Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:620

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-02-2020
Datum publicatie
26-02-2020
Zaaknummer
201803156/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 mei 2015 heeft de raad van de gemeente Bergeijk de coördinatieregeling als bedoeld in artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing verklaard op de voorbereiding en bekendmaking van het bestemmingsplan "[locatie] en omgeving" (hierna: het plan) en twee omgevingsvergunningen voor de activiteiten bouwen en milieu ten behoeve van het oprichten van een pluimveehouderij, het bouwen van 4 pluimveestallen en 1 loods en het bouwen van een bedrijfswoning en garage (hierna: de twee omgevingsvergunningen) op het perceel [locatie] te Riethoven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/93
Milieurecht Totaal 2020/7112
OGR-Updates.nl 2020-0041
JGROND 2020/69 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
BR 2020/32 met annotatie van S.M. Schipper
JGROND 2020/107 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Jurisprudentie Grondzaken 2020/69 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Jurisprudentie Grondzaken 2020/107 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201803156/1/R2.

Datum uitspraak: 26 februari 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    Stichting Groen Kempenland, gevestigd te Netersel, gemeente Bladel, Stichting Milieu-Werkgroep Kempenland, gevestigd te Bergeijk, [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C], allen wonend te Riethoven, gemeente Bergeijk (hierna: Groen Kempenland en anderen),

2.    [appellant sub 2], wonend te Veldhoven,

appellanten,

en

1.    de raad van de gemeente Bergeijk,

2.    het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2015 heeft de raad de coördinatieregeling als bedoeld in artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) van toepassing verklaard op de voorbereiding en bekendmaking van het bestemmingsplan "[locatie] en omgeving" (hierna: het plan) en twee omgevingsvergunningen voor de activiteiten bouwen en milieu ten behoeve van het oprichten van een pluimveehouderij, het bouwen van 4 pluimveestallen en 1 loods en het bouwen van een bedrijfswoning en garage (hierna: de twee omgevingsvergunningen) op het perceel [locatie] te Riethoven.

Bij besluit van 25 januari 2018 heeft de raad het plan vastgesteld.

Bij besluiten van 25 januari 2018 heeft het college de twee omgevingsvergunningen verleend.

Tegen deze besluiten hebben Groen Kempenland en anderen en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [belanghebbende] en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant een schriftelijke uiteenzetting gegeven. 

Groen Kempenland en anderen, [appellant sub 2], het college van gedeputeerde staten en [belanghebbende] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 december 2019, waar Stichting Groen Kempenland, vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellant sub 1C], beiden bijgestaan door mr. J.E. Dijk, advocaat te Haarlem, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [appellant sub 1C], en de raad en het college, vertegenwoordigd door B. van Dorsten, bijgestaan door mr. J. van Vulpen, advocaat te Nijmegen, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbende], bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. E.F.M. Vos, als partij gehoord.

Krachtens artikel 8:64, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft de Afdeling het onderzoek ter zitting geschorst om het college van gedeputeerde staten in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te dienen. Het college van gedeputeerde staten heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en Groen Kempenland en anderen hebben op de door het college van gedeputeerde staten ingediende nadere stukken gereageerd. Op deze reactie hebben het college van gedeputeerde staten en [belanghebbende] gereageerd. Vervolgens hebben Groen Kempenland en anderen op de reacties van het college van gedeputeerde staten en van [belanghebbende] gereageerd.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna de Afdeling het onderzoek krachtens artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.    De bestreden besluiten voorzien in het oprichten van een door [belanghebbende] te exploiteren pluimveehouderij voor maximaal 85.000 vleeskuikens en een bedrijfswoning op het perceel van een voormalige rundveehouderij aan de [locatie] te Riethoven. De pluimveehouderij van [belanghebbende] is thans gevestigd op een andere locatie en moet worden verplaatst in verband met de aanleg van een nieuwe verbindingsweg, de provinciale weg N69.

    Groen Kempenland en anderen stellen dat de in de provinciale verordening vereiste sanering van andere dierenverblijven in verband met deze ontwikkeling niet heeft plaatsgevonden. De [familie] vreest dat de komst van de pluimveehouderij onaanvaardbare gevolgen zal hebben voor haar gezondheid, met name voor die van [appellant sub 1A].

