Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:524

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2020
Datum publicatie
19-02-2020
Zaaknummer
201808073/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij brief van 2 oktober 2017 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland een reactie gegeven op een verzoek van [verzoekster] om instemming met een voorgestelde wijziging van het saneringsplan voor het perceel [locatie] in Zevenaar. [appellanten] zijn gezamenlijk eigenaar van het perceel, dat op een bedrijventerrein aan de oostelijke rand van Zevenaar ligt. Op het perceel is in het verleden een verontreiniging van het grondwater met vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen (VOCl) aangetroffen. Hiervoor is een saneringsplan opgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/68
NJB 2020/649
Milieurecht Totaal 2020/7104
JOM 2020/77
JGROND 2020/87 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Jurisprudentie Grondzaken 2020/87 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201808073/1/A1.

Datum uitspraak: 19 februari 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante A], gevestigd te [plaats], en [appellante B], gevestigd te [plaats] (hierna: [appellanten]),

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 2 oktober 2017 heeft het college een reactie gegeven op een verzoek van [verzoekster] om instemming met een voorgestelde wijziging van het saneringsplan voor het perceel [locatie] in Zevenaar (hierna: het perceel).

Bij besluit van 24 april 2018, kenmerk 2017-016699/2018-000903, heeft het college het door [appellanten] hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland. De rechtbank heeft het beroepschrift doorgezonden naar de Afdeling.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 september 2019, waar [appellanten], vertegenwoordigd door respectievelijk [gemachtigde A] en [gemachtigde B], bijgestaan door mr. G.M.S. Gomes, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door T. Paas en T. Veldhuizen, zijn verschenen. Verder zijn [verzoekster], vertegenwoordigd door [gemachtigde C], en de Stichting Nazorg Westervoortsedijk, vertegenwoordigd door [gemachtigde D], ter zitting gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellanten] zijn gezamenlijk eigenaar van het perceel, dat op een bedrijventerrein aan de oostelijke rand van Zevenaar ligt.

    Op het perceel is in het verleden een verontreiniging van het grondwater met vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen (VOCl) aangetroffen. Hiervoor is een saneringsplan opgesteld als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Wet bodembescherming (hierna: de Wbb). Het gaat om het "Saneringsplan [locatie] te Zevenaar" van adviesbureau Promeco BV van 14 november 2007 (hierna te noemen: het saneringsplan).

    Bij besluit van 13 juni 2008 heeft het college instemming als bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de Wbb verleend aan het saneringsplan. De sanering wordt uitgevoerd door [verzoekster], in opdracht van Stichting Nazorg Westervoortsedijk. Deze sanering is overeengekomen bij de aankoop van het perceel door [appellanten].

2.    Op 21 september 2017 heeft [verzoekster] een verzoek om wijziging van het saneringsplan bij het college ingediend. De voorgestelde wijziging heeft betrekking op de saneringsdoelstelling van het grondwater. [verzoekster] heeft daarbij om instemming van het college gevraagd.

3.    Bij brief van 2 oktober 2017 heeft het college aan [verzoekster] medegedeeld dat het college akkoord gaat met de voorgestelde wijziging van het saneringsplan.

4.    [appellanten] hebben hiertegen bij het college bezwaar gemaakt. De wijziging van het saneringsplan heeft volgens hen tot gevolg dat [verzoekster] de sanering van het grondwater op het perceel eerder mag afronden, waarbij een grotere restverontreiniging zal overblijven. [appellanten] stellen dat zij hierdoor schade lijden.

5.     Bij het besluit van 24 april 2018 (hierna: het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van [appellanten] niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 2 oktober 2017 volgens het college niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Het college stelt zich daarbij op het standpunt dat het verzoek van [verzoekster] van 21 september 2017 om wijziging van het saneringsplan moet worden aangemerkt als een melding in de zin van artikel 39, vierde lid, van de Wbb. Een dergelijke melding heeft als doel dat het college op de hoogte is van de activiteit die wordt verricht, wat het toezicht en de handhaving vereenvoudigt. De reactie op zo'n melding, welke reactie volgens de Wbb niet verplicht is, is als zodanig niet gericht op rechtsgevolg, zo stelt het college. Dit is volgens het college anders indien bij de reactie op de melding aanwijzingen worden gegeven als bedoeld in artikel 39, vijfde lid, van de Wbb. Hiertoe verwijst het college naar de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2342. Omdat zulke aanwijzingen in dit geval niet zijn gegeven, staan volgens het college geen rechtsmiddelen open tegen de brief van 2 oktober 2017.

