Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:729

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-03-2020
Datum publicatie
11-03-2020
Zaaknummer
201901464/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2018 heeft de raad van de gemeente Montferland het bestemmingsplan "Stokkum, Constantinusstraat 1a" vastgesteld. Het plangebied betreft het terrein van de voormalige St. Suitbertusschool aan de zuidzijde van de kern Stokkum. Het plan voorziet in de sloop van de bestaande schoolbebouwing en in de bouw van 12 rijwoningen. [appellant] woont ten oosten van het plangebied op het perceel [locatie] en oefent ter plaatse een veehouderij met vleesstieren uit. Het beroep van [appellant] is gericht tegen het plan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2020/8222
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201901464/1/R1.

Datum uitspraak: 11 maart 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Stokkum, gemeente Montferland,

en

de raad van de gemeente Montferland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Stokkum, Constantinusstraat 1a" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 januari 2020, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door ing. R.B.M. Aagten, en de raad, vertegenwoordigd door ing. L.M.M.J. Meuleman en J.B.T. Polman, zijn verschenen.

Overwegingen

    Wettelijke bepalingen

1.    De (wettelijke) bepalingen die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Inleiding

2.    Het plangebied betreft het terrein van de voormalige St. Suitbertusschool aan de zuidzijde van de kern Stokkum. Het plan voorziet in de sloop van de bestaande schoolbebouwing en in de bouw van 12 rijwoningen.

    [appellant] woont ten oosten van het plangebied op het perceel [locatie] en oefent ter plaatse een veehouderij met vleesstieren uit. Het beroep van [appellant] is gericht tegen het plan.

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Intrekking

4.    [appellant] heeft ter zitting de beroepsgrond dat niet is geborgd dat alleen levensloopbestendige woningen mogen worden gerealiseerd, ingetrokken.

Inhoudelijk

5.    Allereerst betoogt [appellant] dat op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) een passende beoordeling vereist is vanwege de effecten op het in Nederland gelegen Natura 2000-gebied "Rijntakken" en ook op Natura 2000-gebieden die in Duitsland liggen en dat op grond van artikel 7.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer een milieueffectrapport (hierna: MER) had moeten worden opgesteld.

5.1.    Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

    Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

5.2.    De bepalingen in de Wnb over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1412, volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.

    De kortste afstand tussen het perceel van [appellant] en het in Nederland gelegen Natura 2000-gebied "Rijntakken" bedraagt ongeveer 5 km. De kortste afstand tot het dichtstbijzijnde in Duitsland gelegen Natura 2000-gebied bedraagt ruim 3,5 km. Gelet op deze afstanden bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen duidelijke verwevenheid van het individuele belang van [appellant] bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn leefomgeving met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen. Het voorgaande leidt ertoe dat het betoog over de passende beoordeling, gelet op het bepaalde in artikel 8:69a van de Awb, niet kan leiden tot vernietiging van het besluit tot vaststelling van het plan. De Afdeling zal dit betoog daarom niet inhoudelijk bespreken.

5.3.    Met betrekking tot het beroep op artikel 7.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer overweegt de Afdeling als volgt. Zoals hiervoor is overwogen, strekken de bepalingen uit de Wnb kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellant]. Een redelijke toepassing van het relativiteitsvereiste als vervat in artikel 8:69a van de Awb brengt met zich dat belanghebbenden die zich niet kunnen beroepen op de normen van de Wnb omdat die normen kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen, zich evenmin kunnen beroepen op normen ten behoeve van het betoog dat een MER diende te worden gemaakt. Dit betekent dat het betoog van [appellant] dat ingevolge artikel 7.2a van de Wet milieubeheer een MER diende te worden opgesteld omdat een passende beoordeling moest worden gemaakt, op grond van artikel 8:69a van de Awb niet kan leiden tot vernietiging van het besluit tot vaststelling van het plan. De Afdeling zal dit betoog daarom evenmin inhoudelijk bespreken.

6.    [appellant] voert verder aan dat het plan voorziet in een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom I van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.), zodat ten onrechte geen vormvrije m.e.r. beoordelingsprocedure heeft plaatsgevonden. [appellant] betoogt in dat verband dat ook bij een aantal van 12 woningen, reeds omdat sprake is van het planologisch mogelijk maken van meer bebouwing, sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. 

6.1.    Onder verwijzing naar haar uitspraken van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694, van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:348 en van 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1253, overweegt de Afdeling dat het antwoord op de vraag of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r., afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Uit deze uitspraken volgt eveneens dat het antwoord op de vraag of een activiteit kan worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., niet afhankelijk is van het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.