Ontvankelijkheid van [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C]

2.    De raad, het college en [belanghebbende] stellen dat het beroep van Groen Kempenland en anderen, voor zover dat is ingediend door de [familie], niet ontvankelijk is. De [familie] woont op circa 950 m van het plangebied en heeft daarop geen zicht. Volgens de raad, het college en [belanghebbende] ondervindt de familie geen gevolgen van enige betekenis van de met de bestreden besluiten toegelaten activiteiten. Bovendien heeft [appellant sub 1A] tegen de ontwerpbesluiten geen zienswijze ingediend.

3.    Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

    Uit de overgelegde medische verklaringen over [appellant sub 1A] volgt dat zij vanwege haar specifieke gezondheidssituatie niet in staat is zelf een zienswijze in te dienen. In de zienswijze van haar ouders wordt uitdrukkelijk op de gevolgen van het plan voor hun dochter ingegaan. De zienswijze moet, gelet hierop, worden geacht mede te zijn ingediend door hun dochter. Het beroep van [appellant sub 1A] is dan ook ontvankelijk.

3.1.    In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

    Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Weliswaar woont de [familie] op een afstand van ongeveer 950 m van de locatie, maar gelet op de aard en omvang en de ruimtelijke uitstraling van de pluimveehouderij, onder meer in verband met geur- en fijnstof, is in dit geval niet uitgesloten dat zij daarvan op deze afstand feitelijke gevolgen kan ondervinden. De Afdeling vindt in de door [familie] overgelegde rapporten van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (hierna: de GGD) steun voor dit oordeel. De [familie] is belanghebbende, zodat zij beroep kan instellen tegen het bestreden besluit. Het beroep van de [familie] is derhalve ontvankelijk.

Ontvankelijkheid van [appellant sub 2]

4.    Zoals ook ter zitting is toegelicht, komt [appellant sub 2] uitsluitend op voor de belangen van zijn zus [appellant sub 1A] en niet voor zijn eigen belang. Als een betrokkene uitsluitend opkomt voor het belang van een ander, hoewel invoelbaar, komt hij niet op voor een eigen belang. [appellant sub 2] is daarom geen belanghebbende, zodat hij geen beroep kan instellen tegen het bestreden besluit. Het beroep van [appellant sub 2] is niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

5.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Beroepsgronden Stichting Groen Kempenland en anderen tegen het plan

Intrekking beroepsgronden

6.    Ter zitting hebben Groen Kempenland en anderen hun beroepsgronden over cumulatieve geurhinder en artikel 2 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) ingetrokken.

Artikel 26 Verordening ruimte Noord-Brabant; stalderingseis

7.    Groen Kempenland en anderen stellen dat het bestemmingsplan in strijd is met artikel 26 van de provinciale Verordening ruimte van 1 januari 2018 zoals geldend ten tijde van de bestreden besluiten (hierna: de Verordening) omdat niet is voldaan aan de eis dat een bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij elders is gesaneerd (stalderingseis). Het college van gedeputeerde staten heeft weliswaar een zogeheten stalderingsbewijs afgegeven, maar daaruit volgt niet dat binnen hetzelfde stalderingsgebied als waartoe de bouwlocatie behoort ten tijde van de bestreden besluiten een bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd, zoals vereist in artikel 26 van de Verordening.

    In het stalderingsbewijs wijkt het college van gedeputeerde staten volgens Groen Kempenland en anderen ten onrechte af van de Beleidsregel staldering Noord-Brabant (hierna: de Beleidsregel) die ter uitvoering van artikel 26 van de Verordening is vastgesteld. Het college van gedeputeerde staten vindt afwijking van de Beleidsregel gerechtvaardigd omdat er ten tijde van de aankoop van de huidige bedrijfslocatie van [belanghebbende] door de provincie nog geen stalderingsplicht bestond. Om die reden heeft de provincie in een aanvullende overeenkomst met [belanghebbende] de verplichting tot staldering overgenomen en zich verbonden om 9.475 m2 stalruimte elders in hetzelfde stalderingsgebied aan te kopen. Volgens Groen Kempenland en anderen staat, gelet hierop, niet vast dat ten tijde van de bestreden besluiten elders een dierenverblijf juridisch en feitelijk reeds is beëindigd. Nu geen ontheffing is verleend van deze verplichting is het plan in strijd met artikel 26 van de Verordening.