Relevante regelgeving

6.    Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb luidt:

"Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling."

    Artikel 8:1 luidt:

"Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter."

7.    Artikel 39 van de Wbb luidt:

"1. Indien een geval van ernstige verontreiniging wordt vermoed gaat de melding, bedoeld in artikel 28, voor zover dit niet reeds ingevolge dat artikel is vereist, tevens vergezeld van de resultaten van het nader onderzoek alsmede, indien het voornemen bestaat de bodem te saneren, van de resultaten van het saneringsonderzoek en van een saneringsplan, dat in ieder geval inhoudt:

a. een nadere beschrijving van de wijze waarop de sanering zal worden uitgevoerd, waarbij is aangegeven hoe aan artikel 38, eerste lid, zal worden voldaan;

b. een beschrijving van de effecten die met de te treffen saneringsmaatregelen worden beoogd, waaronder mede begrepen een nadere beschrijving van de kwaliteit van de bodem die met de sanering zal worden bereikt;

[…].

2. Het saneringsplan behoeft de instemming van gedeputeerde staten, die slechts met het plan instemmen indien door de daarin beschreven sanering naar hun oordeel wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 38 bepaalde. Gedeputeerde staten kunnen hun instemming aan het plan onthouden, indien niet is voldaan aan het bepaalde bij of krachtens het eerste lid. Zij beslissen hierover binnen vijftien weken na de indiening van het saneringsplan. Zij kunnen deze termijn binnen zes weken na de datum van ontvangst van de melding verlengen met ten hoogste vijftien weken. Met de uitvoering van het saneringsplan kan worden begonnen nadat gedeputeerde staten met dat plan hebben ingestemd of die instemming van rechtswege is verleend. Aan de instemming kunnen voorschriften worden verbonden. De instemming is van rechtswege verleend, indien gedeputeerde staten niet binnen de instemmingstermijn van vijftien weken of voor de afloop van de termijn waarmee is verlengd een beslissing hebben genomen. Een instemming van rechtswege wordt aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

3. […].

4. Degene die de bodem saneert, meldt wijzigingen van het saneringsplan, waarmee door gedeputeerde staten is ingestemd, uiterlijk twee weken voorafgaand aan de uitvoering daarvan aan gedeputeerde staten. Provinciale staten kunnen nadere regels stellen omtrent de gegevens die bij de melding worden verstrekt. Artikel 28, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

5. Gedeputeerde staten kunnen naar aanleiding van de melding, bedoeld in het vierde lid, aanwijzingen geven omtrent de verdere uitvoering van de sanering, die een wijziging inhouden van onderdelen van het saneringsplan waarmee reeds is ingestemd.

6. […]."

8.    De overige relevante artikelen uit de Wbb zijn weergegeven in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Beoordeling van het beroep

9.    [appellanten] kunnen zich niet met het bestreden besluit verenigen. Door de wijziging van het saneringsplan is het niet langer vereist dat de concentraties VOCl in het grondwater op het perceel onder de zogenoemde tussenwaarde liggen. Hierdoor kan de sanering van het perceel eerder worden afgerond dan zonder de wijziging van het saneringsplan. De brief van 2 oktober 2017, waarbij het college met de wijziging van het saneringsplan heeft ingestemd, is daarom gericht op rechtsgevolg en moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zo betogen [appellanten].

9.1.    Het verzoek om wijziging van het saneringsplan van [verzoekster] van 21 september 2017 is gericht op een wijziging van de saneringsdoelstelling van het grondwater die in het saneringsplan is opgenomen. Daarbij heeft [verzoekster] aan het college gevraagd om in te stemmen met de voorgestelde wijziging van de saneringsdoelstelling.

    Gelet op de aard en strekking van dit verzoek, hetgeen onder meer blijkt uit de bewoordingen, waarbij niet alleen wordt gesproken over een verzoek om wijziging van het saneringsplan maar uitdrukkelijk om de instemming van het college is gevraagd, gaat het hier niet om een melding in de zin van artikel 39, vierde lid, van de Wbb, maar had het college dit verzoek moeten aanmerken als het indienen van een wijziging van het saneringsplan die valt onder de werking van artikel 39, eerste lid, van de Wbb, waarbij de wijziging de instemming van het college behoeft als bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de Wbb. Deze uitleg van een verzoek om wijziging van het saneringsplan, waarbij uitdrukkelijk wordt gevraagd om de instemming van het bevoegd gezag, is wenselijk vanuit een oogpunt van rechtsbescherming.

