen naar de ontsluitingen die in het voorliggende plan zijn voorzien.

5.1.    De raad komt beleidsruimte toe bij het bepalen van de begrenzing van een bestemmingsplan. Deze ruimte strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

5.2.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat tussen de gronden in het voorliggende plangebied en de aangrenzende gronden waar het ontwerpbestemmingsplan "Almere Poort Buitendijks" op ziet een zodanige samenhang bestaat dat de raad de begrenzing van het voorliggende plangebied niet zo heeft kunnen vaststellen en deze gronden samen met de aangrenzende gronden in één bestemmingsplan had moeten opnemen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de raad erop heeft gewezen dat de ontwikkelingen waarin het voorliggende plan voorziet - met name op de gronden die grenzen aan het ontwerpbestemmingsplan "Almere Poort Buitendijks" - hoofdzakelijk bestaan uit de bouw van woningen, kantoren en detailhandel, terwijl het ontwerpbestemmingsplan "Almere Poort Buitendijks" met name voorziet in de aanleg en uitbreiding van stranden en het mogelijk maken van recreatieve voorzieningen en evenementen. Verder heeft de raad erop gewezen dat de gronden in het voorliggende plangebied en de gronden waar het ontwerpbestemmingsplan "Almere Poort Buitendijks" op ziet gefaseerd worden ontwikkeld. Op dit moment is al begonnen met de ontwikkeling van de gronden in het voorliggende plangebied, terwijl de gronden waar het ontwerpbestemmingsplan "Almere Poort Buitendijks" op ziet pas in een later stadium zullen worden ontwikkeld.

    Het betoog faalt.

6.    VvE IJmeerdijk en anderen voeren verder aan dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen onder verwijzing naar het Programma Aanpak Stikstof (hierna: het PAS), aangezien de Afdeling in de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, heeft geoordeeld dat het PAS niet als basis mag worden gebruikt voor toestemming voor activiteiten. Zij stellen dat ten onrechte geen specifieke passende beoordeling is opgesteld over de toename van de stikstofdepositie door dit plan op het Natura 2000-gebied "Markermeer & IJmeer".

    Verder betogen VvE IJmeerdijk en anderen dat een Profielendocument niet op rechtsgevolg is gericht, zodat de Afdeling in haar uitspraak van 21 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2835, ten onrechte heeft geoordeeld dat de kranswierwateren die voorkomen in het Markermeer en IJmeer niet stikstofgevoelig zijn. Tevens wijzen zij erop dat de in de uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2019 aangehaalde passage uit het beheerplan "Natura 2000 Beheerplan IJsselmeergebied 2017-2023" juist ziet op onderzoek dat in het kader van de PAS is verricht, zodat hieraan geen betekenis had mogen worden toegekend.

6.1.    Artikel 2.7, eerste lid, van de Wnb luidt: "Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8, met uitzondering van het negende lid."

    Artikel 2.8, eerste lid, luidt: "Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied."

    Het derde lid luidt: "Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten."

6.2.    De raad wijst er op dat het er gelet op de uitspraak van de Afdeling 21 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2835, voor moet worden gehouden dat het Natura 2000-gebied "Markermeer & IJmeer", dat grenst aan het plangebied, deel uitmaakt van de directe leefomgeving van VvE IJmeerdijk en anderen. De raad heeft er echter op gewezen dat uit bijlage 3 bij het PAS, met als titel: "Natura 2000 gebieden die niet opgenomen zijn in dit programma", volgt dat het Natura 2000-gebied "Markermeer & IJmeer" niet in het PAS is opgenomen, omdat hierin geen voor stikstof gevoelig habitattype of leefgebied van soorten voorkomt. De beoordeling van de gevolgen van het plan voor dit Natura-2000 gebied is dus, anders dan VvE IJmeerdijk en anderen veronderstellen, niet gebaseerd op het PAS.

