Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:705

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
18-03-2020
Zaaknummer
201900341/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2018:10964, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 december 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vw 2000 te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201900341/1/V3.

Datum uitspraak: 10 maart 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 14 december 2018 in zaak nr. 18/4149 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vw 2000 te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 9 mei 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 december 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C. Mayne, advocaat te Haarlem, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1.    De staatssecretaris klaagt in zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij zich op grond van het advies van Bureau Medische Advisering (BMA) en de aanvullende BMA-nota ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling bij terugkeer naar Armenië niet in een medische noodsituatie op korte termijn, als bedoeld in het arrest van het EHRM van 13 december 2016 in de zaak Paposhvili tegen België, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810, zal terechtkomen.

1.1.    De rechtbank heeft aan haar oordeel onder meer ten grondslag gelegd dat het oordeel van het BMA dat de gevolgen van frequente aanvallen van gewrichts- en buikvliesontstekingen in Armenië adequaat kunnen worden behandeld, geen grond biedt voor de conclusie dat voor de ziekte familiaire mediterrane koorts (FMF), in de zeldzame vorm zoals die bij de vreemdeling optreedt, een adequate behandeling beschikbaar is. Volgens de rechtbank betreft de behandeling die het BMA noemt immers uitsluitend de behandeling van de ernstige complicaties die zullen optreden als gevolg van het uitblijven van de voor de vreemdeling noodzakelijke behandeling, maar niet de behandeling van de ziekte FMF zelf en het voorkomen van die complicaties. Daarbij komt dat volgens de rechtbank de beschikbaarheid van de behandeling van optredende complicaties nog niet betekent dat daarmee geen medische noodsituatie zal ontstaan bij terugkeer.

    Verder heeft de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag gelegd dat uit het besluit van 9 mei 2018 niet blijkt dat de staatssecretaris heeft meegewogen in hoeverre het uitblijven van behandeling en de complicaties die daardoor kunnen optreden, zoals frequente aanvallen van buikvliesontsteking en gewrichtsontsteking, ook al kunnen die complicaties medisch worden behandeld en ook al is de vreemdeling niet binnen een termijn van drie maanden stervende, bij uitzetting binnen die termijn wel zullen leiden tot een snelle en onomkeerbare achteruitgang in zijn gezondheid, resulterend in een intens lijden.

    Met de door de staatssecretaris gegeven toelichting op de eerste grief heeft hij niet deugdelijk gemotiveerd waarom deze overwegingen van de rechtbank niet juist zijn. Alleen al daarom kan deze grief niet leiden tot het ermee beoogde doel.

2.    Wat de staatssecretaris verder heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 525,00 (zegge: vijfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. Vonk

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2020

345-839.