Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:418

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2020
Datum publicatie
12-02-2020
Zaaknummer
201905500/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2019:2560, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 maart 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast het houden van chihuahua’s op het perceel [locatie] te Utrecht te beperken en beperkt te houden tot maximaal vijf. [appellante] woont met haar twee dochters op het perceel [locatie] te Utrecht. Op 24 november 2017 hebben twee inspecteurs een controle uitgevoerd in de woning op het perceel naar aanleiding van een melding van een omwonende en van de wijkpolitie. Er zou sprake zijn van blaffende honden in de woning en van geuroverlast door uitwerpselen van honden. Uit het inspectierapport volgt dat in de woning op het moment van de inspectie 27 honden, te weten 26 chihuahua’s en een herdershond, een kip en een poes aanwezig waren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2020/8299
JOM 2020/63
JGROND 2020/65 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
TBR 2020/52 met annotatie van P.M.J. de Haan
Jurisprudentie Grondzaken 2020/65 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201905500/1/A1.

Datum uitspraak: 12 februari 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Utrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 5 juni 2019 in zaak nr. 18/4750 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2018 heeft het college [appellante] onder oplegging van een dwangsom gelast het houden van chihuahua’s op het perceel [locatie] te Utrecht te beperken en beperkt te houden tot maximaal vijf.

Bij besluit van 8 november 2018 heeft het college naar aanleiding van het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar de last in die zin gewijzigd dat het aantal chihuahua's moet worden beperkt en beperkt gehouden tot maximaal tien. Bij dit besluit is [appellante] voorts gelast om de overtreding van artikel 1a van de Woningwet te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij uitspraak van 5 juni 2019 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 8 november 2018 vernietigd voor zover daarbij de last is opgelegd om de overtreding van artikel 1a van de Woningwet te beëindigen en beëindigd te houden. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 januari 2020, waar [appellante], bijgestaan door mr. T.A.M. van Oosterhout, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door S. Ros en mr. A.M. Scharff, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante] woont met haar twee dochters op het perceel [locatie] te Utrecht. Op 24 november 2017 hebben twee inspecteurs een controle uitgevoerd in de woning op het perceel naar aanleiding van een melding van een omwonende en van de wijkpolitie. Er zou sprake zijn van blaffende honden in de woning en van geuroverlast door uitwerpselen van honden. Uit het inspectierapport volgt dat in de woning op het moment van de inspectie 27 honden, te weten 26 chihuahua’s en een herdershond, een kip en een poes aanwezig waren.

    Bij besluit van 5 maart 2018 is aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd. Volgens het college gebruikt [appellante] de woning op het perceel in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Actualisering 2015, Oog in Al en Lunetten" waarin het perceel de bestemming "Wonen" heeft. Uit het besluit volgt dat het college zich op het standpunt stelt dat de dieren weliswaar hobbymatig worden gehouden, maar dat is gebleken dat de betreffende honden een dermate negatieve invloed hebben op de woonomgeving dat die daarmee niet verenigbaar is. Het college heeft daarom besloten handhavend op te treden. [appellante] wordt gelast om het aantal chihuahua’s binnen de gestelde begunstigingstermijn terug te brengen tot vijf, onder oplegging van een dwangsom van € 10.000,00 ineens.

    Bij besluit van 8 november 2018 heeft het college de bij besluit van 5 maart 2018 opgelegde last onder dwangsom in die zin gewijzigd dat het aantal chihuahua’s moet worden teruggebracht tot maximaal tien en heeft het de motivering van dat besluit aangepast. Verder heeft het college een aanvullende last onder dwangsom opgelegd, wegens een overtreding van artikel 1a van de Woningwet.

    De rechtbank heeft het door [appellante] tegen het besluit van 8 november 2018 ingestelde beroep gegrond verklaard, omdat het college volgens de rechtbank ten onrechte een last onder dwangsom had opgelegd wegens een overtreding van artikel 1a van de Woningwet. In zoverre is het besluit van 8 november 2018 door de rechtbank vernietigd. Het besluit is voor het overige in stand gelaten.

    Met het ingestelde hoger beroep beoogt [appellante] een verdergaande vernietiging van het besluit van 8 november 2018 te bereiken. Het college heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de vernietiging van het besluit voor zover het een last onder dwangsom had opgelegd wegens een overtreding van artikel 1a van de Woningwet.

2.    De rechtbank is er in de aangevallen uitspraak van uitgegaan dat er ten tijde van het besluit van 5 maart 2018 24 chihuahua’s in de woning aanwezig waren, omdat dit ter zitting bij de rechtbank door [appellante] is verklaard. De Afdeling zal ook van 24 chihuahua’s uitgaan. Overigens is ter zitting door [appellante] verklaard dat zij inmiddels nog 23 chihuahua’s houdt.