    Bovendien achten Groen Kempenland en anderen de afwijking van de Beleidsregel onvoldoende gemotiveerd. Dat de stalderingsplicht ten tijde van de aankoop van het bedrijfsperceel niet was voorzien, rechtvaardigt die afwijking niet, omdat in de Verordening bewust geen uitzondering is gemaakt voor lopende aanvragen. Dat de planning van de N69 onverminderd door moet gaan is volgens Groen Kempenland en anderen evenmin een rechtvaardiging, omdat ongewis is of het daarvoor vastgestelde provinciaal inpassingsplan in rechte in stand zal blijven. Ook voor het maken van een slag op milieugebied is het niet noodzakelijk dat het bedrijf zich op de nieuwe locatie moet kunnen vestigen, aldus Groen Kempenland en anderen.

7.1.     Anders dan Groen Kempenland en anderen stellen, overweegt de Afdeling dat geen onduidelijkheid bestaat of het provinciaal inpassingsplan voor de N69 in rechte in stand zal blijven, nu dit inpassingsplan met de uitspraak van 13 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1966, onherroepelijk is geworden.

7.2.    Artikel 26.1 van de Verordening luidt:

"26.1 Stalderingsgebied

1. In aanvulling op artikel 6.3, tweede lid, onder a en artikel 7.3, tweede lid, onder a (veehouderij) bepaalt een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding "Stalderingsgebied" dat de vestiging van of de omschakeling naar een hokdierhouderij alleen is toegestaan als bewijs is overlegd dat:

a. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;

b. de oppervlakte van de sanering onder a. tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;

c. de sanering onder a. plaatsvindt in directe samenhang met de vestiging of omschakeling naar hokdierhouderij en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling.

2. In aanvulling op artikel 6.3, tweede lid, onder a en artikel 7.3, tweede lid, onder a (veehouderij) bepaalt een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding "Stalderingsgebied" dat een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen het bouwperceel voor een hokdierhouderij, door het oprichten of het in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf, alleen is toegestaan als bewijs is overlegd dat:

a. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;

b. de oppervlakte van de sanering onder a. tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;

c. de sanering onder a. plaatsvindt in directe samenhang met het oprichten of in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling.

3. Het bewijs dat aan de voorwaarden van het eerste en tweede lid is voldaan, wordt uitgegeven door of namens gedeputeerde staten.

4. In afwijking van artikel 2, derde lid, wordt onder een bestaand dierenverblijf in het eerste en tweede lid verstaan een feitelijk aanwezig, legaal opgericht dierenverblijf dat op grond van een omgevingsvergunning milieu, ex artikel 2.1, eerste lid onder e Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, ex artikel 2, eerste lid, onder i Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, ex artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer, op 17 maart 2017 en de daaraan voorafgaande drie jaar onafgebroken bedrijfsmatig is gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren."

7.3.    Artikel 35, lid 3, van de Verordening luidt:

"Tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel26.1, tweede lid geldt binnen de aanduiding 'Stalderingsgebied' dat een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen een bouwperceel voor een hokdierhouderij, door het oprichten van een gebouw of het in gebruik nemen van een gebouw voor het houden van hokdieren, alleen is toegestaan als bewijs is overlegd dat:

a. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;

b. de oppervlakte van de sanering onder a. tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;

c. de sanering onder a. plaatsvindt in directe samenhang met het oprichten of in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling."

7.4.    Artikel 38.6 van de Verordening luidt:

"38.6 Algemene ontheffing

1. Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van de regels van deze verordening, voor zover de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen.

2. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden indien de betrokken provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

3. De aanvraag bedoeld in het eerste lid maakt onderdeel uit van het overleg bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waarbij in de toelichting van dat bestemmingsplan worden opgenomen:

a. een beschrijving van de mogelijke gevolgen van de ontheffing voor het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd;

b. een of meer verbeeldingen op kaart met een zodanige mate van nauwkeurigheid dat een duidelijk inzicht wordt verkregen van de plaats waarop de ontheffing betrekking heeft.

4. Op de voorbereiding van een ontheffing als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing met dien verstande dat deze voorbereiding onderdeel uitmaakt van de voorbereiding van het bestemmingsplan waarop het verzoek betrekking heeft. Burgemeester en wethouders sturen na afloop van de termijn van tervisielegging de tegen het voornemen ingebrachte zienswijzen onverwijld toe aan Gedeputeerde Staten, vergezeld van hun oordeel daaromtrent.

