Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:622

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-02-2020
Datum publicatie
26-02-2020
Zaaknummer
201903779/1/R4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:5763, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 november 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Helmond aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd van € 10.000,00 om vóór 9 januari 2018 een overtreding te beëindigen en beëindigd te houden. [appellant] kan aan de last voldoen door de schuilstal op het perceel te verwijderen en verwijderd te houden. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet is bereid mee te werken aan legalisering van de illegale situatie, zodat, ook indien een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, geen sprake is van concreet zicht op legalisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201903779/1/R4.

Datum uitspraak: 26 februari 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van 22 november 2018 en 28 maart 2019 in zaak nr. 18/1319 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Helmond.

Procesverloop

Bij besluit van 3 november 2017 heeft het college aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd.

Bij besluit van 18 april 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de begunstigingstermijn verlengd.

Bij tussenuitspraak van 22 november 2018 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college opgedragen om binnen twee weken na verzending van die uitspraak de rechtbank mee te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid het geconstateerde gebrek in het besluit van 18 april 2018 te herstellen en in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van die uitspraak dat gebrek te herstellen. De tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 18 januari 2019 heeft het college een nadere motivering ingediend.

Bij uitspraak van 28 maart 2019 (hierna: de einduitspraak) heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 18 april 2018 ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 april 2018 vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. De einduitspraak is aangehecht.

Tegen de tussen- en einduitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2020, waar [appellant], bijgestaan door mr. N.M.C.H. Crooijmans, advocaat te Deurne, en het college, vertegenwoordigd door mr. P. Helmus en mr. E. Verhagen, zijn verschenen.

Overwegingen

Juridisch kader

1.    De relevante bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) en de regels bij het bestemmingsplan "Buitengebied Helmond" (hierna: het bestemmingsplan onderscheidenlijk de planregels), alsmede relevante onderdelen uit de Beleidsregel handhaving particuliere bouwwerken Helmond 2013 (hierna: de beleidsregel) zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Die bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Inleiding

2.    De last onder dwangsom ziet op het perceel aan de Oxrooi ongenummerd in Helmond, kadastrale aanduiding: Helmond, sectie […], nr. […], (hierna; het perceel). Op grond van het bestemmingsplan heeft het perceel de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap en natuur". Blijkens een op 31 augustus 2017 opgesteld controlerapport heeft een toezichthouder van de gemeente op 25 augustus 2017 geconstateerd dat op het perceel een schuilstal voor paarden (hierna: de schuilstal) is gerealiseerd, terwijl daarvoor geen vergunning is afgegeven. Op 3 november 2019 heeft [appellant] de eigendom van het perceel overgedragen aan de vennootschap naar Belgisch recht [bedrijf], waarvan [appellant] aandeelhouder en zaakwaarnemer is. Eerst in beroep in eerste aanleg heeft [appellant] het college op de hoogte gesteld van deze eigendomsoverdracht en de daaraan voorafgaande verkoopovereenkomst.

De besluiten

3.    Bij besluit van 3 november 2017 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom van € 10.000,00 ineens, gelast om vóór 9 januari 2018 de overtreding op het perceel van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, en artikel 2.3a van de Wabo te beëindigen en beëindigd te houden. [appellant] kan aan de last voldoen door de schuilstal te verwijderen en verwijderd te houden. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet is bereid mee te werken aan legalisering van de illegale situatie, zodat, ook indien een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, geen sprake is van concreet zicht op legalisatie.

4.    Bij besluit van 18 april 2018 heeft het college de last gehandhaafd, maar de begunstigingstermijn verlengd. Over het beroep van [appellant] op het gelijkheidsbeginsel heeft het college zich op het standpunt gesteld dat van de in bezwaar aangevoerde gevallen alleen het bouwwerk aan de 1e Bosweg ongenummerd in Helmond met de schuilstal op één lijn kan worden gesteld, omdat het bouwwerk aan de 1e Bosweg op de dag waarop de aan [appellant] tegengeworpen overtredingen zijn geconstateerd, nog geen twee jaar oud was en dus, evenals de schuilstal, als een nieuw illegaal bouwwerk als bedoeld in de beleidsregel kan worden aangemerkt. Derhalve zal ook ten aanzien van dat bouwwerk een handhavingsprocedure worden opgestart. Gezien luchtfoto’s die in de periode maart/april 2015 zijn gemaakt, gaat het in de overige door [appellant] in bezwaar aangevoerde gevallen, waaronder een bouwwerk aan de Elsdonk in Helmond, niet om nieuwe bouwwerken als bedoeld in de beleidsregel. Die gevallen kunnen derhalve niet met de schuilstal op één lijn worden gesteld, aldus het college in dat besluit.

