Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:718

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-03-2020
Datum publicatie
11-03-2020
Zaaknummer
201901027/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:7100, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 november 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen geweigerd aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het oprichten van een landbouwschuur op een perceel aan de [locatie] te Wagenberg. [appellant] heeft een omgevingsvergunning gevraagd om een landbouwschuur op te kunnen richten voor opslag van agrarische producten en voor stalling van tractoren en werktuigen. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" heeft het perceel de bestemming "Agrarisch-2" met de functieaanduiding "grondgebonden veehouderij".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201901027/1/A1.

Datum uitspraak: 11 maart 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Made, gemeente Drimmelen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 december 2018 in zaak nr. 18/4582 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen.

Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2017 heeft het college geweigerd aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het oprichten van een landbouwschuur op een perceel aan de [locatie] te Wagenberg (hierna: het perceel).

Bij besluit van 22 mei 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 december 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 januari 2020, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. F.H.L. Vossen, rechtsbijstandverlener in Breda, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.P.M. van Tiel, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] heeft een omgevingsvergunning gevraagd om op het perceel een landbouwschuur op te kunnen richten voor opslag van agrarische producten en voor stalling van tractoren en werktuigen. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan) heeft het perceel de bestemming "Agrarisch-2" met de functieaanduiding "grondgebonden veehouderij".

    Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd, omdat het bouwplan volgens hem in strijd is met de regels van het bestemmingsplan. Volgens het college wordt de landbouwschuur niet gebouwd ten behoeve van de agrarische bestemming. Bovendien is er volgens het college al een agrarisch bedrijf gevestigd op het bouwvlak, en is het op grond van de planregels niet toegestaan er een tweede bedrijf te vestigen. Het college heeft voorts geweigerd om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan te verlenen.

    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning op goede gronden heeft geweigerd en heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard.

Beoordeling van het hoger beroep

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat een redelijke uitleg van de regels van het bestemmingsplan met zich brengt dat binnen een bouwvlak slechts gebouwd mag worden ten behoeve van één agrarisch bedrijf.

2.1.    Artikel 4.1.2, onder a, van de regels van het bestemmingsplan (hierna: de planregels) luidt:

"a. Agrarisch bouwvlak

Ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende bepalingen:

1. Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" zijn agrarische bedrijven toegestaan.

[…]"

Artikel 4.1.2, onder c, luidt:

"Type agrarisch bedrijf en omschakeling

Ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' mag een grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij en niet zijnde een paardenhouderij worden uitgeoefend. Voorts is -al dan niet in combinatie met het voorgaande - het volgende type agrarisch bedrijf toegestaan overeenkomstig de onderstaande aanduidingen:

- ter plaatse van de aanduiding 'grondgebonden veehouderij' een grondgebonden veehouderij, niet zijnde een paardenhouderij;

[...]"

2.2.    Naar het oordeel van de Afdeling kan uit de omstandigheid dat in artikel 4.1.2, onder c, van de planregels "agrarisch bedrijf" in enkelvoud wordt gebruikt, worden afgeleid dat maximaal één agrarisch bedrijf per bouwvlak is toegestaan. Deze uitleg vindt steun in de toelichting op het bestemmingsplan, waaruit blijkt dat niet is bedoeld om nieuwsvestiging van agrarische bedrijven mogelijk te maken. Dat in artikel 4.1.2, onder a, van de planregels, de meervoudsvorm "bedrijven" is genoemd, doet aan het voorgaande niet af nu in dat artikel niet is bepaald dat per bouwvlak meer agrarische bedrijven zijn toegestaan. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat een redelijke uitleg van de planregels met zich brengt dat binnen een bouwvlak slechts gebouwd mag worden ten behoeve van één agrarisch bedrijf.

    Het betoog faalt.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er al een agrarisch bedrijf is op het bouwvlak op het perceel en dat er daarom geen nieuw agrarisch bedrijf binnen het bouwvlak kan worden opgericht. [appellant] stelt dat de eigenaar van het andere deel van het bouwvlak zijn agrarisch bedrijf heeft beëindigd.

3.1.    De Afdeling stelt vast dat op het bouwvlak feitelijk reeds een agrarisch bedrijf is opgericht, inclusief de bebouwing die daarbij hoort. De omstandigheid dat dit bedrijf thans niet actief is, sluit niet uit dat dit weer in gebruik kan worden genomen. Daarom heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bouwplan ziet op het realiseren van een tweede agrarisch bedrijf binnen het bouwvlak, zodat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.

    Het betoog faalt.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan ook in strijd is met het bestemmingsplan omdat niet wordt gebouwd ten behoeve van de agrarische bestemming. De rechtbank heeft volgens [appellant] miskend dat hij werkt aan het uitbreiden van een agrarisch bedrijf tot een op termijn volwaardige agrarische bedrijfsvoering. Het oprichten van een bedrijfsgebouw op het perceel is daarin volgens hem een belangrijke stap. [appellant] voert aan dat de bijbehorende gronden op zijn naam staan geregistreerd en door hem voor eigen rekening en risico worden bewerkt. Het is volgens hem geen vereiste dat sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf. Van belang is dat er gebouwd wordt ten behoeve van de agrarische bestemming, en dat is het geval, aldus [appellant].