9.2.    Op 2 oktober 2017 is het college schriftelijk akkoord gegaan met de door [verzoekster] voorgestelde wijziging van het saneringsplan. Gezien het voorgaande moet dit akkoord worden aangemerkt als een instemming als bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de Wbb en niet - zoals het college in het bestreden besluit heeft overwogen - als een reactie op een melding in de zin van artikel 39, vierde lid, van de Wbb. De instemming als bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de Wbb is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Hiertegen kunnen belanghebbenden rechtsmiddelen aanwenden.

9.3.    Uit het vorenstaande volgt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat tegen het besluit van 2 oktober 2017 geen rechtsmiddelen openstaan. Gelet hierop heeft het college het bezwaar van [appellanten] bij besluit van 24 april 2018 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het betoog slaagt.

Conclusie

10.    Het beroep is gegrond. Het besluit van 24 april 2018 dient te worden vernietigd. Dit betekent dat het college een nieuw besluit op het bezwaar van [appellanten] moet nemen, met inachtneming van deze uitspraak.

11.        Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 24 april 2018, kenmerk 2017-016699/2018-000903;

III.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij [appellante A] en [appellante B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.050,00 (zegge: duizendvijftig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

IV.    gelast dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan [appellante A] en [appellante B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. A. ten Veen, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.I. Breunese-van Goor, griffier.

w.g. Slump    w.g. Breunese-van Goor

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2020

208.

 

BIJLAGE

 

Wet bodembescherming

Artikel 28

1. Degene die voornemens is de bodem te saneren dan wel handelingen te verrichten ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, doet van dat voornemen melding bij gedeputeerde staten van de betrokken provincie.

2. Bij de melding, bedoeld in het eerste lid, worden de volgende gegevens verstrekt:

a. de resultaten van onderzoek met betrekking tot de kwaliteit van de bodem;

b. de resultaten van nader onderzoek, indien dat is uitgevoerd;

c. het tijdstip waarop met de handelingen, bedoeld in het eerste lid, zal worden aangevangen;

d. indien verontreinigd grondwater zal worden onttrokken, de bestemming van dat grondwater;

e. indien verontreinigde bodem zal worden afgegraven, de bestemming van de grond en of de verontreinigde grond zal worden gereinigd of geïmmobiliseerd;

f. indien de verontreinigde bodem geheel of gedeeltelijk niet zal worden gereinigd, wordt tevens een beoordeling van de reinigbaarheid of de immobiliseerbaarheid van de verontreinigde grond overgelegd.

3. In afwijking van het tweede lid, worden bij een melding als bedoeld in het eerste lid, waarbij een verontreiniging wordt verminderd of verplaatst uitsluitend door het onttrekken van grondwater als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet, waarvoor:

a. een vergunning is vereist op grond van artikel 6.4 van de Waterwet, en de onttrekking geschiedt ten behoeve van een bodemenergiesysteem,

b. een vergunning is vereist krachtens verordening van een waterschap, of

c. krachtens de Waterwet een melding moet worden gedaan aan het bevoegd gezag, bedoeld in die wet,

de in het vierde lid bedoelde gegevens verstrekt.

4. Bij een melding, bedoeld in het derde lid, worden de volgende gegevens verstrekt:

a. het tijdstip waarop de onttrekking van verontreinigd grondwater volgens voornemen zal aanvangen en de voorgenomen duur van deze onttrekking;

b. de bestemming van het grondwater;

c. gegevens waaruit blijkt dat de onttrekking van het grondwater en indien van toepassing het terug brengen van dat grondwater het belang van de bescherming van de bodem niet schaadt, en

d. een afschrift van de aanvraag van die vergunning dan wel van die melding aan het bevoegd gezag, bedoeld in die wet.

5. Een melding als bedoeld in het eerste lid kan achterwege blijven, indien de betrokkene redelijkerwijs kan aannemen dat de sanering of de handeling waarop zijn voornemen betrekking heeft geen geval van ernstige verontreiniging betreft en tevens vaststaat:

1°. dat de betreffende hoeveelheid verontreinigde grond of verontreinigd grondwater 50 kubieke meter onderscheidenlijk 1000 kubieke meter niet te boven gaat, of

2°. dat uit de aard van de in het eerste lid bedoelde handelingen volgt dat de grond slechts tijdelijk wordt verplaatst en na verplaatsing wordt teruggebracht.

6. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald in welke andere gevallen dan die, genoemd in het vijfde lid, een melding als bedoeld in het eerste lid achterwege kan blijven, mits het niet gevallen van ernstige verontreiniging betreft.

