Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:623

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-02-2020
Datum publicatie
26-02-2020
Zaaknummer
201904172/1/R4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:3224, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 november 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel aan [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor het renoveren van een schuur op het perceel [locatie] te Capelle aan den IJssel. [appellant] woont op het perceel waarop onder meer de bestemmingen "Wonen" en "Waarde - Beschermd dorpsgezicht" van toepassing zijn. Op 5 juli 2017 heeft [appellant] een aanvraag ingediend om hem een omgevingsvergunning te verlenen voor het renoveren van een in het achtererfgebied op het perceel gesitueerde schuur. Op bij de aanvraag ingediende bouwtekeningen is vermeld dat de hoogte van de schuur in de oorspronkelijke en de gerenoveerde toestand identiek is, te weten 5,20 m.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201904172/1/R4.

Datum uitspraak: 26 februari 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Capelle aan den IJssel,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 april 2019 in zaak nr. 18/3124 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel.

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2017 heeft het college aan [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor het renoveren van een schuur op het perceel [locatie] te Capelle aan den IJssel (hierna: het perceel).

Bij besluit van 24 april 2018 heeft het college het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, het besluit van 7 november 2017 op andere gronden herroepen en de omgevingsvergunning alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 18 april 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en [belanghebbende] hebben ieder voor zich een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2020, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.I.M. Houniet, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V., het college, vertegenwoordigd door mr. R.I. Smit, en [belanghebbende], bijgestaan door [gemachtigde], zijn verschenen.

Overwegingen

Juridisch kader

1.    De relevante bepalingen uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) en de regels bij het bestemmingsplan "Middelwatering" (hierna: het bestemmingsplan, onderscheidenlijk de planregels) zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Die bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Inleiding

2.    [appellant] woont op het perceel waarop onder meer de bestemmingen "Wonen" en "Waarde - Beschermd dorpsgezicht" van toepassing zijn. Op 5 juli 2017 heeft [appellant] een aanvraag ingediend om hem een omgevingsvergunning te verlenen voor het renoveren van een in het achtererfgebied op het perceel gesitueerde schuur. Op bij de aanvraag ingediende bouwtekeningen is vermeld dat de hoogte van de schuur in de oorspronkelijke en de gerenoveerde toestand identiek is, te weten 5,20 m.

Het besluit van 24 april 2018

3.    Het besluit van 24 april 2018 vermeldt dat naar aanleiding van in bezwaar aangevoerde gegevens op 14 december 2017 maten zijn opgenomen van de inmiddels gedeeltelijk afgebroken schuur. Met die meetresultaten is de hoogte gereconstrueerd die de schuur in haar oorspronkelijke toestand had. De conclusie daarvan is dat de schuur in de oorspronkelijk toestand niet 5,20 m, maar afgerond 5 m hoog is geweest. Gezien die conclusie heeft het college zich op het stadpunt gesteld dat de ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo geldende weigeringsgrond zich voordoet, omdat een schuur op het perceel met een hoogte van 5,20 m in strijd is met artikel 21.2.2, aanhef en onder d, van de planregels. Voor zover de aanvraag met toepassing van artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo tevens moet worden aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen. Immers, een schuur met een oppervlakte van 70 m² is al zeer ruim te noemen en er gaat een ongewenste precedentwerking uit van een verdere vergroting van de schuur binnen het beschermd dorpsgezicht, aldus het college in dat besluit. Om deze redenen heeft het college het besluit van 7 november 2017 herroepen en de aanvraag alsnog geweigerd.

De aangevallen uitspraak

4.    De rechtbank heeft overwogen dat het bouwplan voor de renovatie van een schuur met een hoogte van 5,20 m in strijd is met het bestemmingsplan. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat [appellant] zich op het standpunt heeft gesteld dat de schuur in de oorspronkelijke toestand 5,14 m hoog was. Omdat niet in geschil is dat de oorspronkelijke schuur in ieder geval 6 cm lager was dan de met het bouwplan beoogde hoogte van de schuur, kan het exacte hoogteverschil in het midden blijven, aldus de rechtbank. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid een vergunning te verlenen voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Dat op de aanvraag van eiser positief is geadviseerd door de erfgoedcommissie doet hieraan, gelet op het geldende toetsingskader, niet af, aldus de rechtbank.

Het hoger beroep

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over de hoogte van de oorspronkelijke schuur. [appellant] voert aan dat het op de weg van het college had gelegen om in de aanvraagfase de metingen te laten verrichten die het eerst op 14 december 2017 heeft laten verrichten. Bovendien is de wijze waarop de hoogte is gereconstrueerd van de schuur in de oorspronkelijke toestand, niet nauwkeurig. Dat is ook erkend door de commissie bezwaarschriften, omdat in haar advies staat dat de hoogte van de oorspronkelijke schuur, die inmiddels gedeeltelijk is afgebroken, niet meer met zekerheid kan worden vastgesteld. [appellant] wijst er voorts op dat de hoogte van de oorspronkelijke schuur volgens de reconstructie 5,035 m was, welke hoogte is afgerond naar 5 m. Omdat de rechtbank die afronding heeft geaccepteerd, had de rechtbank de door [appellant] gestelde hoogte van 5.14 m moeten afronden naar 5,20 m, aldus [appellant].