6.2.    Naar het oordeel van de Afdeling kan hetgeen in het plan is voorzien, gelet op de aard en omvang ervan, niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Weliswaar is sprake van een geringe toename van de bebouwingsmogelijkheden en weliswaar verandert het gebruik van het perceel door de realisatie van 12 woningen, maar dat betekent niet dat hetgeen waarin het plan voorziet moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Daarbij is van belang dat sprake is van bestaand bebouwd gebied en dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:100). Dat op elk bouwperceel maximaal 75 m² aan bijbehorende bouwwerken is toegestaan, leidt niet tot een ander oordeel. Nu de voorziene ontwikkeling geen stedelijk ontwikkelingsproject vormt, behoefde er geen reguliere of vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd.

    Het betoog faalt.

7.    Verder betoogt [appellant] dat te weinig aandacht is besteed aan de stedenbouwkundige inpassing van het plan, nu - behoudens de locatie van de voorziene woningen - onvoldoende inzicht wordt geboden in hetgeen ter plaatse gerealiseerd gaat worden. Hierbij wijst hij er tevens op dat de in het plan opgenomen bouwmogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken te ruim zijn waardoor sprake zal zijn van een onaanvaardbare verdichting van het plangebied.

7.1.    Blijkens de verbeelding is aan een groot deel van het plangebied de bestemming "Woongebied" toegekend. Aan de twee zuidelijke bouwvlakken zijn de aanduidingen "maximum aantal wooneenheden 3", "maximum bouwhoogte 7,5 m" en "maximum goothoogte 3 m" toegekend. Aan het noordelijke bouwvlak zijn de aanduidingen "maximum aantal wooneenheden 6", "maximum bouwhoogte 9 m" en "maximum goothoogte 6 m" toegekend.   

7.2.    De raad heeft gekozen voor een flexibel plan waarin de specifieke locaties van onder meer parkeer- en groenvoorzieningen niet met aanduidingen zijn vastgelegd. Uit de planregels volgt wel duidelijk binnen welke bestemmingen deze functies zijn toegestaan. Uit de planregels en verbeelding volgt dat het maximaal aantal van 12 wooneenheden is vastgelegd, verdeeld over twee, in rooilijn verspringende, bouwblokken van drie aaneengebouwde woningen en één bouwblok van zes aaneengebouwde woningen. De toegestane goot- en bouwhoogte van de woningen in de blokken van drie bedraagt respectievelijk 3 m en 7,5 m. De toegestane goot- en bouwhoogte van de woningen in het blok van zes bedraagt respectievelijk 6 m en 9 m. De maatvoering van de beoogde woningen sluit aan bij de stedenbouwkundige kenmerken van de bestaande bebouwing in de omgeving van het plangebied, aldus de raad. De Afdeling stelt verder vast dat voor bouwmogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken in het vigerende bestemmingsplan "Kernen", welk plan van toepassing is voor alle kernen van de gemeente, een eenzelfde regeling is opgenomen voor woonpercelen dan in het voorliggende plan. Gelet hierop en nu op grond van artikel 6, lid 6.2.2, onder k, van de planregels het bouwperceel nooit voor meer dan 50% mag worden bebouwd, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in de planregels toegestane bouwmogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken niet leiden tot een onaanvaardbare verdichting van het plangebied.

    Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan uit stedenbouwkundig oogpunt niet passend is in de omgeving.

    Het betoog faalt.

8.    [appellant] betoogt verder dat geen sprake is van een goede landschappelijke inpassing van het plan. Hij wijst erop dat, hoewel aan de bestaande groenstructuur aan de zuidzijde van het plangebied de bestemming "Groen" is toegekend, er geen enkele garantie is dat deze structuur behouden blijft, te meer nu een inrichtingsplan en een verwijzing hiernaar in de planregels ontbreekt.

8.1.    Blijkens de verbeelding is aan een strook grond in het zuiden van het plangebied de bestemming "Groen" toegekend. Aan het middelste deel van deze gronden is eveneens de functieaanduiding "ontsluiting" toegekend.

8.2.    De Afdeling stelt voorop dat noch uit de Wet ruimtelijke ordening noch uit enige andere wettelijke regeling de verplichting volgt om bij het vaststellen van een bestemmingsplan een inrichtingsplan op te stellen. De raad heeft verklaard dat hij een voorwaardelijke verplichting ten behoeve van de landschappelijke inpassing van de woningen in dit geval ook niet noodzakelijk acht uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening, omdat sprake is van een inbreidingslocatie in de kern van Stokkum en de gemeente eigenaar is en blijft van de gronden in het zuiden van het plangebied waaraan de bestemming "Groen" is toegekend. De bestaande bomen op deze gronden zullen als onderdeel van het openbaar groen behouden blijven, waardoor voldoende openbaar groen in de omgeving is gewaarborgd.

