Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:470

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-02-2020
Datum publicatie
19-02-2020
Zaaknummer
202000257/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 december 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg [verzoekster] drie lasten onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van de Wet bodembescherming in verband met geconstateerde bodemverontreiniging op het perceel [locatie] en het naastgelegen openbaar gebied te Tilburg. [verzoekster] is in 1984 eigenaar geworden van een deel van het perceel. Niet in geschil is dat direct na aankoop de op het perceel aanwezige oliegestookte ketel is vervangen door een gasketel en dat de ondergrondse olietank buiten bedrijf is gesteld. Die ondergrondse tank is in 1992 gesaneerd. In 1987 heeft [verzoekster] een strook grond grenzend aan het bedrijfsgebouw gekocht van de gemeente. Daarop heeft [verzoekster] een wasplaats en een bovengrondse dieseltank met daaronder een lekbak aangelegd. De dieseltank is in 1999 afgevoerd. In 2008 heeft [verzoekster] het perceel verkocht aan de huidige eigenaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202000257/1/R1.

Datum uitspraak: 17 februari 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te Tilburg,

en

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2019 heeft het college [verzoekster] drie lasten onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 13 van de Wet bodembescherming (hierna: Wbb) in verband met geconstateerde bodemverontreiniging op het perceel [locatie] en het naastgelegen openbaar gebied te Tilburg (hierna: het perceel).

Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bezwaar gemaakt.

[verzoekster] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 februari 2020, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door A.F.J. Jonkers, bijgestaan door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door mr. P. van IJzendoorn, M.C. Zeeman en Y.G.E. Weijns-Maréchal, zijn verschenen. Verder is ing. J.M.A. Clemens, werkzaam bij Amitec B.V., als deskundige aan de zijde van [verzoekster] verschenen.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    [verzoekster] is in 1984 eigenaar geworden van een deel van het perceel. Niet in geschil is dat direct na aankoop de op het perceel aanwezige oliegestookte ketel is vervangen door een gasketel en dat de ondergrondse olietank buiten bedrijf is gesteld. Die ondergrondse tank is in 1992 gesaneerd. In 1987 heeft [verzoekster] een strook grond grenzend aan het bedrijfsgebouw gekocht van de gemeente. Daarop heeft [verzoekster] een wasplaats en een bovengrondse dieseltank met daaronder een lekbak aangelegd. De dieseltank is in 1999 afgevoerd. In 2008 heeft [verzoekster] het perceel verkocht aan de huidige eigenaar.

3.    In opdracht van de huidige eigenaar van het perceel heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. in 2017 een sanering uitgevoerd van een bodemverontreiniging met minerale olie en/of vluchtige aromaten op het perceel. Naar aanleiding van het door Verhoeven Milieutechniek opgestelde evaluatierapport van 6 maart 2018 heeft het college vastgesteld dat na deze sanering een marginale restverontreiniging is achtergebleven (iets meer dan 2 m³) ter hoogte van de perceelsgrens met de openbare weg. Het college stelt zich op het standpunt dat de bodemverontreiniging na 1987 is ontstaan en dat [verzoekster] artikel 13 van de Wbb heeft overtreden.

    In het besluit van 6 december 2019 heeft het college [verzoekster] onder oplegging van dwangsommen gelast om:

1. Binnen twaalf weken na de verzenddatum van het besluit een aanvullend bodemonderzoek te laten uitvoeren, waarbij het gehele geval van bodemverontreiniging ontstaan op het perceel in beeld wordt gebracht. Het bodemonderzoek moet uitgevoerd worden door een erkend bedrijf dat daarvoor erkend is op basis van het Besluit bodemkwaliteit en goedgekeurd is door het college.

2. Binnen 24 weken na de verzenddatum van het besluit een plan van aanpak, waarin beschreven is hoe de nog aanwezige bodemverontreiniging ontstaan op het perceel gesaneerd gaat worden, ter goedkeuring over te leggen aan het college.

