Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:531

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2020
Datum publicatie
19-02-2020
Zaaknummer
201807975/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2018:4270, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 oktober 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellante] over het jaar 2014 definitief vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/462
Viditax (FutD), 02-03-2020
FutD 2020-0735
V-N 2020/15.20 met annotatie van Redactie
AB 2020/240 met annotatie van A. Drahmann, D.K. Jongkind
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201807975/1/A2.

Datum uitspraak: 19 februari 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 augustus 2018 in zaak nr. 18/1499 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellante] over het jaar 2014 definitief vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 8 december 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 17 juli 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een verzoek van [appellante] om herziening van de kinderopvangtoeslag 2014 afgewezen.

Bij besluit van 7 maart 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 augustus 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 mei 2019, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P.J. Gijsbertsen, advocaat te Utrecht, vergezeld van haar [echtgenoot] en [gemachtigde], en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.

Na de zitting heeft de enkelvoudige kamer de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een nadere schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2020, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P.J. Gijsbertsen, advocaat te Utrecht, vergezeld van haar [echtgenoot] en [gemachtigde], en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. E.C. Pietermaat, mr. J. Kennis, beiden advocaat te Den Haag, drs. J.G.C. van de Werken en dr. E. Poelmann, vergezeld van V.V. Garib-Balesar, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante] heeft in 2014 voor haar kinderen gebruikt gemaakt van kinderopvang via [kindercentrum] Bij besluit van 27 december 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen aan haar voor het jaar 2014 een voorschot van € 25.024,00 toegekend. Bij besluit van 21 februari 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot op nihil gesteld. Bij besluit van 22 april 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot voor het jaar 2014 na herberekening op € 25.024,00 gesteld. Bij besluit van 21 juni 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen [appellante] na herberekening voor het jaar 2014 een voorschot van € 15.991,00 toegekend.

    Bij besluit van 2 oktober 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag voor [appellante] voor het jaar 2014 definitief vastgesteld op nihil. De Belastingdienst/Toeslagen heeft dit besluit gehandhaafd bij besluit van 8 december 2015. De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan deze besluiten ten grondslag gelegd dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij alle kosten van de over het jaar 2014 afgenomen kinderopvang heeft betaald. Zij heeft daarom geen aanspraak op kinderopvangtoeslag over het jaar 2014.

    De Belastingdienst/Toeslagen heeft een brief van [appellante] van 12 december 2015 aangemerkt als een verzoek om herziening van de kinderopvangtoeslag over het jaar 2014. Bij besluit van 17 juli 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen dit verzoek afgewezen, omdat [appellante] niet heeft aangetoond dat haar kinderopvangtoeslag over het jaar 2014 ten onrechte op nihil is vastgesteld. Bij besluit van 7 maart 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen deze afwijzing om dezelfde reden gehandhaafd.

    De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] geen aanspraak kan maken op kinderopvangtoeslag over het jaar 2014.

Het hoger beroep

Kinderopvangtoeslag 2014

2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen de betalingen heeft stopgezet omdat in eerste instantie op basis van onjuiste informatie van [appellante] een te hoog voorschot is toegekend en zij het volledige bedrag van het daarna toegekende lagere voorschot al in het eerste half jaar van 2014 had ontvangen. [appellante] voert aan dat zij tijdig heeft doorgegeven dat zij voor haar oudste dochter geen kinderopvang meer gebruikte, omdat deze in 2013 naar de middelbare school ging. Volgens [appellante] heeft de Belastingdienst/Toeslagen deze wijziging echter pas in juni 2014 juist verwerkt, nadat zij de wijziging voor de vierde keer had doorgegeven. [appellante] voert verder aan dat zij niet het gehele toegekende voorschot heeft ontvangen en daarom niet alle kosten van de afgenomen kinderopvang over 2014 heeft kunnen betalen. Zij heeft wel haar eigen bijdrage betaald voor de afgenomen kinderopvang. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:589) voert [appellante] verder aan dat de Belastingdienst/Toeslagen ten onrechte haar kinderopvangtoeslag over het jaar 2014 zonder enig bericht in juli 2014 heeft stopgezet. Die stopzetting is volgens [appellante] ook in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