5. Gedeputeerde Staten beslissen binnen vier weken na ontvangst van de bescheiden als bedoeld in het vierde lid. De kennisgeving van het besluit tot ontheffing geschiedt tevens langs elektronische weg.

6. Indien Gedeputeerde Staten besluiten geen toepassing te geven aan het eerste lid, weigeren zij de ontheffing.

7. Gedeputeerde Staten houden bij de beslissing op de aanvraag om ontheffing rekening met de provinciale structuurvisie.

8. De toelichting bij een bestemmingsplan dat wordt vastgesteld na een verleende ontheffing bevat een afschrift van het ontheffingsbesluit, met inbegrip van de door Gedeputeerde Staten op grond van het tweede lid aan de ontheffing verbonden voorschriften, alsmede de in het derde lid bedoelde stukken.

9. Gedeputeerde Staten kunnen een ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken indien binnen twee jaar, te rekenen van de datum van de ontheffing, geen bestemmingsplan is vastgesteld met gebruikmaking van de ontheffing."

7.5.    Voor zover de raad en [belanghebbende] stellen dat niet aan het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:69a van de Awb is voldaan omdat artikel 26 van de Verordening niet strekt ter bescherming van de belangen van Groen Kempenland en anderen, volgt de Afdeling hen daarin niet.

    Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

    De stalderingsregeling in artikel 26 van de Verordening is, gezien de toelichting, bedoeld om leegstand en overconcentratie van intensieve veehouderij en de mogelijke nadelige gevolgen daarvan voor de natuurwaarden en de volksgezondheid in delen van Noord-Brabant, te voorkomen. Dat is ook een belang van Groen Kempenland en anderen. De Afdeling is van oordeel dat artikel 26 van de Verordening moet worden geacht mede te strekken ter bescherming van de belangen van Groen Kempenland en anderen. Het relativiteitsvereiste zoals neergelegd in artikel 8:69a van de Awb kan Groen Kempenland en anderen daarom niet worden tegengeworpen.

7.6.    Anders dan de raad en [belanghebbende] stellen, geldt voor lopende aanvragen niet dat de stalderingseis, gelet op de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 22 mei 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:2436, buiten toepassing moet worden gelaten omdat de Verordening wat betreft de stalderingsregeling volgens de rechtbank ten onrechte niet voorziet in overgangsrecht voor aanvragen om omgevingsvergunning die vóór inwerkingtreding van de Verordening waren ingediend. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak van 26 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1990, over het hoger beroep in voormelde zaak geoordeeld dat het college van burgemeester en wethouders ten onrechte toetsing aan de stalderingsregeling achterwege heeft gelaten. De Afdeling ziet in die tussenuitspraak, anders dan de rechtbank, geen aanleiding de stalderingsregeling buiten toepassing te laten. De Afdeling ziet in deze zaak geen aanleiding voor een ander oordeel.

7.7.    Niet in geschil is dat het plangebied binnen een stalderingsgebied ligt. De Afdeling stelt vast dat het bestemmingsplan in strijd met artikel 26.1 van de Verordening geen bepaling bevat over de stalderingsplicht. Dat ingevolge artikel 3, lid 3.2.3, aanhef en onder g, van de planregels een maximum is gesteld aan de oppervlakte van een dierenverblijf laat onverlet dat de stalderingsplicht niet is opgenomen in de planregels. Uit de bestreden besluiten valt voorts niet op te maken dat ten tijde van de vergunningverlening aan de stalderingsverplichting in artikel 35, lid 3, van de rechtstreeks werkende regels uit de Verordening is voldaan. Uit het door het college van gedeputeerde staten op 11 december 2017 afgegeven stalderingsbewijs blijkt dat de stalderingsmeters nog moesten worden aangekocht. Staldering heeft derhalve ten tijde van de bestreden besluiten nog niet plaatsgevonden. In artikel 26 en artikel 35, lid 3, van de Verordening is het toestaan van de oprichting van een dierenverblijf, waarin het bestreden besluit voorziet, afhankelijk gesteld van het bewijs dat ten behoeve van deze oprichting een bestaand dierenverblijf elders reeds is gesloopt of dat een herbestemming daarvan heeft plaatsgevonden. Dat bewijs was er ten tijde van de bestreden besluiten niet. Weliswaar is er door het college van gedeputeerde staten afgeweken van de verplichting in de Beleidsregel om een bewijs te overleggen dat daadwerkelijk is gestaldeerd, maar daarmee kan geen uitzondering worden gemaakt op de in artikel 26 en artikel 35 van de Verordening opgenomen stalderingsplicht omdat deze bepalingen zelf geen afwijkingsmogelijkheid kennen. Een algemene ontheffing op grond van artikel 38.6 van de Verordening ontbreekt eveneens.

