Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:642

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-03-2020
Datum publicatie
11-03-2020
Zaaknummer
201902308/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:519, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juni 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sluis de aanvraag van Droompark voor de activiteiten bouwen en gebruiken in strijd met het bestemmingsplan geweigerd. Droompark heeft op 12 mei 2017 een aanvraag ingediend bij het college om tien chalets van het type Cube Maximaal in de kleur "Pure White" op het park te realiseren. Het bouwplan is volgens het college in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Het college heeft geweigerd om omgevingsvergunning te verlenen omdat de chalets niet voldoen aan redelijke eisen van welstand. Droompark en Somnium zijn het niet eens met de weigering. Zij stellen zich op het standpunt dat er geen reden is om de omgevingsvergunning te weigeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/105
Omgevingsvergunning in de praktijk 2020/8226
NJB 2020/900
JB 2020/86
JOM 2020/313
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201902308/1/A1.

Datum uitspraak: 11 maart 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

Leisure Investments B.V. h.o.d.n. Droompark Bad MeerSee (hierna: Droompark) en Somnium Recreactie B.V. (hierna: Somnium), gevestigd te respectievelijk Beekbergen en Apeldoorn,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 januari 2019 in zaak nr. 18/6002 in het geding tussen:

Droompark en Somnium

en

het college van burgemeester en wethouders van Sluis.

Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2017 heeft het college de aanvraag van Droompark voor de activiteiten bouwen en gebruiken in strijd met het bestemmingsplan geweigerd.

Bij besluit van 25 juni 2018 heeft het college het door Droompark en Somnium daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 januari 2019 heeft de rechtbank het door Droompark en Somnium daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben Droompark en Somnium hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 oktober 2019, waar Droompark en Somnium, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan mr. M. Gideonse, advocaat te Apeldoorn, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.A. den Boeft en A.T. van Zanten-Breeschoten, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak, die daarvan deel uitmaakt.

2.    Droompark is eigenaar en exploitant van het verblijfsrecreatieterrein Droompark Bad MeerSee (hierna: het park) gelegen aan de Sint Jansdijk 8a te Nieuwvliet. Het park is onderdeel van een groot aantal parken dat landelijk opereert onder de naam Droomparken. Somnium is het verkoopbedrijf van Droomparken. Zij verkoopt en verhuurt kavels en chalets op de parken.

    Droompark heeft op 12 mei 2017 een aanvraag ingediend bij het college om tien chalets van het type Cube Maximaal in de kleur "Pure White" (hierna: witte chalets) op het park te realiseren. Het bouwplan is volgens het college in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Verblijfsrecreatieterreinen Sluis". Het college heeft geweigerd om omgevingsvergunning te verlenen omdat de chalets niet voldoen aan redelijke eisen van welstand.

    Droompark en Somnium zijn het niet eens met de weigering. Zij stellen zich op het standpunt dat er geen reden is om de omgevingsvergunning te weigeren.

    De rechtbank heeft het beroep van Droompark en Somnium niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep van Somnium is niet-ontvankelijk verklaard omdat zij volgens de rechtbank geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb is. Het beroep van Droompark is volgens de rechtbank niet-ontvankelijk omdat zij geen belang meer heeft bij de beoordeling van haar beroep aangezien er inmiddels vergunning is verleend voor het realiseren van chalets op de locatie waar dit bouwplan betrekking op heeft.

Belanghebbendheid

3.    De rechtbank heeft overwogen dat het belang van Somnium wel door het besluit kan worden geraakt maar dat deze gevolgen verband houden met de privaatrechtelijke contractuele verhouding tussen Somnium en de koper van een kavel met chalet. Somnium heeft volgens de rechtbank een afgeleid belang. Dat Somnium tijdens de levering via een zogenoemde ABC-constructie van Droompark, via Somnium, naar de uiteindelijke koper van een kavel met chalet (in de woorden van de rechtbank) "op enig moment eigenaar" is, acht de rechtbank onvoldoende voor het aannemen van een eigen rechtstreeks door het besluit geraakt belang.

