Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:590

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-02-2020
Datum publicatie
26-02-2020
Zaaknummer
201801850/3/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Derde herziening bestemmingsplan Buitengebied" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2020/7110
OGR-Updates.nl 2020-0049
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201801850/3/R2.

Datum uitspraak: 26 februari 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak, onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van

artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Deurne,

2.    De Peelrand B.V., gevestigd te Deurne, en anderen,

3.    [appellant sub 3], wonend te Helenaveen, gemeente Deurne,

4.    [appellante sub 4], gevestigd te Deurne,

5.    [appellant sub 5], wonend te Deurne,

6.    [appellante sub 6], gevestigd te Deurne,

7.    [appellante sub 7A], gevestigd te Deurne, en [appellant sub 7B], wonend te Deurne,

8.    [appellante sub 8], gevestigd te Deurne,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Deurne,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Derde herziening bestemmingsplan Buitengebied" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder andere [appellant sub 1], De Peelrand B.V. en anderen, [appellant sub 3], [appellante sub 4], [appellant sub 5], [appellante sub 6], [appellante sub 7A] en [appellant sub 7B], en [appellante sub 8] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 3], De Peelrand B.V. en anderen, [appellante sub 6], [appellante sub 7A] en [appellant sub 7B] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 november 2019, waar De Peelrand B.V. en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en bijgestaan door mr. A.M. Plooij, advocaat te Helmond, [appellant sub 3], bijgestaan door mr. M.M.H. van Kuijk, rechtsbijstandverlener te 's Hertogenbosch, [appellante sub 4], vertegenwoordigd door [gemachtigde B], [appellant sub 5], vertegenwoordigd door mr. M.H. Smit, rechtsbijstandverlener te Tilburg, [appellante sub 6], [appellante sub 7A] en [appellant sub 7B], allen vertegenwoordigd door mr. M.H.M.E. Rampen, rechtsbijstandverlener te Heythuysen, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.G.M. Claessens en mr. C.C. van Vliet, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Artikel 8:51d van de Awb luidt, voor zover thans van belang: "Indien de bestuursrechter in hoogste aanleg uitspraak doet, kan hij het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen."

Inleiding

2.    Het plan is de derde herziening van het op 11 december 2007 door de raad vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied" en volgt het op 28 januari 2014 door de raad vastgestelde plan "Tweede herziening bestemmingsplan Buitengebied" op. Het plangebied beslaat het hele buitengebied van de gemeente Deurne. Met het plan wordt de aangepaste Verordening ruimte Noord-Brabant (hierna: de Verordening) verwerkt in de planregels, wordt gemeentelijk beleid in het plan vastgelegd - waaronder de omvorming van het "landbouwontwikkelingsgebied" (hierna: LOG) naar een kleiner "primair agrarisch gebied" (hierna: Primag) - en is een vereenvoudiging van de regels doorgevoerd.

    Tegen het plan zijn 32 beroepen ingesteld. De meesten die beroep hebben ingesteld richten zich tegen de planregeling voor hun eigen gronden. De Afdeling heeft in dit geval niet ervoor gekozen om alle beroepen op één zitting te behandelen en in één uitspraak op te nemen, maar die beroepen op meerdere afzonderlijke zittingsdagen te behandelen en de beroepen per zittingsdag in één uitspraak op te nemen. In deze uitspraak komen 8 beroepen aan de orde.

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellant sub 1]

4.    [appellant sub 1] is eigenaar van twee percelen aan de [locatie 1] in Deurne. Het grootste deel van de gronden is in het plan opgenomen. Aan die gronden is de bestemming "Agrarisch" toegekend. Het zuidoostelijk deel van zijn percelen, met een oppervlakte van 300 m2, grenst aan de N270. Deze gronden zijn niet in het plan opgenomen. Volgens [appellant sub 1] zijn de gronden die aan de N270 grenzen ten onrechte buiten het plangebied gelaten en opgenomen in het ontwerpplan voor de herinrichting van de N270. Hierdoor zijn de percelen in twee bestemmingsplannen komen te liggen. Hij stelt dat hij zijn gronden die aan de N270 grenzen niet wil verkopen en dat de gemeente ook niet heeft gezegd die te gaan onteigenen. Deze gronden moeten daarom in dit plan worden opgenomen en de agrarische bestemming behouden, zodat hij die kan blijven gebruiken voor zijn agrarische bedrijf.

4.1.    De raad komt beleidsruimte toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze ruimte strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft bij de vaststelling van dit plan als uitgangspunt genomen dat de locaties waarvoor een ander bestemmingsplan in voorbereiding was, niet in het plan zijn opgenomen. Omdat ook voor de gronden van [appellant sub 1] die aan de N270 grenzen een ander bestemmingsplan in voorbereiding is, heeft de raad die gronden niet in het plan "Derde herziening bestemmingsplan Buitengebied" opgenomen. Dit andere bestemmingsplan betreft "N270 Langstraat" voor de reconstructie van de provinciale weg N270, waarvan het ontwerp is vastgesteld ten tijde van de vaststelling van het voorliggende plan. De Afdeling acht dat standpunt van de raad niet onredelijk.

    Anders dan [appellant sub 1] veronderstelt, zou vernietiging van de begrenzing van het voorliggende plan niet ertoe leiden dat daarmee de agrarische bestemming van zijn gronden langs de N270 behouden blijft. De bestemming daarvan wordt immers niet in het voorliggende plan, maar in een ander plan gewijzigd. Het enkele feit dat zijn gronden onderdeel uitmaken van twee verschillende bestemmingsplannen, is op zichzelf onvoldoende voor het oordeel dat de gekozen begrenzing in strijd met een goede ruimtelijke ordening is.

    Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat de eigendomssituatie aan een bestemmingswijziging in de weg staat, omdat hij zijn gronden niet wil verkopen en de raad geen voornemen tot onteigening heeft uitgesproken, overweegt de Afdeling dat dit een beroepsgrond betreft tegen de toekenning van een verkeersbestemming in het plan "N270 Langstraat". Tegen dat plan heeft [appellant sub 1] ook beroep ingesteld. De agrarische bestemming die in het voorgaande plan aan zijn gronden die aan de N270 grenzen was toegekend wordt niet met het voorliggende plan gewijzigd en daarom kan de beroepsgrond over de verkeersbestemming in deze procedure niet aan de orde komen. Het betoog slaagt niet.