De tussenuitspraak

5.    In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de schuilstal een illegaal bouwwerk is, dat het college bevoegd is om daartegen handhavend op te treden, dat [appellant] als overtreder kan worden aangemerkt en dat [appellant] het in zijn macht heeft aan de lastgeving te voldoen. De rechtbank heeft geen grond gezien om het in de beleidsregel vervatte handhavingsbeleid rechtens onaanvaardbaar te achten. De rechtbank heeft het besluit van 18 april 2018 gebrekkig geacht, omdat het college het beroep van [appellant] op het gelijkheidsbeginsel ondeugdelijk heeft weerlegd, voor zover dat beroep ziet op het perceel aan de Elsdonk. Immers, [appellant] heeft ter zitting van de rechtbank een in 2015 gemaakte foto van dat perceel overgelegd waarop geen bouwwerk zichtbaar is, terwijl het college ter zitting niet heeft kunnen verduidelijken waarom het in bezwaar als gelijk geval aangevoerde bouwwerk op dat perceel in het licht van de beleidsregel niet met de schuilstal op één lijn kan worden gesteld. Voor het overige kan het beroep van [appellant] op het gelijkheidsbeginsel niet slagen, aldus de rechtbank. Nadat de rechtbank nog heeft overwogen dat in wat [appellant] heeft aangevoerd geen bijzondere omstandigheden zijn gelegen die in dit geval aan handhaving in de weg staan, heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld het geconstateerde gebrek te herstellen.

De nadere motivering van het besluit van 18 april 2018

6.    Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het college zich bij brief van 18 januari 2019 op het standpunt gesteld dat het in bezwaar als gelijk geval aangevoerde bouwwerk aan de Elsdonk een nieuw illegaal bouwwerk is in de zin van de beleidsregel dat op één lijn kan worden gesteld met de schuilstal. Ten aanzien van dat bouwwerk zal een handhavingsprocedure worden opgestart. Evenals ten aanzien van het bouwwerk aan de 1e Bosweg, zal die handhaving worden opgeschort in afwachting van de onderhavige procedure, aldus het college in die brief.

De einduitspraak

7.    In de einduitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het college bij brief van 18 januari 2019 het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek toereikend heeft hersteld. De omstandigheid dat het college de handhaving van de gelijk geachte gevallen tijdelijk heeft opgeschort, maakt niet dat sprake is van strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel, omdat in die omstandigheid geen grond is gelegen voor het oordeel dat het college niet tot handhaving zal overgaan. De rechtbank heeft daarbij gewicht toegekend aan de inhoud van de beleidsregel, alsmede aan het ontbreken van aanknopingspunten om aan de juistheid van de mededeling van het college over de opschorting te twijfelen.

Het hoger beroep

8.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de schuilstal terecht heeft aangemerkt als een nieuw illegaal bouwwerk in de zin van de beleidsregel. [appellant] voert aan dat niet in geschil is dat ten tijde van het vorige bestemmingsplan al een schuilstal op het perceel heeft gestaan. Hij heeft die schuilstal niet vervangen door de schuilstal, maar hij heeft als toenmalig eigenaar van het perceel de oude schuilstal laten renoveren, waarbij asbesthoudende materialen zijn verwijderd, aldus [appellant]. [appellant] wijst daarbij op de door hem in beroep in eerste aanleg overgelegde offerte van Horsestables B.V. van 9 februari 2017.

8.1.    [appellant] heeft het oordeel van de rechtbank dat de schuilstal een illegaal bouwwerk is, niet gemotiveerd weersproken in hoger beroep.

