Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:662

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
04-03-2020
Zaaknummer
201903969/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2019:1267, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 november 2017 heeft het college geweigerd [appellante] een omgevingsvergunning te verlenen voor het realiseren van een studiowoning aan de [locatie] te Enschede.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201903969/1/A1.

Datum uitspraak: 4 maart 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Enschede,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 12 april 2019 in zaak nr. 18/1519 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede.

Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2017 heeft het college geweigerd [appellante] een omgevingsvergunning te verlenen voor het realiseren van een studiowoning aan de [locatie] te Enschede.

Bij besluit van 10 juli 2018 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 april 2019 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 juli 2018 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2020, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M. Hassink, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante] is eigenaar van de woning aan de [locatie]. Aan de woning zijn aan de achterzijde een keuken, bijkeuken en berging gebouwd. [appellante] heeft zonder omgevingsvergunning de keuken en berging in de bestaande aanbouw verbouwd, deze aanbouw vergroot, en in de aanbouw een zelfstandige studiowoning gerealiseerd. Aan de studiowoning is op verzoek van [appellante] het [huisnummer] toegekend. De studiowoning heeft een eigen ingang aan de achterzijde en er is geen inpandige verbinding tussen de woning en de studiowoning. [appellante] heeft een omgevingsvergunning aangevraagd ter legalisering van de gerealiseerde studiowoning.

    Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Ribbelt Stokhorst 2011" heeft het perceel de bestemming "wonen".

    Het college heeft geweigerd de omgevingsvergunning te verlenen, omdat het bouwplan in strijd is met de regels van het bestemmingsplan. Op gronden met de bestemming "wonen" dienen hoofdgebouwen binnen het aangegeven bouwvlak te worden gebouwd. Door het realiseren van een studiowoning ontstaat er volgens het college een nieuw hoofdgebouw, omdat de studio geen functionele relatie heeft met de reeds aanwezige woning. Dit hoofdgebouw is buiten het bouwvlak gelegen. Het college is niet bereid om van het bestemmingsplan af te wijken, omdat kleine studio’s volgens het beleid, zoals neergelegd in de Stedelijke Koers 2012 en de Woonvisie Enschede, ongewenst zijn binnen de gemeente en de woonstudio geen kwalitatieve meerwaarde heeft.

    De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in strijd is met de regels van het bestemmingsplan. Het beroep dat [appellante] op het gelijkheidsbeginsel heeft gedaan omdat het college in andere gevallen wel vergunningen heeft verleend voor het realiseren van studio’s of appartementen, slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Het besluit van 10 juli 2018 bevat naar het oordeel van de rechtbank op dit punt wel een motiveringsgebrek. Daarom heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 juli 2018 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Beoordeling van het hoger beroep

2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het college heeft gevolgd in het standpunt dat geen sprake is van een functionele verbondenheid tussen de studio en het hoofdgebouw. Tussen de woning en de studio is geen definitieve scheiding, maar een gipsplaat aangebracht. Als in de plaats daarvan een deur zou worden geplaatst, zou er een doorgang bestaan en zou volgens [appellante] worden voldaan aan de functionele verbondenheid. Het gebruik van de studio is bovendien hetzelfde als van de woning en in overeenstemming met de bestemming "wonen". [appellante] wijst er verder op dat in het bestemmingsplan geen koppeling is gelegd tussen de woonbestemming en het maximaal aantal huishoudens. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat het gebruik niet passend is, aldus [appellante].

2.1.    In artikel 1, onder 1.19 van de regels van het bestemmingsplan "Ribbelt Stokhorst 2011" wordt verstaan onder bijbehorend bouwwerk:

"Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak."

In artikel 1, onder 1.42 van de planregels wordt verstaan onder hoofdgebouw:

"Gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is."

2.2.    Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van artikel 15.2.2 van de planregels de bouw van een hoofdgebouw buiten het bouwvlak niet is toegestaan, en dat de studiowoning buiten het bouwvlak is gebouwd. De Afdeling begrijpt de gronden van [appellante] aldus dat zij betoogt dat het bestemmingsplan de bouw van de studiowoning desondanks toestaat, omdat de studiowoning volgens haar niet moet worden aangemerkt als hoofdgebouw maar als bijbehorend bouwwerk.

    Gezien de in artikel 1, onder 1.19 van de planregels gegeven definitie, is voor de vraag of sprake is van een bijbehorend bouwwerk in dit geval doorslaggevend of - zoals [appellante] betoogt - de studiowoning functioneel is verbonden met de woning aan de [locatie]. Naar het oordeel van de Afdeling is deze functionele verbondenheid er niet. Het gebruik van de studiowoning houdt geen verband met het gebruik van de reeds aanwezige woning. De studiowoning is immers blijkens de ingediende aanvraag om de omgevingsvergunning een volledig zelfstandige woning met een eigen ingang. Dat de afscheiding tussen de woningen niet onomkeerbaar is, zoals [appellante] betoogt, doet er niet aan af dat de studiowoning blijkens die bouwaanvraag een zelfstandige woning is die niet functioneel is verbonden met de naastgelegen woning. Het enkele feit dat de studiowoning ook wordt gebruikt in overeenstemming met de bestemming "wonen" doet er evenmin aan af dat er geen functionele verbondenheid is en leidt er daarom niet toe dat de studiowoning als een bij de woning bijbehorend bouwwerk kan worden aangemerkt.

    Nu de studiowoning een op zichzelf staande woning is, is het een tweede hoofdgebouw. Het bouwen van de studiowoning buiten het bouwvlak is daarom in strijd met het bepaalde in artikel 15.2.2 van de planregels.

    Het betoog faalt.

3.    Omdat het bouwen van de studiowoning in strijd is met de planregels, diende het college te bezien of de omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan kon worden verleend. Het college is daartoe niet bereid, omdat kleine studio’s volgens het beleid, zoals neergelegd in de Stedelijke Koers 2012 en de Woonvisie Enschede, ongewenst zijn binnen de gemeente en de woonstudio geen kwalitatieve meerwaarde heeft.

4.    [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college aldus handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat het college in andere, vergelijkbare, gevallen wel een omgevingsvergunning heeft verleend voor het realiseren van woonstudio’s of appartementen. Ten aanzien van een omgevingsvergunning die is verleend voor een pand aan de Javastraat 109 te Enschede, heeft de rechtbank volgens [appellante] miskend dat sprake is van gelijke gevallen. Voor dit pand is het college voorbij gegaan aan het beleid in de eerdergenoemde Stedelijke Koers 2012 en de Woonvisie Enschede, terwijl dit beleid in het geval van [appellante] juist een reden was om te weigeren de omgevingsvergunning te verlenen. [appellante] wijst ook op een omgevingsvergunning die is verleend voor het pand aan de Resedastraat 27 te Enschede, voor het vergroten van de woning en het bouwkundig splitsen van de woning in drie appartementen.

4.1.    De Afdeling is van oordeel dat geen sprake is van gelijke gevallen, omdat het bouwplan van [appellante] niet vergelijkbaar is met de verleende vergunningen voor de panden aan de Javastraat 109 en de Resedastraat 27. Anders dan in die gevallen verbouwt [appellante] de bestaande woning niet tot meerdere studio’s of appartementen, maar realiseert zij buiten het bouwvlak een nieuwe studiowoning naast de al bestaande woning. De rechtbank heeft reeds daarom terecht geoordeeld dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.

    Het betoog faalt.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, griffier.

w.g. Hoekstra

lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2020

262-929.