    Het voorschot kinderopvangtoeslag 2014

2.1.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft in het besluit van 7 maart 2018 uiteen gezet dat de dienst van het voorschot kinderopvangtoeslag 2014 in december 2013 € 1.840,00 en in januari 2014 € 1.789,00, dat is opgeteld € 3.629,00, direct aan [kindercentrum] heeft betaald. Verder heeft de dienst op 15 april 2014 € 7.430,00 en op 14 mei 2014 € 814,00, dat is opgeteld € 8.244,00, aan [appellante] betaald. De Belastingdienst/Toeslagen heeft dus in de eerste helft van 2014 (€ 3.629,00 + € 8.244,00 =) € 11.873,00 aan voorschotten betaald voor de kinderopvang die [appellante] in dat jaar heeft afgenomen. Volgens het besluit van 7 maart 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen tevens van het voorschot kinderopvangtoeslag 2014 van [appellante] € 8.265,00 verrekend met eerdere terugvorderingen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich in het besluit van 7 maart 2018 op het standpunt gesteld dat in de eerste helft van 2014 dus een bedrag van (€ 11.873,00 + € 8.265,00 =) € 20.138,00 via verrekeningen en uitbetalingen aan [appellante] ten goede is gekomen.

    Bij de nadere schriftelijke uiteenzetting van 20 januari 2020 heeft de Belastingdienst/Toeslagen afdrukken uit het computersysteem van de dienst gevoegd. Daarop staan de voorschotbetalingen aan [kindercentrum] en aan [appellante] vermeld. Daarop staan tevens de verrekende bedragen, met daarbij de datum van verrekening en de terugvorderingsbeschikking waarmee is verrekend, vermeld. Volgens deze afdrukken hebben verrekeningen plaatsgevonden op 9 december 2013, 9 januari 2014, 9 april 2014 en 15 april 2014. Het totaal van deze verrekeningen bedraagt € 8.265,00.

2.2.    Ter zitting heeft [appellante] meegedeeld dat zij de dag ervoor stukken van de Belastingdienst/Toeslagen heeft ontvangen over een fraudeonderzoek naar [kindercentrum]. Volgens [appellante] blijkt uit deze stukken dat de Belastingdienst/Toeslagen voorschotten kinderopvangtoeslag 2014 in 2014 heeft stopgezet. De Belastingdienst/Toeslagen heeft ter zitting meegedeeld deze stukken te kennen. Volgens de dienst blijkt uit de stukken dat in 2014 een fraudeonderzoek naar [kindercentrum] is gestart, maar niet dat het voorschot kinderopvangtoeslag 2014 van [appellante] in 2014 is stopgezet. [appellante] heeft de Afdeling ter zitting verzocht om deze stukken na de zitting over te mogen leggen, zodat deze worden betrokken bij de huidige procedure in hoger beroep.

[appellante] heeft ter zitting verder gezegd dat de Belastingdienst/Toeslagen haar nooit over de verrekeningen van een gedeelte van haar voorschot kinderopvangtoeslag 2014 heeft geïnformeerd. Pas bij de rechtbank heeft de Belastingdienst/Toeslagen gesteld dat haar voorschot kinderopvang 2014 gedeeltelijk met eerdere terugvorderingen is verrekend. [appellante] gelooft niet dat de Belastingdienst/Toeslagen een gedeelte van haar voorschot kinderopvangtoeslag 2014 met eerdere terugvorderingen heeft verrekend. Volgens [appellante] heeft de Belastingdienst/Toeslagen dit achteraf verzonnen, om één en ander kloppend te maken. De Belastingdienst/Toeslagen heeft in reactie hierop ter zitting gezegd dat aanvraagouders standaard schriftelijk bericht krijgen van verrekening, maar dat de Belastingdienst/Toeslagen geen kopie van de schriftelijke berichten aan [appellante] over de verrekeningen kan indienen, omdat dergelijke brieven niet vanuit het computersysteem kunnen worden afgedrukt. Daaraan heeft de Belastingdienst/Toeslagen toegevoegd dat verrekeningen niet worden vermeld op de website mijntoeslagen.nl.

