Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:659

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
04-03-2020
Zaaknummer
201902902/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2019:4317, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 maart 2018 heeft de raad een aanvraag om vergoeding van extra uren rechtsbijstand ten behoeve van [appellante], afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201902902/1/A2.

Datum uitspraak: 4 maart 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 maart 2019 in zaak nr. 18/5114 in het geding tussen:

[appellante]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2018 heeft de raad een aanvraag om vergoeding van extra uren rechtsbijstand ten behoeve van [appellante], afgewezen.

Bij besluit van 3 juli 2018 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 maart 2019 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 januari 2020, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Doets, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    De raad heeft voor een geschil tussen [appellante] en haar werkgever een toevoeging verstrekt. Hierna heeft [appellante] de raad gevraagd om vergoeding van extra uren rechtsbijstand voor advieswerkzaamheden en een kortgedingprocedure in de zaak. De raad heeft geconcludeerd dat sprake is van een bewerkelijke zaak en heeft op 14 februari 2017 50 extra uren (Blok A), op 25 april 2017 47 extra uren (Blok B) en op 1 september 2017 15 extra uren (Blok C) toegekend. Op 9 januari 2018 heeft de raad 23 extra uren (Blok D) toegekend. Op 16 januari 2018 heeft [appellante] gevraagd om 37 extra uren (Blok E) om bezwaar en twee keer beroep in te stellen tegen besluiten van haar werkgever.

1.1.    De raad heeft die aanvraag bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 22 maart 2018 afgewezen. Hieraan heeft de raad ten grondslag gelegd dat de werkzaamheden waarvoor de vergoeding van de extra uren rechtsbijstand is aangevraagd, niet vallen onder het bereik van de toevoeging. Dat betekent dat Blok D ook niet aan [appellante] had mogen worden toegekend. Dat is wel gebeurd, maar dat betekent niet dat de raad gehouden is om een eenmaal gemaakte fout te blijven herhalen. De rechtbank is de raad hierin gevolgd.

Hoger beroep en beoordeling ervan

2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat haar beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Zij voert aan dat de rechtbank in dit verband ten onrechte alleen heeft overwogen dat het onzorgvuldig is dat de raad kennelijk per abuis heeft genoemd dat de werkzaamheden van het bezwaar onder de toevoeging vallen. Telkens zijn extra uren toegekend. Bij besluit van 9 januari 2018 zijn nog extra uren toegekend. Daarin was het volgende vermeld: "Na afloop van uw werkzaamheden kunt u bijgaande aanvraag voor vergoeding invullen en insturen. Kan de zaak niet binnen het toegekende aantal uren worden afgerond, dan kunt u, tezamen met de aanvraag voor vergoeding van de al toegekende extra uren, een aanvullende begroting indienen". De verwachting is dat zij telkens op afgifte van extra uren kon rekenen, omdat alles samenhangt met het geschil tussen haar en haar werkgever. Door te beslissen dat haar geen extra uren meer worden toegekend wordt zij onevenredig hard getroffen in haar belangen. Als zij dit had geweten dan had zij direct op een minnelijke schikking aangestuurd. Zij kan geen advocaat betalen.

2.1.    Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.

2.2.    De omstandigheid dat de raad bij besluit van 9 januari 2018 23 extra uren (Blok D) heeft toegekend, betekent niet dat de raad ook de gevraagde 37 extra uren (Blok E) had moeten toekennen. In het besluit van 9 januari 2018 staat weliswaar dat de raad in principe akkoord gaat met een begroting tot 23 uren extra, maar ook dat na afloop van de werkzaamheden bij de vaststelling een nadere inhoudelijke beoordeling zal plaatsvinden. De raad heeft achteraf geconstateerd dat de toekenning van de extra uren in Blok D op een fout berust. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, strekt het vertrouwensbeginsel niet zover dat de raad gehouden is om een gemaakte fout te blijven herhalen. Vergelijk onder meer de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4259, rechtsoverweging 10.1.

2.3.    De raad heeft echter naar aanleiding van de aanvraag van [appellante] om vergoeding van de extra uren in Blok E, bij brief van 1 februari 2018 aan haar verzocht om gegevens te verstrekken. In die brief staat het volgende: "Tevens merkt de Raad op dat de werkzaamheden van het bezwaar vallen onder het bereik van onderhavige toevoeging, doch de werkzaamheden met betrekking tot het beroep niet. Daarvoor dient een nieuwe toevoeging afgegeven te worden." Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is de Afdeling van oordeel dat [appellante] hieruit redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat de extra uren rechtsbijstand voor de werkzaamheden van het bezwaar onder het bereik van de toevoeging vallen. Ter zitting heeft de raad dit ook erkend. Overigens heeft de raad ter zitting ook toegelicht dat de omstandigheid dat de extra uren voor de werkzaamheden van het bezwaar onder de toevoeging vallen, niet betekent dat die extra uren ook worden vergoed. Volgens de raad moet die beoordeling nog worden verricht.

    Het betoog slaagt.

Conclusie

3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Afdeling zal het beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit op bezwaar van 3 juli 2018 vernietigen. De raad moet een nieuw besluit op bezwaar nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

Judiciële lus

4.    Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuwe besluit van de raad slechts bij haar beroep kan worden ingesteld. Als [appellante] het dus niet eens is met het nieuwe besluit op bezwaar, hoeft zij niet eerst in beroep bij de rechtbank, maar mag zij meteen in beroep komen bij de Afdeling.

Proceskosten

5.    De raad moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 maart 2019 in zaak nr. 18/5114;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand van 3 juli 2018, kenmerk 4LW8571/E;

V.    bepaalt dat tegen het door de raad te nemen nieuwe besluit op het bezwaar van [appellante] slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI.    veroordeelt de raad tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.575,00 (zegge: vijftienhonderdvijfenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat de raad aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 128,00 (zegge: honderdachtentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Sanchit-Premchand, griffier.

w.g. Sevenster    w.g. Sanchit-Premchand

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2020

691.