    Gelet op het voorgaande bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat in het plan onvoldoende rekening is gehouden met de landschappelijke inpassing van de woningen

    Het betoog faalt.

9.    Ten slotte betoogt [appellant] dat onduidelijk is of ter plaatse van de voorziene woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Hierbij wijst hij erop dat in het door Buro ontwerp & vormgeving opgestelde rapport "Onderzoek agrarische geurhinder Constantinusstraat 1a te Stokkum" van 29 oktober 2018 (hierna: het geuronderzoek), welk rapport als bijlage 2 bij de plantoelichting is gevoegd, bij de berekening van de voorgrondbelasting van zijn veehouderij ten onrechte ook rekening is gehouden met twee andere veehouderijen aan de Oostenbroekweg 4 en Lange Heg 4. De emissies daarvan zijn weliswaar op nul gezet, maar het opnemen van deze bedrijven resulteert in een andere ruwheid.

    Verder wijst [appellant] erop dat bij zijn stal natuurlijke ventilatie wordt toegepast waardoor gerekend had moeten worden met een andere uittredesnelheid van de ventilatielucht. Ook zijn de parameters voor emissiepunthoogte en gemiddelde gebouwhoogte bij natuurlijke ventilatie anders. Voor beide moet bij natuurlijk geventileerde stallen gerekend worden met een waarde van 1,5 m.

9.1.    In de Regeling geurhinder en veehouderij zijn voor veehouderijen waar vleesstieren worden gehouden geuremissiefactoren vastgesteld. Voor veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij een geuremissiefactor is vastgesteld zijn in artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) geurnormen opgenomen.

    Artikel 3, eerste lid, van de Wgv luidt: "Een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij wordt geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen:

    a. binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht (hierna: ouE/m³ );

    [...]".

    Vast staat dat het plangebied binnen een concentratiegebied ligt, als bedoeld in artikel 1 van de Wgv gelezen in samenhang met bijlage I bij de Meststoffenwet.

9.2.    In het geuronderzoek staat dat de achtergrondbelasting is berekend met het model V-Stacks Gebied. Uit dit onderzoek blijkt dat de achtergrondbelasting bij de voorziene woningen maximaal 1,4 ouE/m³ bedraagt. Dit komt overeen met een zeer goede milieukwaliteit. De veehouderijen aan de [locatie], Oosterbroekweg 4 en Lange Heg 4 hebben het grootste aandeel in de achtergrondbelasting. De optredende voorgrondbelastingen op de voorziene woningen afkomstig van deze veehouderijen zijn bepaald met het model V-Stacks Vergunning. Uit het onderzoek naar de voorgrondbelasting blijkt dat de veehouderij aan de [locatie] een maximale voorgrondbelasting heeft van 1,0 ouE/m³ bij de voorziene woningen. De milieukwaliteit kan op basis van deze optredende voorgrondbelasting als zeer goed worden aangemerkt, aldus het geuronderzoek.

9.3.    De Afdeling stelt vast dat in de in het geuronderzoek opgenomen berekening van de voorgrondbelasting van de veehouderij aan de [locatie] bij de voorziene woningen is gerekend met een ruwheidslengte van 0,26 m waarbij ook rekening is gehouden met de veehouderijen aan de Oosterbroekweg 4 en de Lange Heg 4. De raad heeft te kennen gegeven dat, indien in de berekening van de voorgrondbelasting van de veehouderij [locatie] alleen rekening wordt gehouden met deze veehouderij, de ruwheidslengte daalt van 0,26 m naar 0,24 m. Deze zeer beperkte afname van de terreinruwheid zorgt niet voor significant andere geurbelastingen, aldus de raad. De raad heeft verder toegelicht dat in het geuronderzoek is uitgegaan van de standaardaannames uit het Bestand Veehouderij Bedrijven van de provincie Gelderland. Deze standaardaannames komen neer op een stal met een hoogte van 6 m met ventilatieopeningen in de nok die mechanisch worden geventileerd. Uit de milieumelding van de veehouderij aan [locatie] blijkt echter dat de stal natuurlijk is geventileerd door middel van een venturi nok en ventilatieopeningen in de gevel net onder de goot en dat de hoogte van de stal 4,8 m bedraagt.

