Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:554

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-02-2020
Datum publicatie
26-02-2020
Zaaknummer
201904784/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2019:3441, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 maart 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201904784/1/V1.

Datum uitspraak: 24 februari 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 23 mei 2019 in zaak nr. 18/7550 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 14 september 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 mei 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E. Ceylan, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.    Naar aanleiding van het besluit van 22 maart 2018 heeft de vreemdeling op 16 april 2018 een pro-formabezwaarschrift ingediend. Daarin heeft zij de staatssecretaris verzocht haar een nadere termijn te stellen om de gronden van bezwaar aan te vullen en haar het dossier toe te zenden. De staatssecretaris heeft vervolgens, zonder de vreemdeling een nadere termijn te stellen om de gronden aan te vullen, het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

2.    De rechtbank heeft overwogen dat het staande praktijk is dat de staatssecretaris de gemachtigde van een vreemdeling een herstelverzuimbrief stuurt, wanneer hij een pro-formabezwaarschrift ontvangt. Hij is dit echter niet verplicht. In dit geval komt het voor risico van de vreemdeling dat haar gemachtigde de gronden niet tijdig bij de staatssecretaris heeft ingediend. De gemachtigde had haar dossier en een herstelverzuimbrief namelijk al ontvangen in het kader van een procedure namens de pleegkinderen van de vreemdeling en referent. De gemachtigde had er dan ook bedacht op moeten zijn dat zij ook in de procedure van de vreemdeling gronden had moeten indienen, aldus de rechtbank.

3.    De vreemdeling klaagt in haar enige grief dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris ingevolge de artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb en gelet op zijn bestendige praktijk op dit punt verplicht was haar een nadere termijn te stellen voor het indienen van gronden in bezwaar. Dat de staatssecretaris in de zaak van de pleegkinderen het dossier en een herstelverzuimbrief aan de gemachtigde van de vreemdeling had toegezonden, betekent niet dat hij in de zaak van de vreemdeling geen herstelverzuimbrief hoefde te sturen.

3.1    Niet in geschil is dat het in deze zaak gaat om een pro-formabezwaarschrift en dat het bestendige praktijk van de staatssecretaris is dat hij de gemachtigde van de betrokken vreemdeling een herstelverzuimbrief stuurt als hij zo'n bezwaarschrift ontvangt. Gelet hierop had hij dat ook in dit geval moeten doen, alvorens op het bezwaar te beslissen. Dat hij in de procedure van de pleegkinderen wel zo'n brief heeft verstuurd, betekent niet dat hij dat in deze zaak niet meer hoefde te doen, omdat dit een andere zaak is. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

    De grief slaagt.

4.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 14 september 2018 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Omdat de griffier geen griffierecht heeft geheven, hoeft de staatssecretaris dat niet te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 23 mei 2019 in zaak nr. 18/7550;

III.    verklaart het beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van 14 september 2018, V-nummer […];

V.    veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.100,00 (zegge: tweeduizend honderd euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Oei

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2020

670-948.