4.1.    In artikel 1, onder 1.7 van de planregels wordt verstaan onder agrarisch bedrijf:

"Een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van landbouwdieren; onder agrarische bedrijven worden tevens begrepen boomteeltbedrijven, sierteeltbedrijven en productiegerichte paardenhouderijen."

In artikel 1, onder 1.63 wordt verstaan onder grondgebonden agrarisch bedrijf:

"Agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt. Grondgebonden bedrijven zijn in ieder geval: grondgebonden veeteelt, akkerbouw-, fruitteelt- en vollegrondstuinbouwbedrijven en boomteeltbedrijven, waarvan de bomen rechtstreeks in de grond zijn geplant."

Artikel 4.1.1 luidt:

"De voor Agrarisch - 2 aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[…]

b. agrarisch gebruik;

[…]"

Artikel 4.2.1 luidt:

"Uitsluitend mag worden gebouwd ten behoeve van deze bestemming."

4.2.    Het college stelt zich op het standpunt dat de landbouwschuur niet wordt gebouwd ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf en dat de aanvraag daarom in strijd is met het bestemmingsplan. Het college heeft aan dit standpunt twee adviezen van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (hierna: AAB) van 18 mei 2017 en 7 september 2017 ten grondslag gelegd.

    In het advies van 18 mei 2017, dat in verband met een eerdere aanvraag van [appellant] is uitgebracht, stelt de AAB onder meer dat [appellant] geen informatie heeft verstrekt waaruit kan worden opgemaakt dat hij voor eigen rekening en risico gewassen teelt, zoals hij stelt. Voor zover de AAB de actuele bedrijfsvoering van [appellant] kan overzien betreft dit de dienstverlening als agrarisch loonwerkbedrijf en de dienstverlening als zzp’er. Daarnaast is hij betrokken bij de bedrijfsvoering van het bedrijf van zijn vader, dat is gevestigd aan de Boerenhoekstraat 18 te Made, en is er een verwevenheid tussen hun bedrijfsvoeringen. De AAB concludeert dat [appellant] geen agrarisch bedrijf exploiteert. De landbouwmechanisatie waarover hij beschikt staat ten dienste van de bedrijfsvoering van een agrarisch loonwerkbedrijf. Het ingediende verzoek betreft feitelijk de vestiging van een agrarisch loonwerkbedrijf aan de Wildestraat. De AAB acht het niet aannemelijk dat [appellant] het ingediende bouwplan voor de Wildestraat zal realiseren voor de vestiging van een agrarisch bedrijf.

    In het advies van 7 september 2017 stelt de AAB onder meer dat behoudens de per mei 2017 doorgevoerde wijziging in de Gecombineerde Opgave voor het perceel, inzicht ontbreekt in bescheiden van de bedrijfsvoering. Voor zover de AAB kan overzien kan de eerdere conclusie worden gehandhaafd dat de bedrijfsvoering van [appellant] de dienstverlening als agrarisch loonwerkbedrijf en de dienstverlening als zzp’er betreft. De in het advies van 18 mei 2017 opgenomen conclusie dat er geen onderbouwing is waaruit de beschikbaarheid van het teeltareaal voor de bedrijfsvoering van [appellant] blijkt, kan worden gehandhaafd. De AAB is van oordeel dat de conclusie dat [appellant] geen agrarisch bedrijf exploiteert kan worden gehandhaafd. De landbouwmechanisatie waarover hij beschikt staat ten dienste van de bedrijfsvoering van een agrarisch dienstverlenend bedrijf.

4.3.    Gelet op de adviezen van de AAB heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de landbouwschuur niet wordt gebouwd ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf en daarom in strijd is met het bestemmingsplan. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat er gebreken kleven aan de adviezen van de AAB, of aan de wijze van totstandkoming daarvan. De enkele stelling van [appellant] dat hij de gronden van het perceel voor eigen rekening en risico bewerkt, kan niet afdoen aan de adviezen van de AAB, nu hij hiervoor nimmer een onderbouwing heeft gegeven, terwijl in de adviezen van de AAB juist van belang is geacht dat [appellant] geen informatie heeft verstrekt waaruit kan worden opgemaakt dat hij voor eigen rekening en risico gewassen teelt. Ook de enkele stelling van [appellant] dat hij werkt aan het uitbreiden van een agrarisch bedrijf en dat het geen vereiste is dat sprake moet zijn van een volwaardig agrarisch bedrijf, doet niet af aan de conclusies in de adviezen van de AAB en leidt daarom evenmin tot een ander oordeel.

    Het betoog faalt.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Hoogvliet    w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2020

457-929.