4.    Somnium betoogt dat de rechtbank haar ten onrechte niet als belanghebbende heeft aangemerkt. Zij stelt dat zij als verkoper van de chalets, waarvoor vergunning is aangevraagd, voldoende belang heeft bij het besluit. Niet alleen Droompark heeft schade geleden als gevolg van de weigering van de omgevingsvergunning, maar zij ook. Somnium stelt dat zij de chalets al had verkocht en dus medeverantwoordelijk is voor de levering. Zij stelt verder dat zij schade heeft geleden als gevolg van het weigeringsbesluit omdat zij kosten heeft moeten maken voor onder andere opslag van die chalets. De chalets waren elders in opdracht van Somnium al gebouwd. Omdat ze niet konden worden geplaatst, moesten ze ergens worden opgeslagen. Somnium heeft ter zitting aangevoerd dat zij kort eigenaar is van de chalets.

4.1.    In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

    Bij een besluit dat strekt tot weigering van een vergunning voor met het bestemmingsplan strijdig gebruik, is in beginsel slechts het belang van de aanvrager rechtstreeks betrokken. Een uitsluitend van een andere betrokkene afgeleid belang voldoet niet aan de eis dat een belang rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit. Het enkele feit dat er een contractuele relatie bestaat tussen degene tot wie een besluit is gericht en een derde, betekent niet dat het belang van die derde bij dat besluit alleen al daarom als een afgeleid belang moet worden aangemerkt. Onderzocht moet worden of die derde los van die contractuele relatie ook een zelfstandig eigen belang heeft bij dat besluit. Het eigen belang kan er namelijk in bepaalde gevallen toe leiden dat dit een zelfstandige aanspraak op rechtsbescherming rechtvaardigt. Eerder heeft de Afdeling aangenomen dat een dergelijke situatie zich voordoet als een derde in een aan een zakelijk of fundamenteel recht ontleend eigen belang wordt geraakt.

4.2.    Droompark is eigenaar van de gronden en wordt na plaatsing van de chalets ook eigenaar van de chalets. Somnium is degene die de chalets op de parken van Droompark verhuurt. Somnium is ook degene die de chalets op de parken van Droompark verkoopt. De verkoop vindt plaats via een ABC-constructie. Droompark heeft een koopovereenkomst met Somnium. Somnium heeft ook een koopovereenkomst met de uiteindelijke koper. Alle drie de partijen hebben gezamenlijk een ABC-akte. Het recht op levering, dat Somnium jegens Droompark heeft, wordt aan de uiteindelijke koper  overgedragen. Droompark levert de kavels met chalets rechtstreeks aan de uiteindelijke koper.

    Droompark heeft de omgevingsvergunning aangevraagd en het besluit, waarbij de omgevingsvergunning is geweigerd, is ook aan haar gericht. In beginsel is ook slechts het belang van Droompark rechtstreeks bij het besluit betrokken. Het belang van Somnium is in beginsel een afgeleid belang gelet op de contractuele relatie tussen haar en Droompark. Zoals hiervoor is uiteengezet wordt het afgeleid belang niet in alle gevallen tegengeworpen. Somnium stelt dat het afgeleid belang haar om twee redenen niet mag worden tegengeworpen. De eerste betreft een zakelijk recht, namelijk het eigendomsrecht. De tweede reden is dat zij gelet op de door haar gestelde schade zwaarder getroffen wordt dan Droompark.