8.2.    De rechtbank heeft bij haar oordeel dat de schuilstal een nieuw illegaal bouwwerk is, betrokken dat de oude schuilstal is afgebroken en van het perceel is verwijderd en dat de schuilstal medio 2017 in de huidige staat op het perceel is gerealiseerd, waarbij blijkens de offerte van Horsestables het dak en de wanden volledig zijn vernieuwd. Dat [appellant] heeft gesteld dat voor de schuilstal gebruik is gemaakt van het stalen frame van de oude schuilstal doet er niet aan af dat de schuilstal grotendeels nieuw en dus een nieuw bouwwerk is, aldus de rechtbank.

8.3.    [appellant] heeft de juistheid van de hiervoor onder 8.2 weergegeven feiten en omstandigheden die de rechtbank bij haar oordeel heeft betrokken, niet weersproken. Ter zitting van de Afdeling heeft [appellant] te kennen gegeven dat het frame van de oude schuilstal, voordat het is hergebruikt, volledig roestvrij is gemaakt en is behandeld en dat de schuilstal, anders dan de oude schuilstal een afdak heeft. Gelet op deze feiten en omstandigheden, alsmede op de beleidsregel, is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft overwogen dat de schuilstal een nieuw illegaal bouwwerk is als bedoeld in de beleidsregel.

    Het betoog faalt.

9.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 10 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL3326, heeft overwogen dat hij met zijn stelling dat hij slechts de helft van de aandelen van [bedrijf] bezit, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij het niet in zijn macht heeft aan de lastgeving te voldoen omdat de vraag of [appellant] beslissende invloed heeft bij [bedrijf] niet uitsluitend wordt bepaald door het gestelde bezit van aandelen. [appellant] heeft in hoger beroep notulen van een aandeelhoudersvergadering van [bedrijf] van 6 december 2017 overgelegd en stelt dat uit die notulen volgt dat hij niet in staat is aan de lastgeving te voldoen.

9.1.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellant] als overtreder kan worden aangemerkt, omdat [appellant] de schuilstal in strijd met artikel 2.1, aanhef en onder a, van de Wabo op het perceel heeft laten bouwen, waartoe louter plaatsen ook moet worden gerekend. De omstandigheid dat [appellant] de eigendom van het perceel op 3 november 2017 aan [bedrijf] heeft overgedragen, maakt dat niet anders. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar voormelde uitspraak van 10 februari 2010), geldt als voorwaarde voor het opleggen van een last onder dwangsom dat de overtreder het in zijn macht heeft om aan de illegale situatie een einde te maken. Daarvoor is beslissend of hij het feitelijk in zijn macht heeft aan de lastgeving te voldoen.

9.2.    In voormelde notulen staat:

"Aanwezig zijn: […] [appellant] […], vertegenwoordigend een belang van 50% van de aandelen [en] […] [persoon] […], vertegenwoordigend een belang van 50% van de aandelen. […] Bestuurder […] [appellant] deelt mede een aan hem persoonlijk gerichte handhavingsprocedure van de gemeente Helmond […] te hebben ontvangen. Deze handhaving heeft betrekking op het […] perceel […]. […] [persoon] meldt dat […] [appellant] hier niet zelfstandig als bestuurder over kan en mag oordelen gezien […] [appellant] als bestuurder niet de bevoegdheid heeft om gedane investeringen ongedaan te maken. Daarnaast is in geval van tegenstrijdig belang tussen de vennootschap en zijn/haar bestuurder overeengekomen dat in een dergelijk geval de andere aandeelhouder de belangen van de vennootschap vertegenwoordigt. Aangezien hier van een dergelijk tegenstrijdigheid sprake is zal […] [persoon] in deze, de belangen van de vennootschap vertegenwoordigen. […] [persoon] adviseert […] [appellant] om de gemeente Helmond hiervan in kennis te stellen. Verder wenst […] [persoon] dat de vennootschap als eigenaar van bovengenoemd perceel geen actie onderneemt. Mocht de gemeente Helmond in de nabije toekomst alsnog actie richting de vennootschap ondernemen dan zal de vennootschap na beraad op dat tijdstip haar te volgen strategie bepalen."