Het beroep van De Peelrand B.V. en anderen

Plattelandswoning

5.    De Peelrand B.V. en anderen exploiteren aan de Goorsebergweg 12 in Deurne een pelsdierhouderij en een vollegrondsteeltbedrijf. Zij betogen dat aan de bedrijfswoning die op hun gronden staat ten onrechte geen aanduiding als plattelandswoning is toegekend in het plan. Volgens hen zullen de huidige bedrijfsactiviteiten binnen afzienbare tijd wijzigen. In elk geval moet het houden van pelsdieren vanwege de Wet verbod pelsdierhouderij per 1 januari 2024 gestopt worden, maar zij overwegen om alle agrarische activiteiten stop te zetten. Om zich voor te bereiden op deze toekomstige wijzigingen, willen De Peelrand B.V. en anderen dat de bedrijfswoning een aanduiding als plattelandswoning krijgt. Ter zitting is toegelicht dat een plattelandswoning voor hen de mogelijkheid biedt om eventueel in de toekomst hun resterende agrarische bedrijf te verkopen en zelf in de bedrijfswoning te blijven wonen of het bedrijf en de bijbehorende bedrijfswoning aan verschillende partijen te verkopen. Dat vanwege het agrarische bedrijf geen woonbestemming aan de gronden kan worden toegekend, wil volgens hen niet zeggen dat de raad heeft kunnen volstaan met toekenning van een agrarische bestemming. In dat verband verwijzen zij naar een uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:868. De raad heeft volgens De Peelrand B.V. en anderen niet inzichtelijk gemaakt waarom hij heeft afgezien van de toekenning van een aanduiding als plattelandswoning. Met het rapport "Toetsing woon- en leefklimaat. Voor het omzetten van een bedrijfswoning naar een plattelandswoning aan de Goorsebergweg 12 te (5752 PX) Deurne" van bureau ROBA Advies B.V. van augustus 2017 is volgens hen aangetoond dat er geen ruimtelijke reden bestaat om de aanduiding als plattelandswoning niet toe te kennen, zo stellen De Peelrand B.V. en anderen. Volgens hen wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor een plattelandswoning.

5.1.    De raad stelt dat het opnemen van een regeling waarbij gebruik van een agrarische bedrijfswoning voor burgerbewoning wordt toegestaan - de plattelandswoning - geen toekomstbestendige oplossing is. Volgens de raad kan op grond van artikel 1.1a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) een agrarische bedrijfswoning uitsluitend als plattelandswoning worden aangemerkt als ter plaatse of in de directe omgeving een agrarisch bedrijf in werking is. Ter zitting is door de raad erkend dat De Peelrand B.V. en anderen door het moeten beëindigen van hun nertsenhouderij per 1 januari 2024 in een lastige situatie verkeren, maar als vanaf 2024 ter plaatse geen agrarisch bedrijf meer wordt geëxploiteerd zou dit volgens de raad ertoe leiden dat de feitelijke situatie die dan ontstaat in strijd is met het bestemmingsplan en met artikel 1.1a van de Wabo. De raad verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4653.

5.2.    De raad stelt zich terecht op het standpunt - gezien zijn beleidsruimte bij de vaststelling van een bestemmingsplan - dat hij niet gehouden is om gebruik te maken van de wettelijke mogelijkheid die artikel 1.1a van de Wabo biedt voor het bestemmen van een in het buitengebied gelegen woning tot plattelandswoning, omdat de tekst van deze wetsbepaling daartoe niet verplicht. Dat neemt niet weg dat de keuze van de raad om een dergelijke woning niet te bestemmen als plattelandswoning deugdelijk moet worden gemotiveerd.

    De Afdeling volgt de raad niet in het standpunt dat een aanduiding van een agrarische bedrijfswoning in een bestemmingsplan als plattelandswoning in de toekomst ertoe kan leiden dat strijd met het bestemmingsplan of met artikel 1.1a van de Wabo ontstaat als het bijbehorende agrarische bedrijf zou stoppen. Aan dat standpunt van de raad ligt de veronderstelling ten grondslag dat de wettelijke regeling voor plattelandswoningen in artikel 1.1a van de Wabo uitsluitend van toepassing is als ter plaatse sprake is van een feitelijk aanwezige en in werking zijnde landbouwinrichting. Dit standpunt van de raad is in zoverre juist dat de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:868, dat de regeling voor plattelandswoningen uit artikel 1.1a van de Wabo niet van toepassing is op de situatie dat de landbouwinrichting is opgeheven en vanwege de toegekende planologische bestemming ter plaatse ook niet meer kan worden (her)opgericht.

    De verwijzing van de raad naar de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4653, biedt echter geen steun voor zijn standpunt dat een planregeling voor een plattelandswoning in het geval van De Peelrand B.V. en anderen geen toekomstbestendige oplossing zou zijn. In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de zinsnede "een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting" uit artikel 1.1a van de Wabo met zich brengt dat de raad een woning in twee situaties met het oog op bewoning door een derde kan bestemmen als plattelandswoning. Enerzijds gaat het om de situatie dat een bedrijfswoning feitelijk nog als bedrijfswoning wordt gebruikt. Anderzijds gaat het om de situatie dat een bedrijfswoning feitelijk door een derde wordt bewoond. In beide gevallen wordt de plattelandswoning aangemerkt als onderdeel van een bestaande landbouwinrichting. Daaruit volgt dat het feit dat nu nog geen sprake is van bewoning van een agrarische bedrijfswoning door een derde, niet afdoet aan de toepasbaarheid van artikel 1.1a, van de Wabo.