5.1.    De afronding van 5,035 m naar 5m heeft plaatsgevonden in het kader van een reconstructie van de hoogte van een schuur die ten tijde van die reconstructie en de daaraan ten grondslag liggende metingen gedeeltelijk was afgebroken. Omdat [appellant] zich op het standpunt heeft gesteld dat de schuur in de oorspronkelijke toestand 5,14 m hoog was, bestaat geen grond om die gestelde hoogte naar boven af te ronden. Anders dan [appellant] stelt, lag het niet op de weg van het college om in de aanvraagfase te onderzoeken of [appellant] zijn aanvraag van de correcte gegevens had voorzien. [appellant] had zijn aanvraag van de juiste gegevens moeten voorzien. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het exacte hoogteverschil in het midden kan blijven en dat, gezien wat niet in geschil is, het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.

    Het betoog faalt.

6.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid een vergunning te verlenen voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. De rechtbank heeft niet onderkend dat de door het college gegeven motivering om niet met toepassing van artikel 2.12, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo van die bevoegdheid gebruik te maken, ondeugdelijk is, aldus [appellant]. Daarbij voert [appellant] aan dat de oppervlakte van de schuur niet in strijd is met de planregels en dat het bij de overschrijding van de toegestane hoogte slechts om enkele centimeters gaat. Die overschrijding valt ruimschoots binnen de in artikel 28.1, aanhef en onder b, van de planregels neergelegde bevoegdheid om met 10 procent van de maximum voorgeschreven hoogtemaat af te wijken, aldus [appellant]. Voorts voert [appellant] aan dat de erfgoedcommissie een positief advies heeft gegeven over het bouwplan.

6.1.    De in artikel 28.1, aanhef en onder b, van de planregels neergelegde binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van 10 procent van de voorgeschreven hoogtemaat kan [appellant] niet baten, omdat die hoogtemaat ingevolge artikel 21.2.2, aanhef en onder d, van de planregels 3,5 m is en [appellant] die hoogtemaat met 1,7 m, dus met ruim 48 procent, wil overschrijden.

6.2.    De schuur heeft een oppervlakte van 70 m². Dat die oppervlakte is toegestaan, indien aan artikel 26.2 van de planregels is voldaan, laat onverlet dat die oppervlakte in het licht van artikel 21.2.2, aanhef en onder a, van de planregels, waar is bepaald dat het gezamenlijk grondoppervlak van bijbehorende bouwwerken ten hoogste 30 m² mag bedragen, ruim kan worden genoemd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het verlenen van een vergunning om van de ingevolge de planregels toegestane maximale hoogte af te wijken, waardoor de schuur nog groter zou worden, een ongewenst precedent schept in een beschermd dorpsgezicht. Met de rechtbank is de Afdeling voorts van oordeel dat het positieve advies van de erfgoedcommissie er niet toe verplicht een afwijking van het bestemmingsplan toe te staan. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat de erfgoedcommissie met haar advies niet heeft beoogd het college te adviseren over de vraag of de afwijking van het bestemmingsplan strijdig is met een goede ruimtelijke ordening als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo, maar of sprake is van een ontoelaatbare aantasting van het beschermd stads- en dorpsgezicht.

    Het betoog faalt.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.

w.g. Hoekstra    w.g. Robben

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2020

610.

 

BIJLAGE

 

De Wabo

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a.     het bouwen van een bouwwerk,

[…]

c.    het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

[…]

Artikel 2.10

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

[…]

c.     de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

[…]

2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Artikel 2.12

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en.

a.     indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

    […]

    2°.     in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

    […]

[…]

De planregels

21.2.2 Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een woning op de tot 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht' aangewezen gronden gelden de volgende bepalingen:

a.     het bij de woning behorende achtererfgebied mag voor niet meer dan 50% worden bebouwd, met dien verstande dat het gezamenlijk grondoppervlak van bijbehorende bouwwerken ten hoogste 30 m2 mag bedragen.

[…]

d.    de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,5 meter of de bestaande hoogte;

[…]

26.2 Toegelaten bouwwerken met afwijkende maten

a.    Voor een bouwwerk, dat krachtens de [Wabo] op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel middels een verleende vergunning gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan:

        1.    de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de maatvoeringbepalingen in de bouwregels van de betreffende bestemming, geldt dat bestaande maten, die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen worden aangehouden als ten hoogste toelaatbaar;

b.    Ingeval van herbouw is lid a. uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt;

c.    Op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het Overgangsrecht bouwwerken als opgenomen in dit plan niet van toepassing.

28.1 Algemene afwijking

Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, kan het bevoegd gezag bij omgevingsvergunning afwijken van:

[…]

b.    de voorgeschreven minimum en maximum maten inzake hoogte, afstanden, oppervlakten en bebouwingspercentages met niet meer dan 10%, voor zover daarvoor in de regels geen bijzondere afwijkingsregels zijn opgenomen.