9.3.    [appellant] heeft geen informatie uit een Belgisch equivalent van het handelsregister of andere door publicatie voor derden toegankelijke informatie overgelegd, waaruit blijkt dat de bevoegdheden van [appellant] als zaakvoerder van [bedrijf] - als zodanig staat hij in de Belgische Kruispuntbank van Ondernemingen ingeschreven - ten tijde van het besluit van 18 april 2018 zodanig waren beperkt dat onaannemelijk moet worden geacht dat [appellant] het feitelijk in zijn macht heeft aan de lastgeving te voldoen. Reeds daarom heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college van die onaannemelijkheid had moeten uitgaan. Interne afspraken als weergegeven in de eerst in hoger beroep door [appellant] overgelegde notulen doen niet af aan het hier overwogene.

    Het betoog faalt.

10.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat met de beleidsregel niet is beoogd niet handhavend op te treden tegen illegale bouwwerken die vóór de peildatum - de datum van 25 april 2004 -zijn gebouwd, zodat de rechtbank tevens ten onrechte heeft overwogen dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de beleidsregel rechtens onaanvaardbaar is. [appellant] voert aan dat uit de beleidsregel volgt dat het college niet handhavend optreedt tegen illegale bouwwerken die vóór de peildatum zijn gebouwd. Gelet daarop had de rechtbank de beleidsregel onverbindend moeten verklaren. In dat geval zijn de door het college toegepaste prioriteringscriteria niet langer op een beleidsregel gebaseerd en had de rechtbank het beroep op het gelijkheidsbeginsel reeds om die reden moeten laten slagen, aldus [appellant].

10.1.    Het betoog faalt, reeds omdat het is gebaseerd op een onjuiste lezing van de beleidsregel. Dat het college volgens de beleidsregel niet actief handhaaft ter zake van illegale bouwwerken die al vóór de peildatum aanwezig waren in gebieden die nog niet als beheersgebied zijn aangewezen, maakt niet dat volgens de beleidsregel in die gevallen niet zou mogen worden gehandhaafd, zoals het college ter zitting ook heeft bevestigd.

11.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de door hem in het kader van zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel aangevoerde bouwwerken, met uitzondering van de bouwwerken aan de 1e Bosweg en de Elsdonk, gezien de door het college overgelegde luchtfoto’s uit maart/april 2015, niet met de schuilstal op één lijn kunnen worden gesteld. [appellant] voert aan dat die luchtfoto’s daarvoor niet als bewijs kunnen dienen, omdat op grond van die foto’s niet kan worden uitgesloten dat die bouwwerken na die periode, maar binnen twee jaar voorafgaand aan de dag waarop de aan hem tegengeworpen overtredingen zijn geconstateerd, zijn vernieuwd.

11.1.    [appellant] heeft gesteld, noch toegelicht dat de door hem in het kader van zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel aangevoerde bouwwerken waarop dit betoog ziet, zijn gerealiseerd binnen twee jaar voorafgaand aan de constatering van de hem verweten overtredingen. [appellant] heeft derhalve geen aanknopingspunten verschaft op grond waarvan het college had moeten onderzoeken of de op de luchtfoto’s zichtbare bouwwerken later nog zijn vernieuwd. De Afdeling is van oordeel dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het in het kader van het beroep op het gelijkheidsbeginsel door het college naar deze bouwwerken verrichte onderzoek onvolledig of ondeugdelijk is geweest.

    Reeds daarom faalt het betoog.

12.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in de omstandigheid dat het college de handhaving ten aanzien van de bouwwerken aan de 1e Bosweg en de Elsdonk tijdelijk heeft opgeschort, geen grond is gelegen voor het oordeel dat sprake is van strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel. [appellant] voert aan dat het college ten aanzien van die bouwwerken, anders dan ten aanzien van de schuilstal, nog niet tot handhaving is overgegaan. Het gelijkheidsbeginsel brengt derhalve met zich dat ten aanzien van de schuilstal evenmin tot handhaving mocht worden overgegaan. Dat het college de handhaving ten aanzien van de bouwwerken aan de 1e Bosweg en de Elsdonk heeft opgeschort in afwachting van de onderhavige procedure, maakt dat niet anders, omdat het college, indien het hoger beroep ongegrond wordt verklaard, alsnog van handhaving zou kunnen afzien. Dat er niet op kan worden vertrouwd dat het college volgens de beleidsregel zal handhaven, blijkt uit de omstandigheid dat in het buitengebied in Helmond op verschillende plekken nieuwe schuilstallen worden gerealiseerd waartegen het college niet handhavend optreedt, aldus [appellant]. [appellant] wijst tevens op een e-mail van het college van 28 mei 2019 waarin staat dat handhavingsacties zijn opgeschort, omdat het college wil afwachten of de aan [appellant] gerichte lastgeving in hoger beroep stand zal houden. Ter zitting van de Afdeling heeft [appellant] zich nog beroepen op de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3256.