7. Gedeputeerde staten stellen, indien het niet hun voornemen betreft, burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente op de hoogte van een ingevolge het eerste lid gedane melding. Tegelijkertijd doen zij daarvan kennisgeving in één of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen dan wel langs elektronische weg.

8. Dit artikel is niet van toepassing in gevallen als bedoeld in de artikelen 27, 30, eerste lid, en 43.

Artikel 29

1. Gedeputeerde staten kunnen in een beschikking vaststellen of sprake is van een geval van ernstige verontreiniging:

a. naar aanleiding van een nader onderzoek of

b. naar aanleiding van een melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid.

2. Gedeputeerde staten nemen in ieder geval een beschikking:

a. op aanvraag van degene die het nader onderzoek heeft overgelegd of degene die de melding, bedoeld in artikel 28, eerste lid, heeft gedaan;

b. indien toepassing wordt gegeven aan artikel 39, eerste lid.

3. Gedeputeerde staten nemen een beschikking zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vijftien weken na ontvangst van:

a. het nader onderzoek of de melding, bedoeld in artikel 28, eerste lid, of

b. een later daartoe strekkende aanvraag van degene die het nader onderzoek heeft overgelegd of degene die de melding, bedoeld in artikel 28, eerste lid, heeft gedaan.

4. Degene die een melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, heeft gedaan, gaat niet over tot de in dat lid bedoelde handelingen dan:

a. nadat een beschikking als bedoeld in het eerste lid, onder b, is gegeven, dan wel

b. indien binnen de termijn, bedoeld in het derde lid, geen beschikking is gegeven als bedoeld in het eerste lid, onder b: nadat die termijn is verstreken.

5. In afwijking van het eerste en tweede lid nemen gedeputeerde staten geen beschikking als bedoeld in het eerste lid naar aanleiding van een melding die is gedaan overeenkomstig artikel 28, derde lid. Degene die een melding als bedoeld in artikel 28, derde lid, heeft gedaan, gaat niet over tot de in dat lid bedoelde handelingen dan:

a. nadat sinds de melding ten minste vijf weken zijn verlopen, en

b. indien voor die handelingen een vergunning is vereist op grond van de Waterwet of de verordening van een waterschap: nadat die vergunning is verleend.

Artikel 37

1. Gedeputeerde staten stellen in een beschikking als bedoeld in artikel 29, eerste lid, waarbij zij vaststellen dat er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging, tevens vast of het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging leiden tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

2. Indien gedeputeerde staten vaststellen dat van risico's sprake is als bedoeld in het eerste lid, bepalen zij dat met de sanering dient te worden begonnen voor een door hen vast te stellen tijdstip dat ligt zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van de beschikking, bedoeld in het eerste lid. Bij de beschikking kunnen gedeputeerde staten het uiterste tijdstip van indienen van het saneringsplan, bedoeld in artikel 39, aangeven.

3. Bij de beschikking kunnen gedeputeerde staten aangeven welke tijdelijke beveiligingsmaatregelen aan de sanering vooraf dienen te gaan en op welke wijze en tijdstippen aan hen verslag wordt gedaan van de uitvoering van die maatregelen.

4. Indien gedeputeerde staten vaststellen dat geen sprake is van risico’s als bedoeld in het eerste lid, kunnen gedeputeerde staten bij de beschikking aangeven welke maatregelen in het belang van de bescherming van de bodem genomen moeten worden en op welke wijze en tijdstippen aan hen verslag wordt gedaan van de uitvoering van die maatregelen. Tevens kan worden aangegeven welke beperkingen in het gebruik van de bodem door de eigenaar, erfpachter of gebruiker van het grondgebied waar sprake is van ernstige verontreiniging, in acht worden genomen.

5. Bij de beschikking kunnen gedeputeerde staten aangeven door welke natuurlijke persoon of rechtspersoon een verplichting, bij de beschikking opgelegd met toepassing van het tweede lid, het derde lid of de eerste volzin van het vierde lid, moet worden nagekomen.

6. Bij de beschikking geven gedeputeerde staten aan welke wijzigingen van het gebruik van de bodem aan hen dienen te worden gemeld.

7. Gedeputeerde staten kunnen naar aanleiding van een verslag als bedoeld in het derde en vierde lid, een melding als bedoeld in het zesde lid, of een wijziging van omstandigheden de risico's, bedoeld in het eerste lid, anders vaststellen of het tijdstip van de sanering of van het indienen van het saneringsplan, bedoeld in het tweede lid, vaststellen of anders vaststellen.