    Nu gelet op het voorgaande ten tijde van de vaststelling van het plan niet aan de stalderingseis was voldaan, heeft de raad het plan naar het oordeel van de Afdeling in strijd met artikel 26 van de Verordening vastgesteld.

    Het betoog slaagt.

Vergunningplicht voor werken en werkzaamheden

8.    Groen Kempenland en anderen betogen dat de planregels over de vergunningplicht voor werken en werkzaamheden, zoals artikel 3, lid 3.6.2, anders dan in de zienswijzenota is toegezegd, niet zijn aangepast. Het niet aanpassen van deze planregels kan leiden tot rechtsonzekerheid en kan zo worden uitgelegd dat alle legale en illegale werken en werkzaamheden, die reeds plaatsvinden op het moment van het van kracht worden van het bestemmingsplan, zijn vrijgesteld van de vergunningplicht. Dit was volgens Groen Kempenland en anderen niet de bedoeling.

8.1.    Artikel 3, lid 3.6.2 van de planregels luidt:

"3.6.2 Uitzonderingen

De omgevingsvergunningplicht is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;

b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;

c. binnen het bouwvlak plaats vinden."

8.2.    Zoals de Afdeling in de uitspraak van 29 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1784, heeft overwogen, brengt een redelijke uitleg van het gelijkluidende aanlegvergunningenstelsel in die zaak met zich dat voor werken en werkzaamheden die op het tijdstip van het van kracht worden van het bestemmingsplan reeds in uitvoering zijn, slechts een uitzondering op het verbod om zonder vergunning werken en werkzaamheden uit te voeren geldt in de situatie dat daarvoor onder het voorheen geldende bestemmingsplan niet, maar onder het geldende bestemmingsplan wel een vergunningplicht bestaat. Nu bij deze uitleg kan worden aangesloten, is artikel 3, lid 3.6.2 van de planregels niet rechtsonzeker. Dat de raad volgens Groen Kempenland en anderen geen bezwaar ziet in verduidelijking van de planregel, doet daar niet aan af.

Specifieke situatie [familie]

9.    De [familie] woont op circa 950 m van het plangebied in de kern Riethoven. De GGD adviseert om binnen een afstand van 250 tot 1000 m tussen een intensieve veehouderij tot een woonkern een aanvullende gezondheidskundige risicobeoordeling te maken. Volgens de [familie] kunnen er gelet op deze afstand als gevolg van de realisering van de pluimveehouderij voor haar nadelige gezondheidseffecten ontstaan.

    Voorts wijst de [familie] op de specifieke medische situatie van [appellant sub 1A]. Zij lijdt aan een niet-aangeboren hersenletsel. Er mogen rondom haar woonomgeving, waarvan enkele vaste wandelroutes deel uitmaken, geen veranderingen komen. Ook is zij bijzonder kwetsbaar voor infecties. Door de ruimtelijke uitstraling van de intensieve veehouderij zal haar leefomgeving drastisch veranderen waardoor zij geen menswaardig leven meer heeft. Ter onderbouwing heeft de [familie] enkele medische verklaringen overgelegd.

    Door deze specifieke gezondheidssituatie niet in de besluitvorming te betrekken is het plan volgens de [familie] vastgesteld in strijd met het recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven zoals vervat in artikel 8 van het EVRM. Voorts is het plan volgens de [familie] vastgesteld in strijd met artikel 3:4 van de Awb, omdat de nadelige gevolgen van de bestreden besluiten voor [appellant sub 1A] onevenredig zijn in verhouding tot het belang bij verplaatsing van de veehouderij.