    Bovendien moet - gelet op overweging 4.3 van de hiervoor genoemde uitspraak van 29 maart 2017 - de uitspraak van 24 december 2014 zo begrepen worden, dat daaruit volgt dat artikel 1.1a van de Wabo niet van toepassing is op de situatie dat een landbouwinrichting feitelijk gestaakt is en die planologisch ook niet meer kan worden heropgericht. De omstandigheid dat alleen feitelijk geen in werking zijnde landbouwinrichting aanwezig is, betekent dus niet dat de regeling voor plattelandswoningen uit artikel 1.1a van de Wabo niet van toepassing is. Daarvan is in ieder geval sprake zolang het geldende bestemmingsplan ter plaatse een agrarisch bedrijf mogelijk maakt. De keuze van de raad om geen planologische medewerking te willen verlenen aan een plattelandswoning voor De Peelrand B.V. en anderen berust daarmee op een onjuiste uitleg van de reikwijdte van de regeling uit artikel 1.1a van de Wabo.

5.3.    Het betoog van De Peelrand B.V. en anderen begrijpt de Afdeling zo dat zij een planregeling wensen die bewoning van hun agrarische bedrijfswoning door derden in het algemeen toestaat en deze vorm van bewoning dus niet beperkt is tot persoonsgebonden overgangsrecht. Het alsnog toekennen van de aanduiding "overige zone - Primag" of "overige zone - woonrechtzone" zou in zoverre slechts ten dele aan hun wens tegemoetkomen.

    Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft de raad aan zijn keuze om af te zien van het opnemen van een planregeling die bewoning door elke derde toestaat voor de agrarische bedrijfswoning op de gronden van De Peelrand B.V. en anderen onvoldoende gemotiveerd. Het betoog slaagt.

5.4.    Aan het einde van deze uitspraak is vermeld wat hiervan het gevolg is voor het bestreden besluit.

Statische opslag

6.    De Peelrand B.V. en anderen betogen dat op hun gronden ten onrechte geen statische opslag is toegelaten. Als de agrarische activiteiten op hun gronden stoppen, zullen de agrarische bedrijfsgebouwen leeg komen te staan. Dat zal in elk geval gebeuren na de gedwongen beëindiging van hun pelsdierhouderij per 1 januari 2024. Volgens hen staat de Verordening niet aan het mogelijk maken van statische opslag ter plaatse in de weg.

6.1.    De Verordening staat inderdaad statische opslag toe, maar dat betekent niet dat de raad ook gehouden is om dit in een bestemmingsplan mogelijk te maken. Niet in geschil is dat statische opslag ter plaatse niet is toegestaan. De raad heeft toegelicht dat hij ter plaatse geen statische opslag mogelijk maakt, omdat dit op basis van zijn Ruimte voor Dynamiek-beleid niet langer wordt gezien als een wenselijke functie in het buitengebied. In paragraaf 2.5.2 van de plantoelichting staat over dit beleid vermeld dat statische opslag per definitie plaatsvindt in vrijgekomen agrarische gebouwen. Het toestaan van statische opslag heeft daarmee een averechts effect, want de ontwikkeling van nieuwe economische dragers wordt niet gestimuleerd en er vindt geen sloop plaats van voormalige agrarische gebouwen. Op die manier wordt het gewenste vitale en dynamische platteland niet gerealiseerd. Ook vindt er dan geen kwaliteitsverbetering plaats. Dit heeft ertoe geleid dat statische opslag niet langer mogelijk wordt gemaakt, zo staat in de plantoelichting.

    In dit plan heeft de raad op grond van zijn beleid afgezien om nieuw gebruik voor statische opslag bij recht toe te staan. De Afdeling acht dit beleid - gezien de ruimtelijke motieven die daaraan ten grondslag liggen - op zichzelf niet onredelijk. In de omstandigheid dat De Peelrand B.V. en anderen het standpunt innemen dat zij niet zullen overgaan tot de sloop van de agrarische bedrijfsgebouwen, heeft de raad geen aanleiding hoeven zien om van zijn beleid om geen nieuwe statische opslag toe te staan af te wijken. Het beleid is immers niet uitsluitend gericht op sloop van voormalige agrarische gebouwen, maar ook op het stimuleren van nieuwe economische dragers. Het betoog slaagt niet.

    Overigens heeft de raad ter zitting toegelicht dat maatwerk voor statische opslag wel mogelijk is door middel van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3, van de Wabo.

Het beroep van [appellant sub 3]

7.    [appellant sub 3] woont aan de [locatie 2] in Helenaveen. De westkant van zijn perceel grenst aan het water van de Helenavaart. Hij is het niet eens met het plan, omdat daarin een fietsverbinding over het water langs zijn perceel mogelijk wordt gemaakt. Volgens hem heeft de raad hierbij ten onrechte zijn belangen niet meegewogen. Een vlonder, direct langs de voortuin van zijn huis, zal volgens hem leiden tot ernstige aantasting van zijn woongenot en privacy. De raad heeft ook niet gemotiveerd waarom een fietsverbinding op die locatie ruimtelijk aanvaardbaar zou zijn. Volgens [appellant sub 3] zijn er ook concrete plannen om de fietsverbinding ter plaatse te realiseren. Dit blijkt uit een e-mail van een ambtenaar van de provincie aan [appellant sub 3]. In die mail staat dat na aanpassing van het bestemmingsplan en bij financiering een technisch ontwerp voor een fietsvlonder wordt gemaakt en de uitvoering na het onherroepelijk worden van het plan kan starten. In een nader stuk heeft [appellant sub 3] ook een tekening overgelegd die afkomstig is van de provincie en waarop een fietsvlonder door de Helenavaart is te zien langs zijn woning. Het was daarom bij de raad al bekend dat de provincie voornemens is een fietsvlonder door de Helenvaart langs zijn gronden aan te leggen, aldus [appellant sub 3].

    Tevens betoogt [appellant sub 3] dat de noodzaak voor een fietsverbinding over de Helenavaart niet inzichtelijk is gemaakt en wijst in dit verband erop dat aan de overzijde reeds een fietspad aanwezig is.

    [appellant sub 3] betoogt verder dat volgens hem niet is onderzocht hoe het bestemmen voor dergelijke voorzieningen zich verhoudt tot de dubbelbestemming "Waarde - Attentiegebied NNB", die ook aan het water ter plaatse is toegekend.

7.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat een vlondervoorziening als passend beschouwd wordt binnen de bestemming 'Water' van dit bestemmingsplan. Er was op het moment van vaststelling van het plan geen locatie voor een fietsvlonder bepaald. Daarom is destijds geen specifieke afweging gemaakt over een fietsvlonder naast de tuin van [appellant sub 3], aldus de raad.