    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 21 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2835, heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat in het Markermeer en IJmeer geen voor stikstof gevoelige habitattypen aanwezig zijn. Weliswaar is in het aanwijzingsbesluit voor het Natura 2000-gebied "Markermeer & IJmeer" aangegeven dat het habitattype kranswierwateren (H3140) gevoelig is voor stikstof, maar in het Profielendocument "Kranswierwateren (H3140)" is aangegeven dat dit habitattype in fysisch geografische regio afgesloten zeearmen, met name in de randmeren, niet gevoelig is voor stikstofdepositie. Naar het oordeel van de Afdeling kunnen het Markermeer en het IJmeer worden aangemerkt als afgesloten zeearmen in de zin van het Profielendocument "Kranswierwateren (H3140)", zodat het daar voorkomende habitattype kranswierwateren (H3140) niet als stikstofgevoelig kan worden aangemerkt. De Afdeling vindt hiervoor steun in het beheerplan "Natura 2000 Beheerplan IJsselmeergebied 2017-2023", waarin staat dat het Markermeer & IJmeer niet is aangewezen voor stikstofgevoelige habitattypen en dat er geen sprake is van een knelpunt als gevolg van (externe) stikstofdepositie en geen herstelstrategieën nodig zijn.

6.3.    Voor zover VvE IJmeer en anderen erop hebben gewezen dat een Profielendocument niet op rechtsgevolg is gericht en dat aan de inhoud hiervan dus geen betekenis kan worden toegekend, overweegt de Afdeling dat uit de "Leeswijzer Natura 2000 profielen" van het ministerie van Economische Zaken van september 2014 volgt dat een Profielendocument een beschrijving bevat van de kenmerken van de ingevolge de Habitatrichtlijn te beschermen habitattypen. Een Profielendocument is een achtergronddocument waarin een wetenschappelijke toelichting is gegeven op de verschillende ecologische kenmerken en vereisten van de habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en vogelsoorten waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen en instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd.

    Voor zover VvE IJmeerdijk en anderen erop hebben gewezen dat de in de uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2019 aangehaalde passage uit het beheerplan "Natura 2000 Beheerplan IJsselmeergebied 2017-2023" juist ziet op onderzoek dat in het kader van het PAS is verricht, overweegt de Afdeling als volgt. In dit beheerplan staat dat in het kader van het PAS door de voormalige Dienst Landelijk Gebied (hierna: DLG) knelpunten als gevolg van stikstofdepositie zijn onderzocht en zo nodig herstelstrategieën zijn uitgewerkt voor Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen of met stikstofgevoelige leefgebieden voor soorten. In Markermeer & IJmeer is dat gedaan voor de soort visdief (er zijn geen stikstofgevoelige habitattypen voor dit gebied aangewezen). Op grond daarvan is voor dit gebied geconcludeerd dat er geen sprake is van een knelpunt als gevolg van (externe) stikstofdepositie en dat er dus geen herstelstrategieën nodig zijn, aldus het beheerplan. Er bestaat daarom geen aanleiding voor het oordeel dat als gevolg van de PAS-uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, waarin is geoordeeld dat met de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden die in het PAS zijn opgenomen niet zullen worden aangetast, aan de uitkomsten van het onderzoek van DLG en de desbetreffende passage in het beheerplan geen betekenis meer mag worden toegekend.

6.4.    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen VvE IJmeerdijk en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met de Wnb.

    Het betoog faalt.

7.    Verder voeren VvE IJmeerdijk en anderen aan dat in het rapport van Tauw van 7 september 2017 "Almere Poort: Passende beoordeling bestemmingsplan" (hierna: de passende beoordeling van 7 september 2017), welk rapport als bijlage 7 bij de milieueffectrapportage "MER Almere Poort" is gevoegd en als bijlage 5 bij de plantoelichting is opgenomen, wordt verwezen naar het gebruikte verkeersmodel met prognosejaar 2030. Zij wijzen erop dat de verwachte verkeersintensiteiten uit het verkeersmodel niet bekend zijn en ook niet ter inzage hebben gelegen, zodat niet gecontroleerd kan worden of de gemaakte stikstofberekeningen die onder meer op de verwachte voertuigintensiteiten zijn gebaseerd, juist zijn.

