Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:675

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
04-03-2020
Zaaknummer
201809640/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:5238, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 maart 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Helmond aan Salix Projectpartners B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het transformeren van het kantoorgebouw Baroniehof op het perceel aan de Baroniehof 169, 169a en 169b in Helmond tot een logiesverblijf voor arbeidsmigranten. [appellant] en anderen wonen in de nabije omgeving van het gebouw. Zij zijn het niet eens met de vergunningverlening, omdat zij vrezen voor parkeeroverlast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201809640/1/A1.

Datum uitspraak: 4 maart 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, allen wonend in Helmond,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 25 oktober 2018 in zaken nrs. 18/1042 en 18/1002 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Helmond.

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2018 heeft het college aan Salix Projectpartners B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het transformeren van het kantoorgebouw Baroniehof op het perceel aan de Baroniehof 169, 169a en 169b in Helmond (hierna: het perceel) tot een logiesverblijf voor arbeidsmigranten.

Bij uitspraak van 25 oktober 2018 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, een deel van het besluit vernietigd en zelf in de zaak voorzien. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college en Salix hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Rooijkakkers en anderen hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2019, waar [appellant] en [appellant A], bijgestaan door mr. E.J.H. van Lith, advocaat in Almere, en het college, vertegenwoordig door mr. P. Helmus en T.T. Middel, zijn verschenen. Verder heeft de Afdeling Salix Projectpartners B.V., vertegenwoordig door [gemachtigde], bijgestaan door mr. R. Janssen, advocaat in Amsterdam, gehoord.

Overwegingen

1.    Op het perceel staat het kantoorgebouw "Baroniehof". Salix Projectpartners B.V. wil dit kantoorgebouw verbouwen tot een logiesverblijf voor arbeidsmigranten. Het gebruiken van het gebouw voor logies en wonen is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Rijpelberg". Salix Projectpartners B.V. heeft voor het verbouwen, brandveilig en in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van het gebouw een omgevingsvergunning voor een periode van tien jaar gevraagd. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning op grond van de artikelen 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, c en d, in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) en artikel 4, aanhef en negende lid, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) verleend.

    [appellant] en anderen wonen in de nabije omgeving van het gebouw. Zij zijn het niet eens met de vergunningverlening, omdat zij vrezen voor parkeeroverlast.

2.    Ter zitting hebben [appellant] en anderen hun betoog dat de rechtbank niet heeft onderkend dat een ruimtelijke onderbouwing aan het besluit ten grondslag had moeten worden gelegd en hun betoog dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet op grond van artikel 2.23 van de Wabo een tijdelijke omgevingsvergunning had mogen verlenen, ingetrokken.

3.    [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank haar uitspraak heeft gebaseerd op onjuiste uitgangspunten. De rechtbank is er ten onrechte van uitgegaan dat er in het gebouw maar 100 arbeidsmigranten kunnen verblijven, terwijl dit er maximaal 149 zullen zijn. Verder heeft de rechtbank volgens [appellant] en anderen ten onrechte overwogen dat ook het gedeelte van het gebouw aan de Baroniehof 169b leegstaat.

3.1.    Het gebruik moet in overeenstemming zijn met de vergunningaanvraag. De "Ruimtelijke motivering tijdelijke omgevingsvergunning logies voor arbeidsmigranten Baroniehof 169, 169a en 169b te Helmond" van 30 november 2017, gewijzigd op 24 december 2017, van Avalar Advies maakt daar onderdeel van uit. Hierin staat dat er maximaal 100 arbeidsmigranten in het gebouw zullen verblijven. Dat het gebouw mogelijk ruimte biedt voor meer arbeidsmigranten, betekent niet dat dat aantal ook is toegestaan. De rechtbank is bij haar beoordeling dan ook terecht van 100 arbeidsmigranten uitgegaan.

    Verder heeft de rechtbank weliswaar ten onrechte overwogen dat ook het gedeelte van het gebouw aan de Baroniehof 169b leeg staat, maar dat betekent niet dat zij daarom van een verkeerd toetsingskader is uitgegaan door ook het gedeelte van het gebouw aan de Baroniehof 169b bij haar beoordeling te betrekken. De omgevingsvergunning ziet immers ook op de Baroniehof 169b. Dat dit gedeelte van het gebouw waarschijnlijk pas op een later moment in gebruik zal worden genomen, doet daar niet aan af.

    Het betoog faalt.

4.    [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat er op het perceel niet voldoende parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd. Zij voeren aan dat het college een hogere parkeernorm had moeten hanteren dan 0,76 per kamer, omdat het college niet aan had mogen sluiten bij de parkeernormen voor een hotel. Verder voeren zij aan dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat het perceel nu al gebruikt wordt om te parkeren en al die auto’s voortaan in de wijk zullen moeten parkeren, hetgeen tot nog meer overlast zal leiden.