7.2.    Aan het water van de Helenavaart is de bestemming "Water" en de dubbelbestemming "Waarde - Attentiegebied NNB" toegekend. Op grond van artikel 16, lid 16.1, aanhef en onder d, van de planregels zijn delen met deze bestemming onder andere bestemd voor bruggen en overige voorzieningen ten behoeve van recreatieve fietsverbindingen zoals bijvoorbeeld een vlondervoorziening. Dit geldt voor alle gronden in het plangebied waaraan de bestemming "Water" is toegekend. Hoewel de raad terecht stelt dat in het plan geen specifieke locatie is aangewezen voor een nieuwe fietsverbinding over het water, maakt plan met de bestemming "Water" die wel mogelijk in de Helenavaart. Uit de overgelegde stukken blijkt ook dat ten tijde van de vaststelling van het plan reeds concrete plannen bestonden voor de aanleg van een fietsvlonder in de Helenavaart naast de woning van [appellant sub 3]. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat de raad de mogelijke ruimtelijke effecten daarvan heeft afgewogen tegen de belangen van [appellant sub 3]. Evenmin geeft het bestreden besluit inzicht in de noodzaak voor een fietsvlonder in de Helenavaart op de beoogde locatie.

    Verder is in het besluit niet gemotiveerd dat de toegekende bestemming in overeenstemming is met de artikelen 5 en 12 van de Verordening. Gelet op de ter plaatse toegekende aanduiding "Attentiegebied Natuur Netwerk Brabant", moet het plan voldoen aan artikel 12 van de Verordening. Anders dan de raad ter zitting heeft gesteld, moet behalve aan artikel 12 ook worden voldaan aan artikel 5 van de Verordening, omdat het door [appellant sub 3] bestreden plandeel binnen het Natuur Netwerk Brabant ligt. Artikel 12 van de Verordening geldt in aanvulling op hoofdstuk 3 uit de Verordening. In dat hoofdstuk is voor het Natuur Netwerk Brabant artikel 5 opgenomen, dat dus in dit geval eveneens van toepassing is.

    Gelet op het voorgaande berust het besluit, voor zover het gaat om het plandeel met de bestemming "Water" dat ziet op het deel van de Helenavaart dat grenst aan de gronden van [appellant sub 3], niet op een deugdelijke motivering. Het betoog slaagt.

7.3.    Aan het einde van deze uitspraak is vermeld wat hiervan het gevolg is voor het bestreden besluit.

De beroepen van [appellante sub 6], [appellante sub 7A] en [appellant sub 7B]

8.    [appellante sub 6] exploiteert een vleeskuikenhouderij aan de [locatie 3] en [appellante sub 7A] exploiteert een vleeskuikenhouderij aan de [locatie 4] in Deurne. Zij zijn het niet eens met het plan, omdat daarin geen planologische regeling is opgenomen voor een opvang- en lozingsvoorziening - bestaande uit een waterzak en voorreiniging - die op beide percelen aanwezig is. Dit terwijl in de Nota van zienswijzen is vermeld dat artikel 3, lid 3.5.9 wordt aangepast, zodat dergelijke voorzieningen zijn toegestaan op een bouwperceel. Volgens hen zijn de voorzieningen in het vastgestelde plan niet als zodanig bestemd, omdat geen aanpassing van de planregels heeft plaatsgevonden en bovendien de twee voorzieningen niet zijn aan te merken als verhardingen. Ook ontbreekt de daarvoor benodigde aanduiding in de verbeelding ter plaatse van deze voorzieningen.

8.1.    In het vaststellingsbesluit staat dat de raad heeft besloten het bestemmingsplan gewijzigd vast te stellen overeenkomstig de Nota van zienswijzen. Daarin staat onder andere dat in het plan een regeling voor de percelen aan de [locatie 3] en de [locatie 4] zal worden opgenomen die opvang- en lozingsvoorzieningen ter plaatse toestaat door toevoeging van onderdeel c aan artikel 3, lid 3.5.9, van de planregels. Ter zitting heeft de raad verklaard dat naast aanpassing van artikel 3, lid 3.5.9, ook een specifieke aanduiding aan de percelen zou worden toegekend.

    De Afdeling stelt vast dat in het plan zoals gepubliceerd op ruimtelijkeplannen.nl, artikel 3, lid 3.5.9, niet is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan en aan beide percelen ook geen aanduiding is toegekend op grond waarvan ter plaatse opvang- en lozingsvoorzieningen zijn toegestaan. Zelfs als wel een onderdeel c aan artikel 3, lid 3.5.9, van de planregels zou zijn toegevoegd zoals de raad blijkens het vaststellingsbesluit heeft beoogd, zou dit niet ervoor hebben gezorgd dat de twee aanwezige voorzieningen als zodanig zouden zijn bestemd, aangezien die voorzieningen geen verhardingen betreffen. De Afdeling wijst erop dat dergelijke voorzieningen bouwwerken zijn en ter zitting is meegedeeld dat in beide gevallen die voorzieningen buiten het bouwvlak liggen en dus in artikel 3, lid 3.2.4, van de planregels behoren te worden geregeld.

    Omdat de gepubliceerde versie van het plan voor de percelen aan de [locatie 3] en de [locatie 4] niet in overeenstemming is met het plan zoals de raad dat blijkens het bestreden besluit heeft vastgesteld, zijn het bestreden besluit en het plan, in onderlinge samenhang bezien, in zoverre in strijd met de rechtszekerheid. Het betoog slaagt.