7.1.    In de passende beoordeling van 7 september 2017 staat in paragraaf 6.5.2 dat de ontwikkeling van het woon-werk en recreatiegebied een verkeersaantrekkende werking heeft. Om de verkeerstromen in beeld te brengen heeft de gemeente een verkeersmodel voor 2030 aangeleverd waarin de ontwikkelingen van Almere Poort zijn opgenomen. Dit verkeersmodel is gebruikt voor de modellering van het verkeer. In overleg met de gemeente en de provincie is het verkeer binnen het plangebied in beeld gebracht, aangevuld met de belangrijkste toevoerwegen binnen de gemeente ten noorden van de A6.

    In het als bijlage 4 bij de plantoelichting opgenomen rapport "MER bestemmingsplan Almere Poort deel B: Effecthoofdstukken" staat in paragraaf 1.2 dat gebruik is gemaakt van het Verkeersmodel Almere om de verkeerseffecten van de nieuwe ontwikkeling te berekenen. Daarbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

    - het verkeersmodel Almere rekent volgens de zwaartekrachtmethode. Dit is een landelijk veel gebruikte methode bij verkeersmodellen.

    - het model bestaat uit een basisjaar 2010 en prognosejaren 2020 en 2030. Het basisjaar is gekalibreerd (passend gemaakt) op basis van telcijfers. Hiervoor zijn telcijfers van auto en openbaar vervoer gebruikt. Daarmee komen de modelwaarden 2010 overeen met de werkelijke hoeveelheid auto’s en bus-/treinreizigers.

    - op basis van de verwachte groei van het aantal inwoners en arbeidsplaatsen in Almere en de wijzigingen in infrastructuur maakt het model prognoses voor de hoeveelheid motorvoertuigen, het aantal OV-verplaatsingen en het aantal fiets-/voetverplaatsingen. Afhankelijk van het aanbod aan infrastructuur en modaliteiten bepaalt het model met welk vervoermiddel mensen hun verplaatsing maken.

    In paragraaf 1.4.1 staat dat de toename in verkeer als gevolg van de bestemmingsplannen in figuur 1.11 te zien is. De grootste groei van het verkeer is, logischerwijs, in de nog te ontwikkelen wijken Stadstuinen, Duin en Pampushout. Dat zorgt voor toenames op alle dreven. Het meeste verkeer wordt afgewikkeld via de Poortdreef, omdat dit de hoofdontsluiting naar de A6 is. Figuur 1.12 geeft de hoeveelheid motorvoertuigen per etmaal weer in het planalternatief.   

7.2.    De raad heeft toegelicht dat het Verkeersmodel Almere een computerprogramma is en als zodanig niet ter inzage kan worden gelegd.  Met het verkeersmodel zijn de verwachte voertuigintensiteiten voor onder meer het jaar 2030 op de wegen binnen het plangebied, aangevuld met de belangrijkste toevoerwegen binnen de gemeente ten noorden van de A6, berekend. Deze verwachte voertuigintensiteiten zijn weer als uitgangspunt genomen voor de in de passende beoordeling van 7 september 2017 gemaakte stikstofberekeningen. De raad heeft erop gewezen dat in figuur 1.12 uit het als bijlage 4 bij de plantoelichting opgenomen rapport "MER bestemmingsplan Almere Poort deel B: Effecthoofdstukken" de verwachte verkeersintensiteiten in Almere Poort, waaronder ook op de Marinaweg, voor het jaar 2030 zijn opgenomen. Dit rapport heeft met het ontwerpplan en het vastgestelde plan ter inzage gelegen. VvE IJmeerdijk en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat in de passende beoordeling van 7 september 2017 niet van deze verwachte verkeersintensiteiten had mogen worden uitgegaan.

    Het betoog faalt.

8.    VvE IJmeerdijk en anderen voeren verder aan dat onderzoek had moeten worden verricht naar de gevolgen van de verkeersaantrekkende werking van het plan op het deel van de Marinaweg ter hoogte van hun woningen.