2.3.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft op 14 mei 2014 een laatste voorschotbedrag van € 814,00 aan [appellante] betaald. Als gezegd had de Belastingdienst/Toeslagen toen in totaal € 11.873,00 aan voorschotten betaald voor de kinderopvang in 2014. Bij besluit van 21 juni 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een verlaagd voorschot kinderopvangtoeslag 2014 van € 15.991,00 aan [appellante] toegekend. [appellante] heeft na 14 mei 2014 geen voorschotbedragen kinderopvangtoeslag meer ontvangen. De Afdeling kan zich voorstellen dat indien [appellante] in 2014 geen schriftelijke berichten over verrekeningen heeft ontvangen, zij heeft aangenomen dat de Belastingdienst/Toeslagen haar voorschot kinderopvangtoeslag 2014 in juli 2014 had stopgezet.

    De Afdeling acht echter aannemelijk dat de Belastingdienst/Toeslagen in de eerste vier maanden van 2014 een bedrag van € 8.265,00 van het toegekende voorschot 2014 heeft verrekend met eerdere terugvorderingen. Er zijn geen aanknopingspunten voor twijfel aan de echtheid van de afdrukken uit het computersysteem die de dienst bij de nadere schriftelijke uiteenzetting heeft ingediend. De verrekeningen en de voorschotbetalingen aan [kindercentrum] en [appellante] tellen op tot een bedrag van € 20.138,00. De Belastingdienst/Toeslagen heeft na 21 juni 2014 geen voorschotbedragen aan [appellante] betaald, omdat het bedrag van € 20.138,00 hoger is dan het bij besluit van 21 juni 2014 toegekende voorschot van € 15.991,00.

    De conclusie is dat de Belastingdienst/Toeslagen niet, zoals [appellante] heeft betoogd, het voorschot kinderopvangtoeslag 2014 van [appellante] per 1 juli 2014 heeft stopgezet. De uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:589), waarop [appellante] een beroep heeft gedaan, is daarom in zoverre op deze zaak niet van toepassing.

    De vaststelling van de kinderopvangtoeslag 2014

2.4.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 30 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3064, en 22 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ8833) volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in verbinding met artikel 1.7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko, dat degene die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag, moet kunnen aantonen dat hij kosten van kinderopvang heeft gehad en wat de hoogte ervan is. Zoals volgt uit de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2017 kunnen bijzondere omstandigheden tot een ander oordeel leiden.

    In de uitspraak van 23 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3535) heeft de Afdeling overwogen dat zij, anders dan in eerdere uitspraken, thans komt tot een uitleg van artikel 1.7, eerste lid, van de Wko waarbij uit deze bepaling, op zichzelf en in samenhang met artikel 1.52, eerste lid, wordt afgeleid dat de Belastingdienst/Toeslagen wettelijk gezien ruimte heeft om ook een recht op kinderopvangtoeslag vast te stellen als de aanvrager een deel van de kosten van kinderopvang heeft voldaan.

    Naar aanleiding van de uitspraak van 23 oktober 2019 heeft de minister van Financiën bij besluit van 20 december 2019 het Verzamelbesluit Toeslagen vastgesteld. Daarin is onder meer geregeld dat in gevallen waarin de vraagouder, die in beginsel aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag, over een berekeningsjaar slechts een gedeelte van de kosten van kinderopvang tijdig heeft betaald, de Belastingdienst/Toeslagen het recht op kinderopvangtoeslag vaststelt naar rato van het bedrag aan kosten dat de ouder tijdig heeft betaald aan de kinderopvangorganisatie.

2.5.    Niet in geschil is dat de kosten van de kinderopvang die [appellante] in 2014 heeft afgenomen in totaal € 17.500,00 bedroegen. Evenmin is in geschil dat [appellante] die kosten niet volledig heeft betaald. [appellante] heeft voor de in 2014 gebruikte kinderopvang € 10.662,00 aan [kindercentrum] betaald. Zoals hiervoor onder 2.1 is vermeld heeft de Belastingdienst/Toeslagen van het aan [appellante] toegekende voorschot over 2014 € 3.629,00 aan [kindercentrum] betaald. Van de totale kosten van € 17.500,00 voor de in 2014 afgenomen kinderopvang is dus (€ 10.662,00 + € 3.629,00 =) € 14.291,00 betaald.