8.2.    Aan het einde van deze uitspraak is vermeld wat hiervan het gevolg is voor het bestreden besluit.

Het beroep van [appellante sub 4]

9.    De varkenshouderij van [appellante sub 4] is gevestigd aan [locatie 5] in Deurne. [appellante sub 4] betoogt dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd waarom haar gronden buiten het Primag vallen, gezien de ligging vlakbij de grens van het Primag. In tegenstelling tot wat de raad stelt, is de begrenzing van het Primag volgens [appellante sub 4] niet gebaseerd op objectieve criteria en uitgangspunten. Volgens [appellante sub 4] voldoen de gronden aan de voorwaarden die worden gesteld om binnen het Primag te vallen. Zij stelt dat in de omgeving van haar gronden geen transformatie naar een woongebied plaatsvindt en dat in de omgeving de landschapsstructuur overwegend ruim is opgezet en agrarisch van aard is, waardoor het zich leent voor een aanduiding als Primag. Dat vanwege woonconcentraties in de omgeving geen aanduiding als Primag is toegekend, is onvoldoende. Het begrip zelf is niet gedefinieerd en er zijn geen bundeling of verzameling van (toekomstige) woonfuncties waar te nemen. Ten zuiden van de Nastreek zijn geen woonconcentraties en mogelijke woonconcentraties in het gebied ten noorden van de Nastreek - het Riet - zijn te ver verwijderd van haar bedrijf om als woonconcentraties in de omgeving te worden aangemerkt. Hierbij wijst [appellante sub 4] erop dat tussen haar bedrijf en het Riet nog 3 andere agrarische bedrijven zijn gevestigd, te weten aan de Vlierdijk 3, Wittedijk 10 en Wittedijk 12 en die bedrijven liggen wel in het Primag. De raad heeft onvoldoende gemotiveerd waarom haar bedrijf buiten het Primag ligt.

    Ook stelt de raad dat de [locatie 5] zich in een historisch landschap bevindt, maar volgens [appellante sub 4] is onduidelijk wanneer daarvan sprake is, mede omdat dit historisch landschap niet in de verbeelding is aangeduid. Op de kaart "indicatieve contour Primag" vallen de gronden van [appellante sub 4] binnen het Primag, terwijl de raad nadien stelt dat de gronden buiten het Primag komen te vallen vanwege het gebiedskenmerk als historisch landschap.

9.1.    Aan de gronden van [appellante sub 4] aan de [locatie 5] is de bestemming "Agrarisch" en onder meer een bouwvlak en de aanduidingen "intensieve veehouderij" en "overige zone - woonrechtzone voormalig LOG" toegekend. Aan deze gronden is niet de aanduiding "overige zone - Primag" toegekend.

9.2.    In de plantoelichting staat dat de raad het vanuit gemeentelijk en provinciaal beleid wenselijk acht om onderscheid te maken tussen een gebied gericht op een agrarische economie en een gebied gericht op een gemengde plattelandseconomie. Binnen het gebied dat is gericht op een agrarisch economie - het Primag - moet de agrarische sector zich duurzaam kunnen ontwikkelen. Buiten het Primag wil de raad ook ruimte geven voor niet-agrarische functies, zowel in de vorm van nieuwe economische dragers als woonfuncties. De raad heeft toegelicht dat met het binnen of buiten het Primag plaatsen van een bedrijf of perceel geen standpunt wordt ingenomen over het bestaansrecht van het bedrijf. Agrarische activiteiten zijn ook buiten het Primag toegestaan. Ook buiten het Primag heeft en houdt een bedrijf daarom ontwikkelingsmogelijkheden. Het is wel mogelijk dat een bedrijf buiten het Primag in geval van bedrijfsuitbreiding vaker met een belemmerend gevoelig object zoals een burgerwoning rekening moet houden, omdat in het plan is bepaald dat buiten het Primag wel nieuwe gevoelige objecten mogen worden opgericht of omgeschakeld mag worden naar gevoelige objecten.

    In de plantoelichting staan de uitgangspunten en criteria voor de begrenzing van het Primag. Er is vervolgens een gebiedsanalyse gemaakt op basis van de ruimtelijke kenmerken landschapsstructuur, infrastructuur en ontsluiting en functies en functieontwikkeling. In de plantoelichting is ook een overzicht opgenomen van welke gebiedskenmerken wel en niet in aanmerking komen voor ligging in het Primag. Per criterium is een grens bepaald. Dat wordt voldaan aan één van de criteria, betekent dus niet dat een gebied binnen het Primag valt. Een gebied kan op basis van een bepaald criterium binnen de grenzen van het Primag vallen, maar door toepassing van (één van) de andere relevante criteria daarbuiten vallen. Door vervolgens deze verschillende grenzen op elkaar te leggen, is de uiteindelijke begrenzing van het Primag ontstaan. De raad stelt verder dat de ruimtelijke afweging van de begrenzing is gemaakt op gebiedsniveau, wat tot gevolg heeft gehad dat bij de keuze van de begrenzing van het Primag soms niet aan de wensen van individuele perceeleigenaren is voldaan.

    Verder stelt de raad dat het juist is dat in de kaart "indicatieve contour Primag" de gronden van [appellante sub 4] nog binnen het Primag lagen, maar dit betreft een bijlage bij het voorontwerpplan, waarin de grenzen van het Primag overeenkwamen met de omvang van het LOG. De verkleining van het LOG tot een kleiner Primag heeft na het voorontwerp plaatsgevonden.

9.3.    Mede gezien de uitvoerige beschrijving in de plantoelichting en de daarin vermelde uitgangspunten en criteria, volgt de Afdeling [appellante sub 4] niet in haar betoog dat de begrenzing van de gebiedsaanduiding "overige zone - Primag" in de verbeelding in algemene zin niet op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Hierbij merkt de Afdeling op dat de keuze voor de begrenzing niet noodzakelijkerwijs op objectieve criteria, maar in ieder geval op deugdelijke en navolgbare criteria moet zijn gebaseerd. Die criteria kunnen ook beleidsmatig van aard zijn.

    Waar het gaat om de gronden van [appellante sub 4] overweegt de Afdeling dat deze gronden binnen een gebied liggen waarvan de raad de keuze heeft gemaakt om daar ook ruimte te bieden voor niet-agrarische functies, zoals woonfuncties. De Afdeling acht deze keuze voor het gebied waar de gronden van [appellante sub 4] deel van uitmaken niet onredelijk. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de raad aan [appellante sub 4] geen beperkingen aan de bestaande bedrijfsvoering oplegt door aan haar gronden niet de gebiedsaanduiding van het Primag toe te kennen. Anders dan [appellante sub 4] stelt, betekent het ontbreken van de gebiedsaanduiding "overige zone - Primag" evenmin dat zij haar bedrijf niet meer verder zou kunnen ontwikkelen. Dat er nu de mogelijkheid bestaat dat in de omgeving van haar gronden gevoelige functies worden opgericht betekent immers niet dat daardoor een eventuele bedrijfsuitbreiding niet meer mogelijk zal zijn.