12.1.    Op grond van artikel 4:84 van de Awb is het college verplicht om overeenkomstig de beleidsregel te handelen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die tot afwijking van de beleidsregel nopen. [appellant] heeft met het door hem aangevoerde niet aannemelijk gemaakt dat het college ten aanzien van met de schuilstal op één lijn te stellen gevallen niet handhavend zal optreden volgens de beleidsregel. De enkele omstandigheid dat het college handhaving heeft opgeschort totdat de aan [appellant] gerichte lastgeving in rechte onaantastbaar is geworden, maakt niet dat sprake is van strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel. Het beroep van [appellant] op de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2019 kan hem niet baten, omdat in die uitspraak, anders dan in de onderhavige zaak, de situatie aan de orde was dat het bestuursorgaan in een vergelijkbaar geval juist niet tot handhaving wenst over te gaan.

    Het betoog faalt.

13.    [appellant] betoogt voorts dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake kan zijn van concreet zicht op legalisatie. [appellant] voert aan dat het college bij besluit van 26 april 2016 een omgevingsvergunning heeft verleend voor de bouw van een schuilstal aan de Eggenweg 8 in Helmond. Eerst hangende hoger beroep is hij van het bestaan van die omgevingsvergunning op de hoogte gekomen en de planregels zijn op dat perceel van toepassing, aldus [appellant].

13.1.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

13.2.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet bereid is mee te werken aan de legalisatie van de schuilstal. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 24 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2568) volstaat in beginsel het enkele feit dat het college niet bereid is een omgevingsvergunning te verlenen voor afwijking van het bestemmingsplan voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisering aanwezig is. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling op voorhand geen aanknopingspunten voor het oordeel dat op voorhand moet worden geconcludeerd dat het door het college ingenomen standpunt rechtens onjuist is en de vereiste vergunning, indien een daartoe strekkende aanvraag wordt ingediend, niet kan worden geweigerd. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat het college zich in zijn schriftelijke uiteenzetting gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een vergelijkbaar geval. Volgens het college ziet de bij besluit van 26 april 2016 verleende omgevingsvergunning immers op de herbouw van een stal die in 1968 is vergund, zodat aan de Eggenweg 8, anders dan op het perceel, geen sprake is van een overtreding van artikel 9.2.1 van de planregels.

    Het betoog faalt.

14.    [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank het door hem aangevoerde belang van dierenwelzijn ten onrechte niet als een bijzondere omstandigheid heeft aangemerkt op grond waarvan handhaving in dit geval onevenredig is. [appellant] voert aan dat het welzijn van de paarden op het perceel in gevaar komt, indien zij niet langer van een schuilgelegenheid gebruik kunnen maken. Hem kan zelfs een boete worden opgelegd op grond van het Besluit houders van dieren, gelezen in samenhang met de Wet dieren, vanaf het moment dat hij de schuilstal verwijdert, aldus [appellant].

14.1.    De rechtbank heeft in de door [appellant] gestelde noodzaak van een schuilgelegenheid ten behoeve van het welzijn van de paarden op het perceel terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat handhaving in dit geval onevenredig is. Voor zover de gestelde noodzaak zich voordoet, kan die noodzaak niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid zoals overwogen onder 13.1. Het is aan degene die verantwoordelijk is voor de paarden om een oplossing te vinden voor eventuele problemen die ontstaan als de schuilstal wordt verwijderd.

.    Het betoog faalt.

Slotsom

15.    Het hoger beroep is ongegrond. De tussen- en einduitspraak dienen te worden bevestigd.

16.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.

w.g. Hoekstra    w.g. Robben

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2020

610.

 

BIJLAGE

 

De Awb

Artikel 4:84

Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

De Wabo

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a.     het bouwen van een bouwwerk,

[…]

c.     het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

[…]

Artikel 2.3a

1. Het is verboden een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd zonder omgevingsvergunning in stand te laten.