8.1.    In paragraaf 5.3.2 van de plantoelichting staat dat het autoverkeer in Almere Poort net als in de andere stadsdelen van Almere via de dreven wordt afgewikkeld. Vanaf de dreven rijdt het verkeer rechtstreeks een woonwijk in of een buurttoegangsweg op, zoals de Europalaan of de Pierre de Coubertinlaan. Per wijk zijn er meerdere aansluitingen op de dreven waardoor het verkeer in de wijk zich verdeelt en de woonstraten rustig blijven.

    In paragraaf 5.3.3 van de plantoelichting staat dat het plan de ontwikkeling van 7.000 woningen mogelijk maakt en verder de ontwikkeling van voorzieningen zoals een stadsdeelcentrum, ontwikkeling van winkels in Duin, ontwikkeling van de Voortuin en verdere ontwikkeling van bedrijventerrein Lagekant. Dit hele programma levert een scala aan nieuwe verkeersbewegingen op. De toename van het aantal autobewegingen als gevolg van het plan is berekend met het Verkeersmodel Almere. Met het verkeersmodel is ook getoetst of de toename van autoverkeer past bij de capaciteit van de wegen die in Poort zijn aangelegd. Zowel voor de ochtend- als de avondspits blijkt dat het geval te zijn.

8.2.    De raad heeft te kennen gegeven dat het gedeelte van de Marinaweg ter hoogte van de woningen van VvE IJmeerdijk en anderen ten westen van het plangebied ligt en geen functie heeft voor de ontsluiting van dit plangebied. Elk woongebied in Duin wordt afzonderlijk ontsloten vanaf de Poortdreef en heeft daarmee een eigen auto-entree. Het deel van de Marinaweg ter hoogte van de woningen van VvE IJmeerdijk en anderen  wordt slechts gebruikt als ontsluitingsweg voor deze woningen en enkele bedrijven en horeca die niet in het voorliggende plan zijn opgenomen. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat als gevolg van het voorliggende plan ter hoogte van de woningen van VvE IJmeerdijk en anderen geen sprake zal zijn van een verslechtering van de verkeerssituatie. Gelet hierop heeft de raad geen aanleiding hoeven te zien om nader verkeersonderzoek te laten verrichten.

    Voor zover VvE IJmeerdijk en anderen vrezen dat de aanleg en uitbreiding van stranden leidt tot een grote verkeerstoename op de Marinaweg, overweegt de Afdeling dat het voorliggende plan niet voorziet in de aanleg en uitbreiding van stranden. Deze bezwaren kunnen aan de orde komen in een eventuele beroepsprocedure tegen de vaststelling van het bestemmingsplan "Almere Poort Buitendijks", welk plan voorziet in voornoemde ontwikkeling.

    Het betoog faalt.

9.    Ten slotte betogen VvE IJmeerdijk en anderen dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt dat in met name het gebied Duin kan worden voorzien in voldoende parkeerplaatsen. Zij vrezen daardoor voor parkeeroverlast op de Marinaweg ter hoogte van hun woningen.

9.1.    Blijkens de verbeelding zijn aan gronden ten oosten van de woningen van VvE IJmeerdijk en anderen de bestemmingen "Gemengd - 5" en "Woongebied - 2" toegekend. Deze gronden betreffen het gebied Duin.

    Ingevolge artikel 10, lid 10.1, van de planregels zijn op gronden met de bestemming "Gemengd - 5" de onder a. tot en met y. genoemde functies toegestaan onder de voorwaarde dat:

    "z. een omgevingsvergunning voor het bouwen slechts wordt verleend, indien wordt aangetoond dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de parkeernormen, als bedoeld in Bijlage 1 Lijst van parkeernormen èn in voldoende laad- en losruimte;

    aa. bij het wijzigen van het bestaande, legale gebruik, waardoor de parkeerbehoefte toeneemt wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de parkeernormen, als bedoeld in Bijlage 1 Lijst van parkeernormen èn in voldoende laad- en losruimte;

    […]."