    Over de verwijzing naar agrarische bedrijven in de omgeving waaraan de gebiedsaanduiding van het Primag wel is toegekend, overweegt de Afdeling dat die gronden behoren tot een gebied waarvoor de raad, op basis van zijn criteria, een andere keuze heeft gemaakt dan voor het gebied waartoe de gronden van [appellante sub 4] behoren. Over de duiding van de omgeving als historisch landschap heeft de raad ter zitting verklaard dat het bedrijf van [appellante sub 4] en de agrarische bedrijven waarnaar hij verwijst wat betreft het type landschap mogelijk niet verschillen, maar dat de begrenzing van het Primag is bepaald aan de hand van meerdere criteria en niet alleen de landschapsstructuur. Aan het feit dat die andere bedrijven wellicht in hetzelfde type landschap liggen komt daarom geen doorslaggevende betekenis toe. Dat de raad die begrenzing niet heeft bekeken op perceelniveau, is, mede gelet op het betrekkelijk kleine verschil voor het planologische regime, niet onredelijk. Het betoog slaagt niet.

Het beroep van [appellant sub 5]

10.    [appellant sub 5] woont aan de [locatie 6] in Deurne. Hij is het niet eens met het plan, omdat zijn gronden daarin binnen de gebiedsaanduiding "overige zone - Primag" zijn gelegen. [appellant sub 5] betoogt dat de ligging in het Primag de omschakelmogelijkheden voor zijn gronden beperkt. Binnen het Primag is omschakeling naar een woonbestemming niet mogelijk, terwijl de gronden wel feitelijk zo worden gebruikt. De toegekende aanduiding leidt ertoe dat de woning alleen kan worden bewoond door hem als voormalige agrariër of als bedrijfswoning. Voor de verkoop als bedrijfswoning moet echter een volwaardig agrarisch bedrijf worden geëxploiteerd en daarvan is nu geen sprake. Daardoor is verkoop van zijn woning in de toekomst nagenoeg onmogelijk. Volgens hem heeft de raad onvoldoende gemotiveerd waarom de gebiedsaanduiding "overige zone - Primag" ter plaatse is opgenomen, terwijl de raad in 2015 heeft gezegd dat overwogen zal worden om zijn perceel bij de voorbereiding van het dit plan uit het Primag te halen.

10.1.    De raad heeft toegelicht, op basis van de criteria die hij voor de begrenzing van het Primag heeft gehanteerd, dat het gebied waartoe de gronden van [appellant sub 5] behoren, geschikt is voor duurzame ontwikkeling van agrarische functies. In het kader van de vaststelling van de gewijzigde geurverordening is aangegeven dat onderzocht zou worden of de gronden buiten het Primag konden worden gehouden, maar toen heeft geen integrale ruimtelijke afweging plaatsgevonden. De ruimtelijke afweging die in deze bestemmingsplanprocedure heeft plaatsgevonden, heeft geleid tot de conclusie dat de gronden geschikt zijn voor het Primag en om die reden in het Primag zijn opgenomen, aldus de raad.

    Voor de gronden die binnen het Primag vallen, heeft de raad de keuze gemaakt om daar geen nieuwe gevoelige objecten toe te staan, om zo vermenging met andere dan agrarische functies te voorkomen. Daarom is ook voor de gronden van [appellant sub 5] geen mogelijkheid opgenomen voor omschakeling naar een woonbestemming. Dit komt overeen met het voorgaande plan, toen de gronden binnen het LOG vielen en ook geen omschakeling naar een woonbestemming in het plan was opgenomen. Het feit dat [appellant sub 5] in het verleden heeft besloten zijn veehouderij te staken, betekent volgens de raad niet dat ter plaatse geen agrarisch bedrijf meer mogelijk is. In dit verband stelt de raad dat het vestigen van een volwaardig agrarisch bedrijf niet afhankelijk is van de omvang van het bedrijfsperceel en dat een akkerbouwbedrijf ook geëxploiteerd kan worden op percelen die niet nabij het bedrijf gelegen zijn.

10.2.    De gronden van [appellant sub 5] liggen binnen een gebied waarvan de raad in het plan de keuze heeft gemaakt om daar ruimte te bieden aan agrarische functies en daarom zo min mogelijk vermenging met andere functies wil toestaan. Om die reden is omschakeling naar een woonfunctie ter plaatse van zijn gronden niet toegestaan. De Afdeling acht deze keuze voor het gebied waar ook de gronden van [appellant sub 5] deel van uitmaken niet onredelijk. Weliswaar is in het kader van de vaststelling van de geurverordening overwogen om aan de gronden niet de gebiedsaanduiding van het Primag toe te kennen, maar toen is geen integrale afweging gemaakt. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling mogen baseren op de integrale ruimtelijke afweging voor de toekenning van de gebiedsaanduiding van het Primag die in het kader van de bestemmingsplanprocedure is gemaakt, op basis waarvan is geconcludeerd dat de gronden passen binnen het Primag. In de omstandigheid dat [appellant sub 5] al een tijd geen veehouderij meer exploiteert, heeft de raad geen aanleiding hoeven zien om aan zijn gronden niet de gebiedsaanduiding van het Primag toe te kennen. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de toegekende agrarische bestemming nog steeds een agrarisch bedrijf toestaat, wat [appellant sub 5] ook niet heeft weersproken. Dat hij het niet wenselijk acht om opnieuw een volwaardig agrarisch bedrijf te exploiteren heeft de raad niet doorslaggevend hoeven achten. In dat verband heeft de raad ook toegelicht dat het schrappen van de aanduiding "overige zone - Primag" - en de mogelijkheid voor een woonbestemming - niet aan de orde is gezien de aanwezige intensieve veehouderij aan de noordkant van de gronden van [appellant sub 5]. De raad heeft de bedrijfsbelangen van de omliggende veehouderijen - die ook in het Primag liggen - die niet gebaat zijn bij de mogelijkheid om een nieuw gevoelig object op korte afstand mogelijk te maken in redelijkheid zwaarder mogen laten wegen dan het belang van [appellant sub 5] bij de mogelijkheid voor een woonfunctie. Het betoog slaagt dan ook niet.