2. Het eerste lid blijft buiten toepassing indien voor het bouwen van het desbetreffende bouwwerk op grond van artikel 2.1, derde lid, geen omgevingsvergunning is of was vereist, met dien verstande dat indien in een dergelijk geval sprake is van een bouwwerk waarvan de aanwezigheid slechts een beperkte periode is toegestaan, het eerste lid uitsluitend buiten toepassing blijft gedurende die periode.

De planregels

Artikel 9.2

Op de voor "Agrarisch met waarden - Natuur en Landschap" aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

Artikel 9.2.1

Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met dien verstande dat stallen en schuren die legaal aanwezig zijn op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan of die op dat moment gebouwd mogen worden, mogen worden gehandhaafd naar de omvang die zij op dat moment hadden.

De beleidsregel

Prioritering handhavingstaken

In het handhavingbeleid van de gemeente Helmond wordt actief (programmatisch) handhaven voorgestaan op geprioriteerde handhavingstaken. Programmatisch handhaven is het bewust voeren van een handhavingsbeleid. […] De volgende handhavingstaken hebben een prioriteit op basis van risico of een bestuurlijke prioriteit:

-    bouwen zonder omgevingsvergunning

-    bouwen in afwijking van de vergunning/in strijd met bouwregelgeving

-    bouwen of veranderen in ernstige strijd met redelijke eisen van welstand (exces)

Dit betekent dat voor deze taken programmatische handhaving plaatsvindt. […]

Nulsituatie / peildatum

[…] Door het vastleggen van een nulsituatie in het handhavingsbeleid wordt tot uiting gebracht dat de gemeente alle nieuwe overtredingen, dat wil zeggen overtredingen ontstaan na de peildatum, van de bouwregelgeving systematisch aanpakt volgens het in dit handhavingsbeleid beschreven beleid. Overtredingen die vóór de datum van de nulsituatie zijn ontstaan worden per situatie beoordeeld. Hierbij wordt op grond van vastgestelde criteria besloten of de overtreding nog zal worden aangepakt. […]

De peildatum is gesteld op 25 april 2004 omdat de beschikbare luchtfoto dateert van 25 april 2004 en omdat er vanaf 2004 voor het eerst een welstandsnota is vastgesteld.

Gebiedsgerichte inventarisatie Helmond (GIH)

Om aan het bovenstaande invulling te geven wordt een gebiedsgerichte aanpak voorgestaan. […] De komende jaren zal op basis van het handhavingsprogramma steeds één of meerdere wijken en/of gebied(en) worden geïnventariseerd op illegale bouw(werken) (incl. reclame(-borden). Uiteindelijk komen alle wijken in Helmond aan bod. […]

Criteria om wel- of niet te handhaven

Prioritering in de handhavingsaanpak zal voor particuliere bouwwerken worden aangebracht door:

Geen actieve handhaving tenzij

Geen actieve handhaving in te zetten op overtredingen die dateren van vóór 25 april 2004 (datum beschikbare luchtfoto) tenzij

a. […]

[…]

j. […];

Beheergebieden

Gebieden die zijn geïnventariseerd en bepaalde nieuwbouwwijken worden betiteld als beheergebieden. (Nieuwe) illegale bouwwerken in beheergebieden worden altijd aangepakt. […]

Overige gebieden

Nieuwe illegale bouwwerken bij particulieren worden altijd aangepakt. In geval van eigen constateringen wordt de aanpak van illegale bouwwerken die op het moment van constateren al langer dan 2 jaar aanwezig zijn opgeschort. In dat geval wordt de overtreding niet meer als "nieuw" beschouwd. Deze illegale bouwwerken komen aan de orde op het moment dat het gebied waarin het bouwwerk zich bevindt wordt geïnventariseerd in het kader van GIH. Wanneer er klachten of verzoeken tot handhaving binnenkomen over bouwwerken ouder dan 2 jaar maar gebouwd na 25 april 2004 wordt alleen met voorrang (eerder dan dat het gebied in het handhavingsprogramma is aangewezen) handhaving ingezet in de gevallen als omschreven onder geen actieve handhaving tenzij. […]