    Ingevolge artikel 26, lid 26.1, van de planregels zijn op gronden met de bestemming "Woongebied - 2" de onder a. tot en met w. genoemde functies toegestaan onder de voorwaarde dat:

    "x. omgevingsvergunning voor het bouwen van woningen slechts wordt verleend, indien wordt aangetoond dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de parkeernormen, als bedoeld in Bijlage 1 Lijst van parkeernormen èn in voldoende laad- en losruimte;

    y. een omgevingsvergunning voor het bouwen ten behoeve van de andere toegestane bestemmingen slechts wordt verleend, indien wordt aangetoond dat op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de parkeernormen, als bedoeld in Bijlage 1 Lijst van parkeernormen èn in voldoende laad- en losruimte;

    z. bij het wijzigen van het bestaande, legale gebruik, waardoor de parkeerbehoefte toeneemt wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de parkeernormen, als bedoeld in Bijlage 1 Lijst van parkeernormen èn in voldoende laad- en losruimte;

    […]."

9.2.    De Afdeling overweegt dat de beoordeling of in voldoende parkeerplaatsen wordt voorzien plaatsvindt in het kader van de verlening van de omgevingsvergunning voor het bouwen en bij wijziging van het bestaande, legale gebruik. Dit neemt niet weg dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen indien duidelijk is dat aan genoemd vereiste niet kan worden voldaan.

    Voor zover VvE IJmeerdijk en anderen erop hebben gewezen dat onduidelijk is wanneer sprake is van voldoende parkeergelegenheid, overweegt de Afdeling dat in de desbetreffende planregels wordt verwezen naar de als bijlage 1 bij de planregels opgenomen parkeernormen. Hierin staan de parkeernormen die dienen te worden gebruikt bij de berekening van de parkeerbehoefte van een bepaalde ontwikkeling. De raad heeft verder toegelicht dat het plan niet voorschrijft hoe het parkeren precies moet worden opgelost, maar flexibiliteit biedt om verschillende parkeeroplossingen te realiseren. Zo zijn op grond van de planregels solitaire parkeergarages maar ook (ondergrondse) parkeergarages die worden geïntegreerd in gebouwen, toegestaan. Aangezien het gebied Duin nog in ontwikkeling is, zal de parkeeroplossing per omgevingsvergunning worden bepaald. De raad heeft er verder op gewezen dat afhankelijk van de aard van het gebied in de planregels parkeren op eigen terrein is voorgeschreven. In de woongebieden geldt deze verplichting over het algemeen niet, omdat het hier niet altijd mogelijk is om op eigen terrein te parkeren. Gelet op het voorgaande en nu het gebied Duin een oppervlakte heeft van meer dan 0,5 km², is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in het gebied Duin in voldoende parkeerplaatsen kan worden voorzien.

    Het betoog faalt.

9.3.    Voor zover VvE IJmeerdijk en anderen er ter zitting nog op hebben gewezen dat bij de vaststelling van het plan het gebied Muiderduin buiten het plangebied is gelaten terwijl op die gronden 1.000 parkeerplaatsen waren voorzien, overweegt de Afdeling dat uit de plantoelichting behorende bij het ontwerpplan volgt dat deze parkeerplaatsen waren voorzien ten behoeve van het Almeerderstrand. Het Almeerderstrand ligt echter buiten het voorliggende plangebied, zodat - daargelaten dat de raad zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat de 1.000 parkeerplaatsen ook op grond van het vigerende bestemmingsplan "Almere Poort" kunnen en zullen worden aangelegd - geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat ten aanzien van de ontwikkelingen die in het voorliggende plan worden mogelijk gemaakt, niet in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien.

    Het betoog faalt.

Conclusie en proceskosten

10.    Het beroep van VvE IJmeerdijk en anderen, voor zover ontvankelijk, is ongegrond.

11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep, voor zover ingediend namens de bewoners van de van de woningen aan [6 locaties], niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.G. Driessen, griffier.

w.g. Helder    w.g. Driessen

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2020

634.