    In de nadere schriftelijke uiteenzetting van 20 januari 2020 heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich op het standpunt gesteld dat een herberekening kinderopvangtoeslag 2014 moet plaatsvinden, waarbij de betaalde kosten van € 14.291,00 overeenkomstig het Verzamelbesluit Toeslagen als grondslag dienen. Daarmee heeft de Belastingdienst/Toeslagen zijn eerdere standpunt in het besluit van 7 maart 2018, dat [appellante] niet had aangetoond dat haar kinderopvangtoeslag voor het berekeningsjaar 2014 ten onrechte op nihil was gesteld, verlaten.

    Tussenconclusie

2.6.    Gezien het voorgaande heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat [appellante] geen recht had op kinderopvangtoeslag voor het berekeningsjaar 2014.

    Het betoog slaagt.

Indienen nadere stukken na zitting

2.7.    De Afdeling ziet geen aanleiding [appellante] gelegenheid te bieden om de stukken die zij een dag voor de zitting van de Belastingdienst/Toeslagen heeft ontvangen in deze procedure te betrekken. [appellante] kan deze stukken niet meer bij de Afdeling indienen. De Afdeling overweegt hierover het volgende.

2.8.    Ter zitting heeft [appellante] gezegd dat de Belastingdienst/Toeslagen haar in 2014 niet netjes heeft behandeld. Volgens [appellante] heeft de Belastingdienst/Toeslagen haar voorschot kinderopvangtoeslag 2014 in juli 2014 stopgezet, omdat er in dat jaar een fraudeonderzoek naar [kindercentrum] was gestart. Daaraan heeft zij toegevoegd dat zij in 2015 en 2016 ook geen voorschotten kinderopvangtoeslag heeft ontvangen. Pas bij besluit van 30 september 2016 is haar alsnog een kinderopvangtoeslag over 2015 toegekend. Daaraan heeft [appellante] toegevoegd dat zij nu geen procedures heeft lopen over kinderopvangtoeslagen voor de jaren na 2014. [appellante] heeft verder ter zitting meegedeeld dat de stukken die zij een dag voor de zitting van de Belastingdienst/Toeslagen heeft ontvangen niet gaan over haar kinderopvangtoeslag voor het jaar 2014, maar het fraudeonderzoek naar [kindercentrum] betreffen.

    De Belastingdienst/Toeslagen heeft ter zitting gezegd dat het niet meer uitbetalen van voorschotten kinderopvangtoeslag aan [appellante] na mei 2014 en de start van het fraudeonderzoek naar [kindercentrum] in 2014 geen verband met elkaar hebben. Het betreft een toevallige samenloop van omstandigheden.

2.9.    Deze procedure gaat alleen over de vaststelling van de kinderopvangtoeslag van [appellante] voor het berekeningsjaar 2014. De Afdeling kan daarom in deze procedure niet ingaan op de kinderopvangtoeslag van [appellante] voor de berekeningsjaren 2015 en 2016.

    Hiervoor is onder 2.3 geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag 2014 van [appellante] niet in 2014 heeft stopgezet. De stukken die [appellante] de dag voor de zitting van de Belastingdienst/Toeslagen heeft ontvangen kunnen dus geen betrekking hebben op de stopzetting van de kinderopvangtoeslag 2014 van [appellante]. Zoals hiervoor is vermeld, heeft [appellante] ter zitting bevestigd dat de stukken geen informatie bevatten over haar kinderopvangtoeslag 2014.

    De conclusie is dat de stukken die [appellante] een dag voor de zitting van de Belastingdienst/Toeslagen heeft ontvangen, niet kunnen bijdragen aan de beoordeling van deze zaak.

Redelijke termijn

3.    [appellante] betoogt verder dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden. Zij stelt dat in dit kader haar brief van 12 december 2015 als begin van de redelijke termijn moet worden aangehouden. [appellante] vraagt om vergoeding wegens immateriële schade omdat de rechtbank pas op 22 augustus 2018 uitspraak heeft gedaan. Volgens [appellante] moet de overschrijding van de redelijke termijn geheel aan de Belastingdienst/Toeslagen worden toegerekend.