Het beroep van [appellante sub 8]

11.    [appellante sub 8] exploiteert een vleesvarkenshouderij, melkveehouderij en een akkerbouwbedrijf aan de [locatie 7] in Deurne. [appellante sub 8] betoogt dat ten onrechte aan haar gronden niet de gebiedsaanduiding "overige zone - Primag" is toegekend. Haar agrarische bedrijf zou binnen het Primag moeten liggen, aangezien het voorheen ook binnen het LOG lag en een groot aantal omvangrijke en moderne agrarische bedrijven in de omgeving van haar bedrijf ligt. Het toelaten van functiemenging in het voormalige LOG, waaronder in de omgeving van haar gronden, is ongewenst en bedreigt de aanwezige agrarische bedrijven, zo stelt zij.

    De visie van de raad op veehouderijen buiten het Primag komt volgens [appellante sub 8] niet overeen met haar plannen om ter plaatse een nieuw en modern melkveebedrijf ontwikkelen, waarvoor al omgevingsvergunningen voor de activiteiten bouwen en milieu en een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw-vergunning) zijn verleend. In dit verband wijst [appellante sub 8] op het ontwerp van de Structuurvisie Deurne 2030, waarin voor intensieve veehouderijen buiten het Primag is opgenomen dat deze niet kiezen voor schaalvergroting, maar voor andere vormen van bedrijfsontwikkeling of op termijn voor bedrijfsbeëindiging of omschakeling naar andere passende bedrijfsactiviteiten. [appellante sub 8] stelt dat door de ligging buiten het Primag, zij geen gebruik meer kan maken van de reeds verleende vergunningen en daardoor in haar bedrijfsvoering en verdere ontwikkeling wordt geschaad door het plan.

11.1.    De raad heeft in de mogelijkheden die het plan biedt een onderscheid gemaakt tussen een gebied waar wordt ingezet op duurzame agrarische ontwikkeling - het Primag - en gebieden waar, naast agrarische functies, ruimte worden geboden voor niet-agrarische functies. Zoals hiervoor onder 9.3 is overwogen, worden buiten de gebiedsaanduiding van het Primag geen beperkingen opgelegd aan de bestaande bedrijfsvoering van agrarische bedrijven en het plan biedt aan agrarische bedrijven zowel binnen als buiten het Primag dezelfde ontwikkelingsmogelijkheden. Anders dan [appellante sub 8] stelt, is het plan dan ook niet erop gericht dat bij percelen waar de gebiedsaanduiding van het Primag niet aan is toegekend geen medewerking wordt verleend aan ontwikkelingen van agrarische bedrijven. Uit de vastgestelde tekst van de Structuurvisie kan een dergelijk beleidsvoornemen ook niet worden afgeleid. De passage uit het ontwerp van de "Structuurvisie Deurne 2030", waar [appellante sub 8] naar verwijst, is in de definitieve "Structuurvisie Deurne 2030" die door de raad is vastgesteld op 13 maart 2018, gewijzigd. De raad heeft daarover toegelicht dat met de passage uit het ontwerp de indruk werd gewekt dat de agrarische sector in het gemengd landelijk gebied op slot wordt gezet, terwijl dat niet het geval is.

    Voor het gebied waar de gronden van [appellante sub 8] in liggen heeft de raad in het plan de keuze gemaakt om daar geen gebiedsaanduiding van het Primag toe te kennen en daar dus ook ruimte te bieden voor niet-agrarische functies, zoals woonfuncties. Dit komt doordat de gronden behoren tot een gebied waar de raad transformatie naar andere dan agrarische functies voorziet, waardoor vermenging van functies niet langer te voorkomen is. De Afdeling acht deze keuze voor het gebied niet onredelijk. Daarbij acht de Afdeling ook van belang dat de raad, zoals hiervoor al overwogen is, aan [appellante sub 8] geen beperkingen aan de bestaande bedrijfsvoering oplegt en dat het niet toekennen van de aanduiding "overige zone - Primag" ook niet betekent dat zij haar bedrijf niet meer verder zou kunnen ontwikkelen. Het betoog slaagt niet.

12.    [appellante sub 8] betoogt dat de raad ten onrechte zijn vergunde bedrijfssituatie niet als zodanig in het plan heeft bestemd. Hij beschikt al over omgevingsvergunningen voor bouwen en milieu. Ten tijde van de vaststelling van het plan was daarvoor ook een Nbw 1998-vergunning verleend, maar was die nog niet onherroepelijk. Artikel 3, lid 3.5.2, onder d, sub 2, van de planregels bevat een gebruiksverbod, waarin is bepaald dat verleende vergunningen op basis van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) dan wel de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw) ook onherroepelijk moeten zijn. Volgens [appellante sub 8] is in die planregel ten onrechte de eis opgenomen dat de vergunning onherroepelijk moet zijn, omdat dit een belemmering vormt voor zijn bedrijfsontwikkeling.

12.1.    De raad heeft toegelicht dat de door [appellante sub 8] bestreden planregel is opgenomen om te kunnen voldoen aan het vereiste uit artikel 2.7, eerste lid, en artikel 2.8, derde lid, van de Wnb. De raad heeft een plan-MER en passende beoordeling voor dit plan laten opstellen, waaruit volgens hem bleek dat significante effecten op Natura 2000-gebieden uitsluitend kunnen worden uitgesloten, indien in het bestemmingsplan een regeling wordt opgenomen die iedere toename van stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie uitsluit. Als bij een ontwikkeling aan de bestemmingsplanvoorwaarden kan worden voldaan dat geen sprake is van een toename van stikstofdepositie kan onbenutte ruimte binnen het bouwvlak worden benut. Als daaraan niet voldaan kan worden, kan de onbenutte ruimte door het treffen van emissie reducerende maatregelen op bedrijfsniveau wél benut worden. Indien ook hier niet aan kan worden voldaan, kan voor individuele gevallen wel op projectniveau worden beoordeeld of uitbreiding mogelijk is. In dat geval kan buiten het plan medewerking worden verleend aan het initiatief, aldus de raad.