3. Binnen 36 weken na de verzenddatum van het besluit de nog aanwezige bodemverontreiniging ontstaan op het perceel te saneren volgens het door het college onder 2 genoemde goedgekeurde plan van aanpak.

4.    Artikel 13 van de Wbb luidt:

"Ieder die op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen, dan wel indien die verontreiniging of aantasting zich voordoet, de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Indien de verontreiniging of aantasting het gevolg is van een ongewoon voorval, worden de maatregelen onverwijld genomen."

5.    Het door [verzoekster] gedane verzoek om een voorlopige voorziening strekt ertoe het besluit van 6 december 2019 te schorsen tot zes weken nadat het college heeft beslist op het door haar daartegen ingediende bezwaar. [verzoekster] heeft in bezwaar primair aangevoerd dat geen sprake is van een nieuwe verontreiniging van na 1987 en dat er om die reden geen overtreding is van artikel 13 van de Wbb. Zij heeft ter onderbouwing van haar bezwaar en verzoek om voorlopige voorziening een rapport van milieuadviesbureau Amitec B.V. van 9 januari 2020 overgelegd.

6.    De vraag of de op het perceel nog aanwezige bodemverontreiniging voor of na 1987 is ontstaan en daarmee of [verzoekster] als overtreder van artikel 13 van de Wbb is aan te merken, leent zich niet voor beantwoording door de voorzieningenrechter in deze procedure. Met het tegenrapport van Amitec heeft [verzoekster] de conclusie van het college over het ontstaan van de bodemverontreiniging gemotiveerd betwist. Het ligt op de weg van het college om in bezwaar de vele tegenwerpingen van de deskundige in dit rapport grondig te onderzoeken. Gelet op de inhoud van het tegenrapport en hetgeen ter zitting van de voorzieningenrechter is besproken, is de voorzieningenrechter er op voorhand niet van overtuigd dat het standpunt dat [verzoekster] als overtreder van artikel 13 van de Wbb is aan te merken in bezwaar stand zal houden.

    De eerste aan de opgelegde last verbonden begunstigingstermijn van twaalf weken eindigt op 28 februari 2020. Het belang van [verzoekster] om niet gedwongen te worden de last uit te voeren voordat op het bezwaar is beslist, is groot. Nu het college ter zitting heeft toegelicht dat het naar verwachting binnen enkele weken na de hoorzitting van 6 februari 2020 een besluit op bezwaar zal nemen en dat het niet binnen de begunstigingstermijn voldoen aan de lasten niet direct een gevaarlijke situatie zal opleveren, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

7.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. De voorzieningenrechter overweegt over de gevraagde verletkosten voor de deskundige dat forfaitair vier uur voor vergoeding in aanmerking komt met een tarief van € 126,47 per uur. Voor zover [verzoekster] heeft verzocht om vergoeding van de gemaakte kosten voor een deskundigenrapport, overweegt de voorzieningenrechter dat dit rapport mede is opgesteld voor de voorlopige voorzieningenprocedure en ook van betekenis is geweest voor de beslissing op het verzoek van [verzoekster]. Die kosten komen daarom voor vergoeding in aanmerking. Volgens de opgave op het proceskostenformulier heeft de deskundige van Amitec 15 uren besteed aan het opstellen van het rapport van 9 januari 2020. Dit aantal komt de voorzieningenrechter niet onredelijk voor. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten voor het opstellen van het deskundigenrapport worden daarom vastgesteld op € 1897,05. Voorts komen de reiskosten van Jonkers voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Tilburg van 6 december 2019, kenmerk 17100638, tot zes weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Tilburg tot vergoeding van bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3493,74 (zegge: drieduizend vierhonderddrieënnegentig euro en vierenzeventig cent), waarvan € 1.050,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Tilburg aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 354,00 (zegge: driehonderdvierenvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Deen

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2020

604.