9.1.    Over het betoog over de nadelige gezondheidseffecten van de realisering van de pluimveehouderij voor de [familie], overweegt de Afdeling het volgende. Volgens het raadsvoorstel voldoet het plan aan de wettelijke eisen voor geur en fijnstof. Daarnaast volgt volgens de raad uit onderzoek dat het niet aannemelijk is dat de ontwikkeling van de locatie aan de [locatie] zal leiden tot een overschrijding van de advieswaarde van de Gezondheidsraad, niet door de individuele emissie van fijnstof-endotoxine en ook niet door cumulatie. Omwonenden zullen worden blootgesteld aan (ruim) lagere waarden dan de advieswaarde van de Gezondheidsraad van 30 EU/m³, aldus de raad.

    Gelet hierop en gezien de afstand tot de woning bestaat geen grond voor het oordeel dat het plan leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat van de [familie].

9.2.    Over het betoog over de specifieke gezondheidssituatie van [appellant sub 1A], overweegt de Afdeling dat de specifieke gezondheidssituatie van [appellant sub 1A] in de besluitvorming is betrokken. Met betrekking tot het betoog over artikel 8 van het EVRM overweegt de Afdeling dat in het eerste lid van dat artikel is bepaald dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. In het tweede lid is bepaald dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

             Voor zover de bestreden besluiten beschouwd kunnen worden als een inmenging in de rechten, neergelegd in artikel 8, eerste lid, van het EVRM, overweegt de Afdeling dat deze haar grondslag vinden in de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening. De inmenging van de overheid is derhalve bij wet voorzien en moet worden aangemerkt als noodzakelijk in het belang van de bescherming van de openbare veiligheid, de gezondheid en de rechten en vrijheden van anderen, waarbij een eerlijke afweging heeft plaats gevonden tussen de belangen van het individu enerzijds, en die van de gemeenschap als geheel anderzijds. Overeenkomstig de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening genomen besluiten kunnen alleen dan geacht worden in strijd te zijn met artikel 8 van het EVRM, wanneer zich omstandigheden voordoen waardoor als gevolg van deze besluiten een zodanige mate van milieuhinder kan worden ondervonden, dat deze zou moeten worden beschouwd als een niet gerechtvaardigde of disproportionele inbreuk op de door artikel 8 van het EVRM beschermde rechten. Daarvan is echter in onderhavig geval geen sprake.

    Voor zover sprake is van een op de raad of het college rustende positieve verplichting om redelijke en gepaste maatregelen te nemen ter bescherming van de in artikel 8, eerste lid, van het EVRM neergelegde rechten, kan niet worden geoordeeld dat zij daarin te kort zijn geschoten.

9.3.    De raad stelt dat het algemeen maatschappelijke belang van een tijdige verplaatsing van het bedrijf van [belanghebbende] in verband met de aanleg van de N69 zwaarder weegt dan het belang van [appellant sub 1A]. Volgens de raad is aangetoond dat ter plaatse van haar woning een goed woon- en leefklimaat is. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling hoeft bij de vaststelling van bestemmingsplannen geen rekening te worden gehouden met bijzondere gevoeligheid. Ook valt volgens de raad niet in te zien waarom er geen alternatieve wandelroutes rondom haar woonomgeving zijn waarvan zij gebruik kan maken.

9.4.    De Afdeling overweegt dat bij de vaststelling van een ruimtelijk plan moet worden beoordeeld of een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Deze beoordeling moet worden verricht aan de hand van objectieve maatstaven. In het licht hiervan hoeft bij de vaststelling van een bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden met de bijzondere gevoeligheid van mensen (vergelijk in dit verband ook de uitspraak van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3524, r.o. 25.2). Dit betekent dat de raad bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan en de daarbij af te wegen belangen geen rekening hoefde te houden met de bijzondere gevoeligheid van [appellant sub 1A].

    Zoals hiervoor is overwogen bestaat er geen grond voor het oordeel dat het plan leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat van de [familie].

    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad de belangen van [appellant sub 1A] voldoende in de besluitvorming betrokken. Ter zitting is door de moeder van [appellant sub 1A] toegelicht dat zij geen enkele verandering in de omgeving van haar wandelroutes aankan. De raad heeft zich rekenschap gegeven van dit belang. In de belangenafweging die de raad op grond van artikel 3.1 van de Wro uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening in redelijkheid kon maken ligt besloten dat ook de voor [appellant sub 1A] nadelige gevolgen van het plan in verhouding tot het met dit plan te dienen doel zijn afgewogen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de bijzondere gevoeligheid heeft de raad aan dit belang in redelijkheid geen doorslaggevend gewicht hoeven toe te kennen.