4.3.    Over het zakelijk recht overweegt de Afdeling het volgende. Somnium heeft een voorbeeld van een ABC akte overgelegd. Bij die akte zijn drie partijen betrokken. Droompark, die in de akte als eigenaar wordt aangeduid, Somnium die als verkoper wordt aangeduid en de uiteindelijke koper die als koper wordt aangeduid. Koopovereenkomst 1 is de overeenkomst tussen Droompark en Somnium. Koopovereenkomst 2 is de overeenkomst tussen Somnium en de uiteindelijke koper. In de abc-akte staat in artikel 1.1 over de levering het volgende: "Ter uitvoering van de Koopovereenkomst 1 en de Koopovereenkomst 2 en het in de considerans bepaalde levert Eigenaar bij deze rechtstreeks aan Koper, die bij dezen van Eigenaar aanvaardt […]". Hieruit maakt de Afdeling op dat Droompark de kavel met chalet rechtstreeks aan de uiteindelijke koper levert. Levering aan Somnium vindt derhalve niet plaats. Nu er niet aan Somnium wordt geleverd en niet op een andere manier is gebleken dat Somnium het juridisch eigendomsrecht van de kavel met chalets verkrijgt, wordt Somnium in deze ABC-constructie geen eigenaar. Dit betekent dat de rechtbank in zoverre terecht in de gestelde eigendom geen aanleiding heeft gezien om het afgeleid belang niet tegen te werpen.

    Ten aanzien van de gestelde schade overweegt de Afdeling dat deze niet maakt dat Somnium een eigen belang heeft dat rechtstreeks bij het besluit is betrokken. De door haar gestelde schade is niet het gevolg van het weigeringsbesluit maar het gevolg van de contractuele afspraken van Somnium met onder andere Droompark. Bovendien is het bestellen van de chalets voordat de omgevingsvergunning is verleend een ondernemersrisico, waarvan de gevolgen voor risico voor Somnium zijn.

    Het betoog faalt.

5.    Het gevolg van het voorgaande is dat het beroep van Somnium wel ontvankelijk was maar haar bezwaar tegen het besluit van 18 juni 2017 niet. Het college heeft het bezwaar bij besluit van 25 juni 2018 ten onrechte ontvankelijk geacht. De rechtbank had het beroep dan ook gegrond moeten verklaren, het besluit op bezwaar van 25 juni 2018 in zoverre moeten vernietigen en het bezwaar van Somnium niet-ontvankelijk moeten verklaren.

Procesbelang

6.    De rechtbank heeft overwogen dat Droompark geen belang heeft bij haar beroep. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat inmiddels een omgevingsvergunning is verleend voor het realiseren van 42 chalets van het type Cube Maximaal in een grijs-zwarte kleurstelling. Die omgevingsvergunning ziet ook op de kavels waarop de hier aan de orde zijnde 10 chalets zouden worden gebouwd. De rechtbank acht verder onvoldoende aannemelijk dat Droompark daadwerkelijk schade heeft geleden als gevolg van het besluit van 25 juni 2018. Dit omdat omgevingsvergunning is aangevraagd voor witte chalets terwijl grijs-zwarte chalets zijn besteld en verkocht. Dat het de bedoeling was om grijs-zwarte chalets aan te vragen maakt het niet anders omdat het college diende te beslissen op basis van de aanvraag.

7.    Droompark betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij onvoldoende belang heeft bij de beoordeling van haar beroep. Daartoe voert zij aan dat zij schade heeft geleden als gevolg van de vertraging die zij heeft opgelopen. Als het college gelijk omgevingsvergunning had verleend hadden de bouwwerken een halfjaar eerder kunnen worden geplaatst.

7.1.    Procesbelang is het belang dat een belanghebbende heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de belanghebbende voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de belanghebbende van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft een belanghebbende die opkomt tegen een besluit, belang bij een beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen (vergelijk de uitspraak van 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3415).