4.1.    Dat het perceel momenteel gebruikt wordt om op te parkeren en die parkeerplaatsen na realisering van het bouwplan niet meer beschikbaar zullen zijn, leidt er niet toe dat het bouwplan daarom voorziet in te weinig parkeerplaatsen. Het perceel is ook nu geen openbaar parkeerterrein. Het is dus niet zo dat het bouwplan ertoe leidt dat er legale, openbare parkeerplaatsen verdwijnen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 28 juli 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AQ5735, moet bij de beantwoording van de vraag of wordt voorzien in voldoende parkeermogelijkheden alleen rekening worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van de realisering van het bouwplan. Een reeds bestaand tekort mag buiten beschouwing worden gelaten. Dit betekent dat nu alleen ter beoordeling voorligt of er op het perceel voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zullen zijn voor de gebruikers van het logiesverblijf.

4.2.    In het beleidsstuk "Beleidsregel parkeernormen Helmond 2017" heeft het college parkeernormen neergelegd. Deze beleidsregel bevat niet een specifieke norm voor de tijdelijke huisvestiging van arbeidsmigranten. Het college stelt zich op het standpunt dat het in redelijkheid aan kan sluiten bij de norm die geldt voor een hotel. Voor de functie hotel geldt een parkeernorm van 1,5 parkeerplaats per kamer. Op grond van artikel 5 van de beleidsregel kan hiervan gemotiveerd naar beneden worden afgeweken, tot een minimum van 0,5. Het bouwplan voorziet in 50 parkeerplaatsen voor 66 kamers. Dat komt neer op een parkeernorm van 0,76 per kamer. Het college stelt zich op het standpunt dat hier met een lagere parkeernorm dan 1,5 kan worden volstaan, omdat bij hotels de parkeernorm afhankelijk is van het aantal sterren dat een hotel heeft. Hoe luxer een hotel, hoe meer auto’s de gasten gemiddeld meenemen. Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwplan wat de te verwachten hoeveelheid auto’s betreft het meest lijkt op een hotel met één ster. Op grond van gegevens van de Belastingdienst over het aantal mensen dat vanuit het buitenland een auto meeneemt naar Nederland, verwacht het college namelijk dat maar weinig arbeidsmigranten hun auto mee zullen nemen naar Nederland. Het college verwacht verder dat maar weinig arbeidsmigranten hier een auto aan zullen schaffen, omdat ze maar vier tot twaalf maanden in het gebouw mogen verblijven, er vervoer wordt geregeld van en naar hun werk en er deelfietsen beschikbaar worden gesteld. Verder heeft het college in ogenschouw genomen dat er bij de parkeernorm voor hotels rekening wordt gehouden met parkeerplaatsen die nodig zijn voor het personeel, terwijl dat hier niet aan de orde is. Het college wijst er ten slotte op dat een parkeernorm van 0,76 overeenkomt met de parkeernorm die de gemeente Oss hanteert voor huisvesting van arbeidsmigranten, namelijk tussen de 0,6 en de 0,8.

    De Afdeling ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de motivering van het college te twijfelen. [appellant] en anderen hebben weliswaar betwist dat er ten behoeve van het logiesverblijf volstaan kan worden met het realiseren van 50 parkeerplaatsen, maar zij hebben hun stelling niet met nadere gegevens of bewijsstukken onderbouwd. Dat het college er wellicht ook voor had mogen kiezen om bij een andere functie aan te sluiten, zoals wonen, kamerverhuur of short stay facilities, maakt niet dat het daarom onredelijk was om bij de functie hotel aan te sluiten. De verwijzing van [appellant] en anderen naar de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1838, waarin voor de parkeernorm van een logiesgebouw door een college is aangesloten bij de functie kamerverhuur, maakt dat niet anders. Het ging in die uitspraak immers om een ander college van een andere gemeente en ook om een ander logiesverblijf. Anders dan [appellant] en anderen aanvoeren, is het verder niet zo dat alleen bij overcapaciteit van een lagere parkeernorm dan 1,5 mag worden uitgegaan. De in bijlage 4b.b. van de beleidsregel opgenomen stimuleringsregeling, die alleen van toepassing is in geval van overcapaciteit, staat namelijk los van de in artikel 5 opgenomen afwijkingsregeling.

    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat het bouwplan voorziet in voldoende parkeergelegenheid.

     Het betoog faalt.

5.    [appellant] en anderen verwijzen in hun hoger beroepschrift naar hun eerder in de zienswijzeprocedure en beroep aangevoerde gronden en verzoeken deze als herhaald en ingelast te beschouwen. Op deze gronden is de rechtbank in de aangevallen uitspraak ingegaan. [appellant] en anderen hebben in hun hoger beroepschrift, behoudens hetgeen hiervoor is besproken, geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die gronden en argumenten in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig is. In hetgeen [appellant] en anderen in zoverre hebben aangevoerd, bestaat dan ook geen aanleiding voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. Schueler, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V.H.Y. Huijts, griffier.

w.g. Schueler    w.g. Huijts

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2020

811.