9.5.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 8 van het EVRM of artikel 3:4 van de Awb is vastgesteld. Het betoog faalt.

Conclusie

10.    Het beroep van [appellant sub 2] is niet-ontvankelijk.

    In hetgeen Groen Kempenland en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "[locatie] en omgeving" is genomen in strijd met artikel 26 van de Verordening. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Beroepsgronden Stichting Groen Kempenland en anderen tegen de twee omgevingsvergunningen

11.    Groen Kempenland en anderen stellen dat de omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen nooit verleend hadden mogen worden omdat het aan die vergunningen ten grondslag gelegde bestemmingsplan in strijd is met artikel 26 van de Verordening.

11.1.    Zoals hiervoor is overwogen dient het bestemmingsplan wegens strijd met artikel 26 van de Verordening te worden vernietigd. Dat betekent dat de omgevingsvergunningen niet op dit plan konden worden gebaseerd. Bovendien is onder 7.5 overwogen dat staldering ten tijde van de bestreden besluiten nog niet had plaatsgevonden. De omgevingsvergunningen zijn daarmee verleend in strijd met artikel 35, lid 3, van de rechtstreeks werkende regels uit de Verordening. Het beroep is gegrond, zodat de omgevingsvergunningen eveneens dienen te worden vernietigd.

In stand laten rechtsgevolgen

12.    De Afdeling ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb geheel in stand te laten en overweegt hiertoe het volgende.

12.1.    Volgens het college van gedeputeerde staten is inmiddels aan de stalderingseis als bedoeld in de artikelen 26.1 en 35, lid 3 van de Verordening voldaan. Daartoe verwijst hij naar zijn brief van 4 december 2019 waarin wordt aangegeven dat de benodigde stalderingsmeters ten behoeve van de ontwikkeling zijn verworven en dat bij overeenkomst is vastgesteld dat deze meters worden gesaneerd. Dit is door Groen Kempenland en anderen betwist. Ter zitting hebben zij aangegeven dat niet is voldaan aan de eis dat binnen het stalderingsgebied een bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd als bedoeld in artikel 26.1 en artikel 35, lid 3, van de Verordening. Met name is volgens hen niet aangetoond dat het bij de opgegeven bedrijven die ten behoeve van deze ontwikkeling zijn gesloopt of herbestemd gaat om feitelijk aanwezige, legaal opgerichte dierenverblijven die op grond van milieuvergunningen op 17 maart 2017 en de daaraan voorafgaande drie jaar onafgebroken bedrijfsmatig zijn gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren als bedoeld in artikel 26, vierde lid, van de Verordening.

12.2.    Bij brief van 13 december 2019  heeft het college van gedeputeerde staten ter onderbouwing van zijn standpunt nadere stukken overgelegd waaruit volgens hem volgt dat de dierenbedrijven overeenkomstig artikel 26, vierde lid, van de Verordening in de drie jaren voorafgaand aan 17 maart 2017 in bedrijf waren. Het betreft met name gecombineerde opgaven van de betreffende bedrijven over de jaren 2015, 2016 en 2017.

    Bij brief van 23 december 2019 hebben Groen Kempenland en anderen betwist dat op de overgelegde adressen sprake is van een feitelijk aanwezig, legaal opgericht dierenverblijf dat op grond van een milieuvergunning drie jaar voorafgaande aan 17 maart 2017 onafgebroken bedrijfsmatig is gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren. Daartoe hebben zij onder andere aangevoerd dat onduidelijk is of in alle gevallen sprake is van een legale, vergunde situatie.

    Volgens de reactie van het college van gedeputeerde staten van 2 januari 2020 geldt onder de Verordening, zoals die in 2017 is vastgesteld, dat de planologische regeling bepalend is. Als het bestemmingsplan het gebruik van het gebouw als dierenverblijf voor hokdieren toelaat, is er sprake van een dierenverblijf. Bestaande gebruiksmogelijkheden worden gerespecteerd mits er aantoonbaar ook sprake is van een feitelijk gebruik voor een hokdierhouderij. In de recent vastgestelde Interim Omgevingsverordening is de stalderingsregeling aangepast en is uitdrukkelijk bepaald dat een dierenverblijf alleen ingebracht kan worden als daarvoor ook de milieutoestemming is verleend. Onderhavige besluiten zijn echter gebaseerd op de in 2017 vastgestelde regeling, aldus het college.