7.2.    Vast staat dat Droompark bij besluit van 31 januari 2018 onder meer omgevingsvergunning heeft gekregen voor het realiseren van 10 grijs-zwarte chalets op de locatie waarop het bouwplan is voorzien. Gelet daarop heeft de rechtbank terecht overwogen dat Droompark in beginsel geen belang meer heeft bij de inhoudelijke beoordeling van haar beroep. Dit is anders indien zij schade heeft geleden als gevolg van het besluit van 25 juni 2018. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat de gestelde schade daadwerkelijk als gevolg van dat besluit is geleden. Dit heeft Droompark, anders dan de rechtbank heeft overwogen, wel gedaan. Als gevolg van het niet verkrijgen van een omgevingsvergunning stelt Droompark schade te hebben geleden omdat zij de opbrengst van verkoop en verhuur heeft misgelopen. De chalets waren namelijk al verkocht en doordat er geen omgevingsvergunning is verleend, is de levering vertraagd. Dat zij grijs-zwarte chalets heeft verkocht terwijl het college heeft geweigerd omgevingsvergunning te verlenen voor witte chalets, sluit volgens Droompark niet uit dat de schade als gevolg van de besluiten van 25 juni 2018 en 18 juni 2017 aan de gemeente kan worden toegerekend. Droompark voert aan dat het gegeven dat de aanvraag abusievelijk zag op witte chalets in plaats van grijze volgens haar niet relevant is omdat het college had kunnen weten dat het grijze chalets waren aangezien een van de chalets reeds was gerealiseerd. In dit verband stelt zij dat zij reeds voor het besluit op bezwaar bouwtekeningen heeft overgelegd waarop grijze en niet witte chalets waren getekend. Om dat betoog te kunnen beoordelen moet de bestuursrechter het beroep inhoudelijk behandelen. Daarom heeft Droompark wel een procesbelang. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte het door Droompark ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. De aangevallen uitspraak dient ook om die reden te worden vernietigd.

    Het betoog slaagt.

De omgevingsvergunning

8.    Uit het voorgaande volgt dat het bij de rechtbank ingestelde beroep van Droompark ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank is ten onrechte niet toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van de ingediende beroepsgronden. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Afdeling aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden beoordelen of de omgevingsvergunning terecht is geweigerd.

9.    Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd omdat het bouwplan in strijd zou zijn met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Sluis, Verblijfsrecreatieterreinen" (hierna: het bestemmingsplan). Het college is niet bereid om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan te verlenen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) omdat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Het college heeft aan zijn besluit het negatieve advies van de commissie Ruimtelijke Kwaliteit van 8 juni 2017 (hierna: het welstandsadvies) ten grondslag gelegd.

10.    Droompark betoogt dat het college ten onrechte de gevraagde omgevingsvergunning heeft geweigerd. Zij stelt voorop dat voor het bouwplan slechts een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo (de c-activiteit) is vereist. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo (hierna: de a-activiteit) is niet vereist omdat wordt voldaan aan artikel 3, onderdeel 2, van bijlage II van het Bor. De c-vergunning kan naar haar oordeel niet worden geweigerd wegens strijd met redelijke eisen van welstand. Zij stelt verder dat zelfs indien er een omgevingsvergunning voor de a-activiteit is vereist deze niet wegens strijd met redelijke eisen van welstand mocht worden geweigerd. Het college heeft een onvolledig welstandsadvies aan zijn besluit ten grondslag gelegd en heeft een verkeerd toetsingskader gehanteerd. Het college heeft verder geen rekening gehouden met de gewijzigde aanvraag. Daarin is de kleur van de chalets aangepast.

10.1.    Het college kan slechts een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan verlenen indien het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Dit volgt uit de aanhef van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo. Indien voor het bouwplan tevens een omgevingsvergunning is vereist voor de a-activiteit en die moet worden geweigerd dan heeft dat tot gevolg dat de omgevingsvergunning voor de c-activiteit ook moet worden geweigerd, indien deze gelijktijdig zijn aangevraagd. Dit omdat tussen beide activiteiten een onlosmakelijke samenhang bestaat als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo en de situatie van de tweede volzin van de bepaling zich hier niet voordoet, nu in één aanvraag zowel vergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan en het bouwen is gevraagd. Het weigeren van een omgevingsvergunning voor een bepaalde activiteit heeft tot gevolg dat de omgevingsvergunning voor de andere activiteiten die daarmee onlosmakelijk samenhangen, eveneens moet worden geweigerd. De Afdeling verwijst in dit verband naar haar uitspraak van 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1841. Uit het voorgaande volgt dat indien de omgevingsvergunning voor de a-activiteit op grond van artikel 2.10 van de Wabo wegens strijd met redelijke eisen van welstand moet worden geweigerd ook de gelijktijdig aangevraagde c-activiteit moet worden geweigerd.