8. Bij de maatregel, bedoeld in artikel 36, kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste, tweede en zevende lid.

Artikel 38

1. Degene die de bodem saneert, voert de sanering zodanig uit dat:

a. de bodem ten minste geschikt wordt gemaakt voor de functie die hij na de sanering krijgt waarbij het risico voor mens, plant of dier als gevolg van blootstelling aan de verontreiniging zoveel mogelijk wordt beperkt;

b. het risico van de verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt;

c. de noodzaak tot het nemen van maatregelen en beperkingen in het gebruik van de bodem als bedoeld in artikel 39c en artikel 39d zoveel mogelijk wordt beperkt.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid nadere regels worden gesteld.

3. Indien het belang van de bescherming van de bodem zich daartegen niet verzet, kunnen gedeputeerde staten op verzoek van degene die de bodem saneert, bepalen dat de sanering in fasen wordt uitgevoerd. Zij geven daarbij aan:

a. voor de uitvoering van welke fasen vooraf een melding aan hen wordt gedaan en welke gegevens daarbij worden overgelegd;

b. in welke fase welke tijdelijke beveiligingsmaatregelen dienen te worden getroffen;

c. op welke wijze en op welke tijdstippen aan hen verslag wordt gedaan van de uitvoering van de tijdelijke beveiligingsmaatregelen en

d. welke wijzigingen van het gebruik van de bodem aan hen dienen te worden gemeld.

4. Naar aanleiding van een melding als bedoeld in het derde lid, onder a of d, of een verslag als bedoeld in het derde lid, onder c, kunnen gedeputeerde staten aanwijzingen geven omtrent de verdere uitvoering van de sanering, die een wijziging inhouden van onderdelen van het saneringsplan waarmee reeds is ingestemd.

Artikel 39 is weergegeven in de tekst van de uitspraak.

Artikel 39a

Degene die de bodem saneert, alsmede degene die de sanering feitelijk uitvoert, voeren de sanering uit overeenkomstig het saneringsplan waarmee door gedeputeerde staten is ingestemd, en overeenkomstig de voorschriften die aan de instemming zijn verbonden. Indien gedeputeerde staten aanwijzingen als bedoeld in artikel 39, vijfde lid, hebben gegeven, wordt bij de uitvoering van de sanering overeenkomstig die aanwijzingen gehandeld.

Artikel 39c

1. Na de uitvoering van de sanering of een fase van de sanering als bedoeld in artikel 38, derde lid, doet degene die de bodem heeft gesaneerd dan wel een fase van de sanering heeft uitgevoerd, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk verslag aan gedeputeerde staten. Het verslag houdt ten minste in:

a. een beschrijving van de getroffen saneringsmaatregelen;

b. een beschrijving van de kwaliteit van de bodem na het uitvoeren van de sanering, waaronder mede begrepen een beschrijving van de aard en omvang van de verontreiniging indien na de sanering verontreiniging in de bodem aanwezig is gebleven;

[…].

2. Het verslag behoeft de instemming van gedeputeerde staten, die slechts met het verslag instemmen indien gesaneerd is overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 38, en indien de daarin opgenomen beperkingen in het gebruik van de bodem naar hun oordeel voldoende zijn om ervoor te zorgen dat de verontreiniging die na de sanering is achtergebleven niet zal leiden tot een vermindering van de kwaliteit van de bodem zoals beschreven in het verslag op grond van het eerste lid, onder b. Gedeputeerde staten kunnen hun instemming aan het verslag onthouden, indien de sanering niet is geschied overeenkomstig het saneringsplan waarmee door gedeputeerde staten is ingestemd, de beschikking waarbij gedeputeerde staten met het saneringsplan hebben ingestemd en de daaraan verbonden voorschriften, of aanwijzingen die gedeputeerde staten op grond van artikel 39, vijfde lid, hebben gegeven. Aan de instemming kunnen voorschriften worden verbonden. Artikel 28, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing voor wat betreft de instemming met het verslag.

3. Provinciale staten kunnen nadere regels stellen omtrent de gegevens die in het verslag worden opgenomen.

4. Bij de beschikking tot instemming met het schriftelijk verslag kunnen gedeputeerde staten aangeven welke wijzigingen in het gebruik van de bodem aan hen dienen te worden gemeld. Naar aanleiding van die melding kunnen gedeputeerde staten bepalen dat een aanvullende sanering moet plaatsvinden.