Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:567

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-02-2020
Datum publicatie
04-03-2020
Zaaknummer
201900844/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juni 2018 heeft de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vw 2000 te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201900844/1/V3.

Datum uitspraak: 25 februari 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 2 januari 2019 in zaak nr. 18/5744 in het geding tussen:

[vreemdeling 1], mede voor [vreemdeling 2] en [vreemdeling 3] (tezamen: de vreemdelingen),

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 7 juni 2018 heeft de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vw 2000 te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 31 juli 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 januari 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuwe besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. B. Wegeling, advocaat te Amsterdam, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 3 juli 2019 heeft de staatssecretaris het tegen het besluit van 7 juni 2018 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

De vreemdelingen hebben een nader stuk ingediend.

Overwegingen

1. In de enige grief klaagt de staatssecretaris onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdelingen aannemelijk hebben gemaakt dat de vreemdeling feitelijk geen toegang zal hebben tot de voor hem noodzakelijke medische behandeling in Nigeria, zodat hij een reëel risico loopt in de zin van artikel 3 van het EVRM. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank niet onderkend dat de vreemdelingen niet hebben voldaan aan hun bewijslast, zoals die volgt uit het arrest van het EHRM van 13 december 2016 in de zaak Paposhvili tegen België, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810.

1.1. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:989, heeft de Afdeling uit punt 183 van het arrest Paposhvili afgeleid dat het EHRM heeft benadrukt dat de drempel voor een beroep op artikel 3 van het EVRM in zaken die gaan over het uitzetten van ernstig zieke vreemdelingen, onverminderd hoog blijft. Uit punt 186 van het arrest Paposhvili heeft de Afdeling afgeleid dat het aan een vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij op grond van zijn slechte gezondheidstoestand een reëel risico in de zin van artikel 3 van het EVRM loopt en dat het, eerst als die vreemdeling dit bewijs, mede in relatie tot de feitelijke toegankelijkheid tot de voor hem noodzakelijke medische behandeling, heeft geleverd, aan de nationale autoriteiten van de uitzettende staat is om de twijfel over een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM weg te nemen. Dit betekent dat de vreemdeling moet aantonen wat de kosten van de voor hem noodzakelijke behandeling in het land van herkomst zijn. Verder moet de vreemdeling, als hij stelt dat deze behandeling om financiële of andere redenen voor hem feitelijk niet toegankelijk is, dat aannemelijk maken.

1.2. De staatssecretaris klaagt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat de medisch noodzakelijke behandeling voor de vreemdeling door de kosten daarvan feitelijk niet toegankelijk is.

Zoals de staatssecretaris in het besluit van 31 juli 2018 en het verweer in beroep terecht heeft opgemerkt, hebben de vreemdelingen ter onderbouwing van hun standpunt dat zij de medische kosten niet kunnen betalen alleen verwezen naar algemene informatie over het minimumloon in Nigeria en gesteld dat zij geen beroep kunnen doen op familieleden. Daarmee hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat zij niet beschikken over financiële middelen en dat er geen familieleden, sociaal netwerk of charitatieve instellingen zijn die zij kunnen aanspreken om hen financieel bij te staan om de (bijkomende) medische kosten of de ziektekostenverzekering te voldoen.

Verder heeft de staatssecretaris in dat besluit en het verweer in beroep terecht opgemerkt dat de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat het niet mogelijk is een ziektekostenverzekering voor de vreemdeling af te sluiten. Dat zorgverzekeraars een wachttermijn kunnen hanteren, betekent nog niet dat de medische zorg alleen al daarom voor hem feitelijk niet toegankelijk is. De vreemdelingen hebben namelijk niet aannemelijk gemaakt dat zij deze periode niet kunnen overbruggen door de medische kosten tijdelijk zelf of met hulp van anderen te betalen.

Ook heeft de staatssecretaris zich in dat besluit terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij niet in de nabijheid van de medische voorzieningen in Lagos kunnen gaan wonen. Uit het arrest Paposhvili kan niet worden afgeleid dat dit niet van de vreemdelingen kan worden gevraagd. De omstandigheid dat zij de kosten voor een huurwoning in dezelfde wijk als waar de medische voorzieningen gelegen zijn niet kunnen opbrengen, betekent nog niet dat zij elders in of nabij Lagos geen woonruimte kunnen bekostigen, zo mogelijk met hulp van anderen.

De staatssecretaris klaagt daarom terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het op zijn weg lag om de twijfel over een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM weg te nemen.

De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de staatssecretaris verder heeft aangevoerd te bespreken. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.

3. De vreemdelingen hebben in beroep betoogd dat de staatssecretaris zijn besluitvorming niet zorgvuldig heeft voorbereid. Volgens de vreemdelingen volgt uit informatie van de World Health Organisation (WHO) uit 2016 en een brief van de behandelaar van de vreemdeling van 27 augustus 2018 namelijk dat insuline in de eerstelijnszorg in Nigeria niet algemeen beschikbaar is.

De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat de staatssecretaris zich op grond van het advies van het BMA van 19 april 2018 terecht op het standpunt heeft gesteld dat de medisch noodzakelijke behandeling voor de vreemdeling in Nigeria aanwezig is. Met de algemene en summiere informatie van de WHO en de brief van de behandelaar, waarin naar voornoemde informatie van de WHO wordt verwezen, hebben de vreemdelingen niet aannemelijk gemaakt dat het BMA advies op dat punt niet zorgvuldig, inzichtelijk en concludent is en de staatssecretaris daarom zijn besluitvorming daarop ten onrechte heeft gebaseerd. Bovendien volgt uit de door de vreemdelingen overgelegde brief van prof. A. Oduwole juist dat insuline voor de vreemdeling kosteloos beschikbaar is via het programma 'Life for a Child'.

4. Het beroep is ongegrond. De staatssecretaris heeft het besluit van 3 juli 2019 genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank. Omdat deze uitspraak wordt vernietigd, wordt ook het besluit van 3 juli 2019 vernietigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 2 januari 2019 in zaak nr. 18/5744;

III. verklaart het beroep ongegrond;

IV. vernietigt het besluit van 3 juli 2019, V-nummer […].

Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, griffier.

w.g. Van Eck w.g. Vonk

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2020

345-839.