10.2.      Tussen partijen is in geschil of wel een omgevingsvergunning is vereist voor de a-activiteit. Op grond van artikel 3, onderdeel 2, van bijlage II van het Bor is geen omgevingsvergunning voor de a-activiteit vereist indien het bouwplan voorziet in een op de grond staand bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf dat niet hoger is dan 5 m en een maximale oppervlakte heeft van 70 m². Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan voldoet aan artikel 3, onderdeel 2, van bijlage II van het Bor. Artikel 5, vierde lid, van bijlage II van het Bor bepaalt echter dat artikel 3, onderdeel 2, niet van toepassing is indien voor het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft krachtens het bestemmingsplan regels gelden die met toepassing van artikel 40 van de Monumentenwet 1988 in het belang van de archeologische monumentenzorg zijn gesteld tenzij de oppervlakte minder dan 50 m² is. In artikel 5 wordt gesproken over bouwwerk en niet perceel. Dit betekent dat artikel 3, onderdeel 2, niet van toepassing is indien de regels uit het bestemmingsplan gelden voor de aan de orde zijnde bouwwerken. Indien in een bestemmingsplan wel regels gelden ten aanzien van het perceel maar de regels niet van toepassing zijn op het aan het orde zijnde bouwwerk dan wordt er niet voldaan aan artikel 5, vierde lid, van bijlage II van het Bor.

    Niet in geschil is dat het bouwplan niet voorziet in bouwwerken met een oppervlakte van minder dan 50 m². Op het perceel rust ook de bestemming "Waarde-Archeologie-4". Artikel 51.2 van de planregels bevat regels die zijn gesteld in het belang van archeologische monumentenzorg voor percelen met die bestemming. Voor de kavels gelden dus in beginsel regels in het bestemmingsplan die met toepassing van artikel 40 van de Monumentenwet 1988 in het belang van de archeologische monumentenzorg zijn gesteld. Die regels gelden volgens artikel 51.2 van de planregels niet voor alle bouwwerken. In het tweede lid is namelijk onder c bepaald dat de regels onder meer niet gelden indien er sprake is van een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 2.500 m². De 10 chalets waarin het bouwplan voorzien hebben ieder een oppervlakte van 64 m².  Voor de bouwwerken waarin het bouwplan voorziet, gelden dus geen regels die met toepassing van artikel 40 van de Monumentenwet 1988 in het bestemmingsplan zijn gesteld en daarom is artikel 3, onderdeel 2, van bijlage II van het Bor wel van toepassing. Een omgevingsvergunning voor de a-activiteit is dus niet vereist.

10.3.    Gelet op het voorgaande komt de Afdeling, anders dan de rechtbank heeft overwogen, tot de conclusie dat geen omgevingsvergunning voor de a-activiteit is vereist maar slechts een vergunning voor de c-activiteit. Deze vergunning kan slechts worden geweigerd indien het bouwplan in strijd is met de in artikel 2.12 van de Wabo genoemde gronden. In zijn besluit van 25 juni 2018 heeft het college niet gemotiveerd of het bouwplan daarmee in strijd is.

    Het betoog slaagt.

11.    Droompark doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. Het college heeft namelijk een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor een vergelijkbaar bouwplan.