12.2.    In artikel 3, lid 3.5.2, onder d, van de planregels is onder andere een regeling opgenomen die kort gezegd inhoudt dat gebruik van agrarische gronden niet is toegestaan als dit leidt tot een toename van stikstofdepositie, tenzij voor dat gebruik een onherroepelijke Nbw- of Wnb-vergunning bestaat ten tijde van de vaststelling van het plan. Die onherroepelijke vergunningen zijn opgenomen in bijlage 6 bij de planregels.

    De Afdeling ziet geen aanleiding om de keuze van de raad voor het opnemen van deze planregeling onredelijk bezwarend te achten. Hiertoe wordt overwogen dat de raad deze voorwaarde heeft gesteld om de kwaliteit van de leefomgeving in het plangebied en van nabijgelegen natuurgebieden te waarborgen. In dit verband is van belang dat ter plaatse van omliggende Natura 2000-gebieden reeds sprake is van een overbelaste situatie als gevolg van de huidige stikstofdepositie en dat een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot significante effecten. Hierbij betrekt de Afdeling dat de voorwaarde van een onherroepelijke vergunning ook is opgenomen om te voorkomen dat voor het plan een veelomvattende passende beoordeling van de gevolgen voor de Natura 2000-gebieden zou moeten worden gemaakt, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden en uitgaande van de maximale planologische mogelijkheden die het plan biedt.

    Verder acht de Afdeling van belang dat de planregels bedrijfsuitbreiding door [appellante sub 8] niet onmogelijk maken, omdat dit is toegestaan zolang de stikstofdepositie niet toeneemt. De Afdeling volgt [appellante sub 8] niet in zijn stelling de raad niet zou willen meewerken aan haar bedrijfsuitbreiding. Zoals de Afdeling hiervoor onder 11.1 heeft overwogen is het plan niet erop gericht dat agrarische bedrijven waar niet de gebiedsaanduiding van het Primag aan is toegekend, niet meer verder zouden mogen ontwikkelen. Het betoog slaagt niet.

    Overigens is de Nbw-vergunning van 14 december 2015 bij uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, vernietigd.

Conclusie

13.    De beroepen van [appellant sub 1], [appellante sub 4], [appellant sub 5] en van [appellante sub 8] zijn ongegrond. Voor hen is deze uitspraak een einduitspraak en is daarmee voor hen een einde gekomen aan deze procedure.

13.1.    Ten aanzien van [appellant sub 1], [appellante sub 4], [appellant sub 5] en [appellante sub 8] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

14.    Voor de beroepen van De Peelrand B.V. en anderen, [appellant sub 3], [appellante sub 6], [appellante sub 7A] en [appellant sub 7B] is deze uitspraak een tussenuitspraak, wat inhoudt dat pas in een volgende uitspraak definitief op hun beroepen zal worden beslist.

14.1.    Met het oog op een spoedige beslechting van de geschillen zal de Afdeling de raad op grond van artikel 8:51d van de Awb opdragen om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak de gebreken genoemd onder 5.2, 7.2 en 8.1 in het bestreden besluit te herstellen.

    De raad moet daartoe met inachtneming van deze uitspraak zijn keuze om af te zien van het opnemen van een planregeling die bewoning door elke derde toestaat voor de agrarische bedrijfswoning op de gronden van De Peelrand B.V. alsnog toereikend motiveren of in plaats daarvan voor dit plandeel een gewijzigd besluit nemen.

    Verder moet de raad alsnog toereikend motiveren dat een fietsvlonder binnen de bestemming "Water" ter hoogte van de gronden van [appellant sub 3] ruimtelijk aanvaardbaar is, daarbij ingaan op de noodzaak daarvan en motiveren dat wordt voldaan aan de artikelen 5 en 12 van de Verordening of voor dit plandeel een gewijzigd besluit te nemen.

    De raad moet het bestreden besluit wijzigen door een planregel toe te voegen aan artikel 3, lid 3.2.4, van de planregels en aan de plandelen die zien op de percelen aan de [locatie 3] en de [locatie 4] een aanduiding toekennen die ertoe strekken dat ter plaatse opvang- en lozingsvoorzieningen zijn toegestaan.

14.2.    Bij wijziging van het bestreden besluit hoeft afdeling 3.4 van de Awb niet opnieuw te worden toegepast. De raad dient de wijziging van het besluit verder op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

14.3.    In de einduitspraak zal voor De Peelrand B.V. en anderen, [appellant sub 3], [appellante sub 6], [appellante sub 7A] en [appellant sub 7B] worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellante sub 4], [appellant sub 5] en [appellante sub 8] ongegrond;

II.    draagt de raad van de gemeente Deurne op:

-    om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak met inachtneming van wat onder 5.2, 7.2 en 8.1 is overwogen het besluit van 19 december 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Derde herziening buitengebied" te herstellen door:

    a. zijn keuze om af te zien van het opnemen van een planregeling die bewoning door elke derde toestaat voor de agrarische bedrijfswoning op de gronden van De Peelrand B.V. en anderen alsnog toereikend te motiveren of in plaats daarvan voor dit plandeel een gewijzigd besluit te nemen;

    b. alsnog toereikend te motiveren dat een fietsvlonder binnen de bestemming "Water" ter hoogte van de gronden van [appellant sub 3] ruimtelijk aanvaardbaar is, daarbij ingaan op de noodzaak daarvan en te motiveren dat wordt voldaan aan de artikelen 5 en 12 van de Verordening of voor dit plandeel een gewijzigd besluit te nemen;

    c. een planregel toe te voegen aan artikel 3, lid 3.2.4, van de planregels en aan de plandelen die zien op de percelen aan de [locatie 3] en de [locatie 4] een aanduiding toe te kennen die ertoe strekken dat ter plaatse opvang- en lozingsvoorzieningen zijn toegestaan;

-    de Afdeling, De Peelrand B.V. en anderen, [appellant sub 3], [appellante sub 6], [appellante sub 7A] en [appellant sub 7B] de uitkomst mede te delen en het gewijzigde besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Vreugdenhil, griffier.

w.g. Daalder    w.g. Vreugdenhil

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2020

571-865.