    Op basis van deze nieuwe gegevens, zijnde een ruwheidslengte van 0,24 m en de natuurlijke ventilatie en stalhoogte van 4,8 m, is door Buro ontwerp & vormgeving een nieuwe geurberekening uitgevoerd. Uit deze geurberekening blijkt dat de hoogste voorgrondbelasting van de veehouderij aan de [locatie] in het plangebied 1,7 ouE/m³  bedraagt, zodat nog steeds onder de geurnorm van 3,0 ouE/m³ uit de Wgv wordt gebleven en de milieukwaliteit ter plaatse nog steeds kan worden aangemerkt als zeer goed.

9.4.    Voor zover [appellant] erop heeft gewezen dat in de geurberekening ten onrechte niet is gerekend met een emissiepunthoogte en een gemiddelde gebouwhoogte van 1,5 m, terwijl sprake is van een natuurlijk geventileerde stal, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft te kennen gegeven dat de stal van de veehouderij aan de [locatie] geen open stal is, maar een gesloten stal met een venturi nok. Overeenkomstig de Gebruikershandleiding V-Stacks Vergunning is in de geurberekeningen voor een dergelijke stal geen emissie- en gebouwhoogte van 1,5 m gehanteerd, welke hoogte van toepassing is bij luchtdoorlatende stallen, maar de gemiddelde hoogte van de nok en het midden van de openingen in de zijgevels. De Afdeling acht dit niet onjuist.

9.5.    [appellant] stelt eerst in zijn nadere stuk van 30 december 2019 dat opvalt dat enkel Nederlandse bedrijven zijn meegenomen in de berekening van de cumulatieve geurhinder, maar geen Duitse bedrijven. Binnen een afstandscirkel van 3 km zijn echter ook Duitse bedrijven gelegen, waardoor twijfelachtig is of de berekening van de cumulatieve geurhinder wel volledig is. De Afdeling stelt vast dat uit de Gebruikershandleiding V-Stacks gebied volgt dat bij het berekenen van de achtergrondbelasting in beginsel alle veehouderijen binnen een straal van 2 km rondom het plangebied moeten worden meegenomen. De gemeente Montferland is gelegen aan de Duitse grens. Dit betekent dat ook de in Duitsland gelegen veehouderijen binnen een straal van 2 km rondom het plangebied dienen te worden betrokken bij de berekening van de achtergrondbelasting. De raad heeft ter zitting toegelicht dat Buro ontwerp & vormgeving het deel van het onderzoeksgebied dat in Duitsland is gelegen door middel van luchtfoto’s heeft gescreend op de aanwezigheid van veehouderijen, maar dat niet is gebleken dat zich hierbinnen veehouderijen van enige omvang bevinden die een significante bijdrage leveren aan de achtergrondbelasting. [appellant] heeft niet met een tegenrapport of andere objectief verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat deze conclusie onjuist is.

9.6.    Gelet op het voorgaande heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse van de voorziene woningen wat betreft geur een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

    Het betoog faalt.

10.    Voor zover in deze uitspraak is geoordeeld dat een beroepsgrond faalt en niet uitdrukkelijk op de toepassing van artikel 8:69a van de Awb is ingegaan, heeft de Afdeling zich niet uitgesproken over de vraag of artikel 8:69a van de Awb aan vernietiging van het bestreden besluit in de weg zou hebben gestaan.

Conclusie en proceskosten

11.    Het beroep is ongegrond.

12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.G. Driessen, griffier.

w.g. Helder    w.g. Driessen

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2020

634.

 

Bijlage

 

Wet milieubeheer

Artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer luidt: "Bij algemene maatregel van bestuur worden de activiteiten aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben."

    Het vierde lid luidt: "Terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.17 of 7.19 moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt."

Artikel 7.2a, eerste lid, luidt: "Een milieueffectrapport wordt gemaakt bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen plan waarvoor, in verband met een daarin opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming."

Wet natuurbescherming (Wnb)

Artikel 2.8, eerste lid, van de Wnb luidt: "Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied."

Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.)

Artikel 2, tweede lid, van het Besluit m.e.r. luidt: "Als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de wet worden aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven […]."

    Het vierde lid luidt: "Als categorieën van besluiten als bedoeld in artikel 7.2, derde en vierde lid, van de wet, worden aangewezen de categorieën die in kolom 4 van onderdeel C onderscheidenlijk onderdeel D van de bijlage zijn omschreven."

    Het vijfde lid luidt: "[…] Voor zover in de bijlage, onderdeel D, bij een categorie van activiteiten categorieën van gevallen zijn aangegeven, geldt de verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 van de wet:

    a. in zodanige gevallen en

    b. in overige gevallen waarin op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling [hierna: MER-richtlijn] niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Hiervan zijn uitgezonderd de categorieën D 49.1, D 49.2 en D 49.3 van de bijlage bij dit besluit."