11.1.    Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Naar het oordeel van de Afdeling kon Droompark uit het verlenen van een tijdelijke omgevingsvergunning voor het realiseren van een grijs-zwarte chalet niet redelijkerwijs afleiden dat het college omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd zou verlenen voor het realiseren van 10 chalets in de kleur "pure white". Daarbij acht de Afdeling verder van belang dat de eerder verleende omgevingsvergunning een andere vergunning is dan de aangevraagde. De eerder verleende omgevingsvergunning betreft een tijdelijke vergunning. Over de kleur overweegt de Afdeling verder dat bij de beoordeling van het bouwplan dient te worden uitgegaan van de ingediende aanvraag. Daarin staat dat de chalets de kleur "pure white" hebben. Zowel in beroep als in hoger beroep heeft Droompark gesteld dat zij de aanvraag hangende bezwaar heeft gewijzigd door het indienen van een gewijzigde bouwtekening maar dit blijkt niet uit het dossier. Er zit wel een gewijzigde bouwtekening in het dossier maar nergens blijkt uit dat deze aan het college is overhandigd met als doel de onderhavige aanvraag te wijzigen. De enkele opmerking in bezwaar dat de kleur onjuist is, is onvoldoende om daarmee een wijziging van de aanvraag in een grijs-zwaarte kleur te bewerkstelligen.

    Het betoog faalt.

Conclusie

12.    Uit het voorgaande volgt dat Somnium geen belanghebbende is bij de weigering om omgevingsvergunning te verlenen. Verder volgt uit het voorgaande dat Droompark nog belang heeft bij de beoordeling van haar beroep tegen het besluit van 25 juni 2018.

    Gelet op hetgeen onder 10.3 is overwogen, is het besluit van 25 juni 2018 in strijd met artikel 7:12 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling het college op grond van artikel 8:51d van de Awb opdragen de hiervoor onder 5 en 10.3 geconstateerde gebreken in het besluit van 25 juni 2018 binnen 16 weken na verzending van deze tussenuitspraak herstellen. Het voorgaande houdt in dat het college dient te bezien of een omgevingsvergunning voor de c-activiteit zal worden verleend of niet. Het college dient verder het bezwaar van Somnium alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

    Het college dient de Afdeling de uitkomst mede te delen en het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

13.    In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt het college van burgemeester en wethouders van Sluis op om binnen zestien weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen de gebreken in het besluit van 25 juni 2018 met kenmerk ED/U/2018-10854 te herstellen en de Afdeling de uitkomst zo spoedig mogelijk mede te delen en het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. B.J. Schueler en mr. P.H.A. Knol, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. de Koning, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen

voorzitter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2020

712.

 

BIJLAGE

 

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1, eerste lid

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

[…]

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

[…]

Artikel 2.7, eerste lid,

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 2.10, tweede lid, en 2.11, tweede lid, draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project. In afwijking van de eerste volzin en onverminderd artikel 2.5 kan, indien één van die onlosmakelijke activiteiten een activiteit is als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor die activiteit voorafgaand aan en los van de overige onlosmakelijke activiteiten een aanvraag om een omgevingsvergunning worden ingediend.

Artikel 2.12

1 Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

[…]

Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht

Artikel 3

Een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet is niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op:

[…]

2. een op de grond staand bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 5 m, en

b. de oppervlakte niet meer dan 70 m²;

[…]

Artikel 5, vierde lid

Artikel 3, onderdelen 1 en 2, is evenmin van toepassing voor zover voor het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft krachtens het bestemmingsplan regels gelden die met toepassing van artikel 40 van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor inwerkingtreding van de Erfgoedwet, in het belang van de archeologische monumentenzorg zijn gesteld, tenzij de oppervlakte van het bouwwerk minder dan 50 m² bedraagt.

Bestemmingsplan "Sluis, Verblijfsrecreatieterreinen"

Artikel 51.1

De voor Waarde - Archeologie - 4 aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.

Artikel 51.2

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

[…]

b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien:

1. de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;

2. de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige;

c. het bepaalde in dit lid onder b.1 en b.2 is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:

[…]

2. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 2.500 m²;

[…]

Monumentenwet 1988 zoals deze luidde voorheen luidde

Artikel 40, eerste lid

Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een rapport dient over te leggen als bedoeld in artikel 39, tweede lid.

Artikel 39 tweede lid

Bij een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologische monumentenzorg worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid een rapport dient over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen in voldoende mate is vastgesteld.