Bespreking van het hoger beroep van [appellante]

Is de last onder dwangsom terecht opgelegd?

3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet bevoegd was handhavend op te treden wegens strijd met het bestemmingsplan. Het houden van 24 chihuahua’s is volgens haar niet in strijd met de woonbestemming, omdat de ruimtelijke uitstraling beperkt is. Volgens haar heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat de ruimtelijke uitstraling van het houden van 24 chihuahua’s zodanig is dat het gebruik van het perceel niet meer verenigbaar is met de bestemming "Wonen". Zij wijst er op dat de hondjes zelden in de tuin komen en dat ze de hondjes over het algemeen niet alleen laat. Ze heeft camera’s geïnstalleerd om de hondjes in de gaten te houden. Zij wijst voorts op diverse verklaringen, waaruit blijkt dat er geen sprake is van overlast. Ook wijst zij er op dat de GGZ en de dierenpolitie regelmatig bij haar zijn geweest, maar geen aanleiding hebben gezien om in te grijpen. Volgens [appellante] heeft de rechtbank het college ten onrechte gevolgd in zijn standpunt en is zij daarbij van onjuiste feiten uitgegaan.

3.1.    De vraag of het door [appellante] van het perceel gemaakte gebruik voor het houden van 24 chihuahua’s in strijd is met de bestemming "Wonen", dient te worden beoordeeld aan de hand van de ruimtelijke uitstraling die dat gebruik gezien zijn aard, omvang en intensiteit heeft. Bepalend is of deze uitstraling van dien aard is dat deze planologisch gezien niet meer valt te rijmen met de woonfunctie van het betrokken perceel. Vergelijk de uitspraak van 29 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA1349.

    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank niet onderkend dat het college niet met objectieve gegevens heeft onderbouwd dat de ruimtelijke uitstraling van het gebruik van de woning door het houden van 24 chihuahua’s in dit geval zodanig is dat het niet langer verenigbaar is met de woonbestemming. Ter onderbouwing van zijn besluit heeft het college gewezen op het inspectierapport van het bezoek aan de woning van 24 november 2017. Dat rapport heeft echter alleen betrekking op de situatie in de woning, wat ter zitting door de inspecteur is bevestigd. Uit het rapport volgt niet wat de ruimtelijke uitstraling is van het houden van de 24 chihuahua’s. Ter zitting heeft het college in dat verband toegelicht dat er een melding is ontvangen van de buren in de aangrenzende woning en dat er bovendien in het verleden, in 2016, klachten waren uit de buurt. Het college heeft echter, zoals hiervoor is overwogen, naar aanleiding van de melding van de buren in de aangrenzende woning niet onderzocht wat de ruimtelijke uitstraling van het houden van 24 chihuahua’s was. Het college had juist in dit geval de ruimtelijke uitstraling met objectieve gegevens moeten onderbouwen, omdat het zich op het standpunt stelt dat de chihuahua’s hobbymatig worden gehouden en niet bedrijfsmatig of als in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was. De in het verleden geuite klachten kon het college niet bij zijn besluit betrekken. Deze klachten hebben allereerst geen betrekking hebben op de situatie ten tijde van het besluit van 5 maart 2018. Daarbij komt verder dat het college naar aanleiding van deze klachten in 2016 aan [appellante] bij besluit van 2 februari 2016 een last onder dwangsom heeft opgelegd wegens een vermeende overtreding van artikel 2.38 van de destijdse geldende Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: de APV). Dit besluit heeft het college echter weer ingetrokken bij besluit van 7 juni 2016, omdat onvoldoende objectief was geconstateerd dat voornoemde bepaling uit de APV was overtreden.

    Het voorgaande betekent dat het college niet met objectieve gegevens heeft onderbouwd wat de ruimtelijke uitstraling van het houden van 24 chihuahua’s is. Het besluit van 8 november 2018 is daarom niet voorzien van een zorgvuldige motivering en zal daarom worden vernietigd. Aan een behandeling van de overige gronden van [appellante] wordt niet toegekomen.

    Het betoog slaagt.

Conclusie en slot

4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover aangevallen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 8 november 2018 geheel vernietigen.

Proceskosten

5.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht van 8 november 2018, kenmerk CDZ_KLA-17-36602-CDZ_LOD-1571;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.050,00 (zegge: duizendvijftig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 259,00 (zegge: tweehonderdnegenenvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. B.J. Schueler en mr. A. ten Veen, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.D. Kamphorst-Timmer, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Kamphorst-Timmer

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2020

776.