12.3.    Dit standpunt van het college volgt de Afdeling niet. Zoals Groen Kempenland en anderen bij brief van 16 januari 2020 terecht hebben gesteld mogen, gelet op artikel 26, lid 4, van de in 2017 vastgestelde en op 1 januari 2018 geldende, gelijkluidende Verordening, welke bepaling in artikel 35, lid 7, van overeenkomstige toepassing is verklaard voor de toepassing van de rechtstreeks werkende regels voor omgevingsvergunningen, niet alle dierenverblijven, waarvan het gebruik voor het houden van hokdieren volgens het bestemmingsplan is toegelaten, voor de stalderingsregeling worden gebruikt. Ingevolge deze bepaling wordt onder een bestaand dierenverblijf in het eerste en tweede lid verstaan een feitelijk aanwezig, legaal opgericht dierenverblijf dat op grond van een omgevingsvergunning milieu, ex artikel 2.1, eerste lid onder e Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, ex artikel 2, eerste lid, onder i Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, ex artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer, op 17 maart 2017 en de daaraan voorafgaande drie jaar onafgebroken bedrijfsmatig is gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren. Het vereiste van een milieutoestemming gold derhalve ook in de in 2017 en 2018 geldende Verordening. Bovendien gaat het college met zijn standpunt dat de onderhavige besluiten zijn gebaseerd op de in 2017 vastgestelde regeling er aan voorbij dat bij de beoordeling of de rechtsgevolgen van een vernietigd besluit in stand moeten worden gelaten dient te worden uitgegaan van de op het moment van de uitspraak geldende feiten en omstandigheden en het dan geldende recht (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 oktober 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF8977, overweging 2.9.1.). Thans geldt de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Met de door het college van gedeputeerde staten overgelegde stukken is niet aangetoond dat wordt voldaan aan de stalderingseisen in die verordening.

    Reeds hierom bestaat geen aanleiding de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand te laten.

12.4.    De Afdeling ziet geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb een bestuurlijke lus toe te passen, zoals door [belanghebbende] is verzocht, omdat er geen inzicht bestaat in de inspanningen en tijd die nodig zijn om een nieuw besluit te nemen in overeenstemming met de eisen van de dan geldende verordening.

12.5.    Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad en het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

13.    De raad dient ten aanzien van Groen Kempenland en anderen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep van Stichting Groen Kempenland, Stichting Milieu-Werkgroep Kempenland, [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] gegrond;

III.    vernietigt het besluit van de raad van Bergeijk van 25 januari 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "[locatie] en omgeving" en de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk van 25 januari 2018 tot verlening van twee omgevingsvergunningen voor de activiteiten bouwen en milieu ten behoeve van het oprichten van een pluimveehouderij, het bouwen van 4 pluimveestallen en 1 loods en het bouwen van een bedrijfswoning en garage op het perceel [locatie] te Riethoven;

IV.    draagt de raad van Bergeijk op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel III, voor zover het betreft het bestemmingsplan, wordt verwerkt op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

V.    veroordeelt de raad en het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk tot vergoeding van bij Stichting Groen Kempenland, Stichting Milieu-Werkgroep Kempenland, [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten, met dien verstande dat bij betaling door één van hen, de bestuursorganen aan hun betalingsverplichting hebben voldaan, tot een bedrag van € 1.312,50 (zegge: dertienhonderdtwaalf euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen, de bestuursorganen aan hun betalingsverplichting hebben voldaan;

VI.    gelast dat de raad en het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk aan Stichting Groen Kempenland, Stichting Milieu-Werkgroep Kempenland, [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt, met dien verstande dat bij betaling door één van hen, de bestuursorganen aan hun betalingsverplichting hebben voldaan, ten bedrage van € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen, de bestuursorganen aan hun betalingsverplichting hebben voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. P.H.A. Knol, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, griffier.

w.g. Uylenburg    w.g. Boermans

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2020

429-875.