3.1.    [appellante] heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 7 maart 2018. De Belastingdienst heeft bij dat besluit beslist op haar bezwaar tegen de afwijzing van haar verzoek om herziening van de vaststelling van haar kinderopvangtoeslag over het jaar 2014. De Belastingdienst/Toeslagen heeft het bezwaarschrift van [appellante] volgens een daarop geplaatst stempel op 8 augustus 2017 ontvangen.

    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188) bedraagt de redelijke termijn in een zaak als deze vier jaar en vangt de termijn aan op de datum waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen.

    Het voorgaande betekent dat de redelijke termijn in deze zaak niet is overschreden. De Afdeling zal het verzoek om schadevergoeding afwijzen.

    Het betoog faalt.

Slotsom

4.    Het hoger beroep is gegrond. De rechtbankuitspraak moet worden vernietigd. De Afdeling zal het beroep van [appellante] bij de rechtbank gegrond verklaren en het besluit van 7 maart 2018 vernietigen omdat dat besluit in strijd met de artikelen 3:4, tweede lid, en 7:12, eerste lid, van de Awb is genomen.

Definitieve geschilbeslechting

5.    In artikel 8:41a van de Awb is bepaald dat de bestuursrechter het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief beslecht. De Afdeling ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en de kinderopvangtoeslag van [appellante] voor het jaar 2014 zelf vast te stellen. Dit betekent dat de Belastingdienst/Toeslagen geen nieuw besluit op het door [appellante] gemaakte bezwaar hoeft te nemen. De Afdeling overweegt hierover verder het volgende.

6.    In de nadere schriftelijke uiteenzetting van 20 januari 2020 heeft de Belastingdienst/Toeslagen op pagina 4 een berekening gegeven van de kinderopvangtoeslag 2014 waarop [appellant] recht zou hebben indien zij alle kosten van de in 2014 afgenomen kinderopvang tijdig en volledig had betaald. Op grond van het aantal uren dat [appellante] in 2014 heeft gewerkt heeft de dienst berekend dat de voor 2014 in aanmerking komende kosten van kinderopvang € 14.318,75 bedragen. Hiervan uitgaande bedraagt de kinderopvangtoeslag van [appellante] voor het berekeningsjaar 2014 € 11.007,00. Ter zitting heeft [appellante] desgevraagd meegedeeld dat zij geen redenen heeft om aan de juistheid van de uitkomst van deze berekening te twijfelen. Van dit bedrag aan kinderopvangtoeslag voor 2014 kan daarom worden uitgegaan.

7.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich in de conclusie van de nadere schriftelijke uiteenzetting op het standpunt gesteld dat bij de herberekening moet worden uitgegaan van een bedrag aan in aanmerking te nemen kosten van € 14.291,00, zijnde het bedrag dat voor de kinderopvang in 2014 tijdig is betaald. Tussen dit bedrag en het bedrag van € 14.318,75 zit een verschil van ongeveer € 27,00. Gezien dit geringe verschil, het verloop van de procedure tot nu toe en het belang van een spoedige beslechting van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om de kinderopvangtoeslag van [appellante] voor het berekeningsjaar 2014 vast te stellen op een bedrag van € 11.007,00.

Proceskosten

8.    De Belastingdienst/Toeslagen dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 augustus 2018 in zaak nr. 18/1499;

III.    verklaart het beroep bij de rechtbank gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 7 maart 2018, kenmerk BOB KO;

V.    herroept het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 17 juli 2017, kenmerk BTSL-09b;

VI.    stelt de kinderopvangtoeslag van [appellante] voor het berekeningsjaar 2014 vast op een bedrag van € 11.007,00;

VII.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VIII.    wijst het verzoek om schadevergoeding af;

IX.    veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.400,31 (zegge: tweeduizend vierhonderd euro en eenendertig cent), waarvan € 2.362,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

X.    gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 299,00 (zegge: tweehonderdnegenennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. D.A.C. Slump en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, griffier.

w.g. Hagen    w.g. Oranje

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2020

507.