    In onderdeel D, categorie 11.2, is als activiteit zoals hierboven bedoeld vermeld: de aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat.

Planregels bestemmingsplan "Stokkum, Constantinusstraat 1a"

Artikel 3, lid 3.1, van de planregels luidt: "De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

    a. groenvoorzieningen, bermen en beplanting;

    b. paden, kunstwerken, speelvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding;

    c. een ontsluitingsweg, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting';

    met bijbehorende overige bouwwerken, wegen en verhardingen en met inachtneming van de keur van het waterschap."

Artikel 6, lid 6.1, van de planregels luidt: "De voor ‘Woongebied’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

    a. woningen;

    […]

    c. tuinen en erven;

    d. wegen, pleinen en straten, wandel- en fietspaden met een functie voornamelijk gericht op verblijf;

    e. parkeer-, groen-, speel- en nutsvoorzieningen;

    […]."

    Lid 6.2.1 luidt: "Op en in de gronden als bedoeld in lid 6.1, mogen uitsluitend worden gebouwd woningen, bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken, zoals erf- of perceelafscheidingen en tuinmeubilair."

    Lid 6.2.2 luidt: "Voor het bouwen van bouwwerken als bedoeld in lid 6.2.1 gelden de volgende bepalingen:

    a. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' zijn niet meer woningen toegestaan dan in dat vlak aangegeven;

    […];

    d. binnen bouwvlakken mogen uitsluitend aaneengebouwde woningen worden gebouwd;

    e. de goot- en bouwhoogte van woningen mogen niet meer bedragen dan op de verbeelding aangegeven goot- en bouwhoogte met de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)';

    f. bijbehorende bouwwerken met een primaire functie met een verbinding naar buiten mogen aan de voorgevel van een woning worden gebouwd mits voldaan wordt aan de volgende eisen:

    1. de diepte ten opzichte van de voorgevel mag ten hoogste

1,5 meter bedragen;

    2. de breedte mag niet meer bedragen dan 33% van de breedte van de voorgevel;

    3. er kan worden afgeweken van de geldende maximum goothoogte, doch niet van de in het bestemmingsplan maximum toegestane hoogte;

    g. bijbehorende bouwwerken met een primaire functie zonder verbinding naar buiten mogen aan de voorgevel van een woning worden gebouwd, mits voldaan wordt aan de volgende eisen:

    1. de hoogte maximaal 4 meter bedraagt;

    2. de diepte ten opzichte van de voorgevel mag maximaal bedragen:

    - indien het voorerf ten minste 6 meter diep is: 2,5 meter;

    - indien het voorerf minder dan 6 meter diep is: 1,5 meter;

    - de breedte mag maximaal 60% van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw bedragen.

    3. onverminderd het vorenstaande dient de afstand tot het openbaar toegankelijk gebied minimaal 1 meter te bedragen;

    4. onverminderd het vorenstaande dient de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens minimaal 0,25 meter te bedragen;

    h. bijbehorende bouwwerken met een primaire functie mogen aan de zijgevel van een woning worden gebouwd, mits:

    1. minimaal 1 meter achter het verlengde van de voorgevelrooilijn;

    2. de diepte van het bijbehorend bouwwerk niet meer dan 3 meter of maximaal 60% van de breedte van de voorgevel van de woning bedraagt;

    3. de bouwhoogte niet meer dan 3 meter bedraagt;

    i. bijbehorende bouwwerken met een primaire functie mogen aan de achtergevel van een woning worden gebouwd, mits:

    1. de in het bestemmingsplan toegestane diepte van het hoofdgebouw plus maximaal 3 meter niet wordt overschreden;

    2. de goothoogte niet meer dan 4 meter en de bouwhoogte niet meer dan 5 meter bedraagt;     

    j. bijbehorende bouwwerken met een functioneel ondergeschikt gebruik mogen uitsluitend op ten minste 1 m afstand achter de voorgevelrooilijn van de woning worden gebouwd, mits:

    1. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken met een functioneel ondergeschikt gebruik op een perceel met een oppervlakte van:

    - tot en met 400 m² niet meer dan 75 m² bedraagt;

    - meer dan 400 m² niet meer dan 100 m² bedraagt;

    2. de bouwhoogte niet meer dan 3 meter bedraagt;

    k. onverminderd het vorenstaande mag het bouwperceel voor ten hoogste 50% worden bebouwd."