Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:367

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-02-2020
Datum publicatie
05-02-2020
Zaaknummer
201903684/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 december 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag zijn beslissing om op 7 december 2018 spoedeisende bestuursdwang jegens [appellant] toe te passen wegens het door hem in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat van de kosten van bestuursdwang een bedrag van € 126,00 voor rekening van [appellant] komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201903684/1/A1.

Datum uitspraak: 5 februari 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 31 december 2018 heeft het college zijn beslissing om op 7 december 2018 spoedeisende bestuursdwang jegens [appellant] toe te passen wegens het door hem in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: de Afvalstoffenverordening) aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat van de kosten van bestuursdwang een bedrag van € 126,00 voor rekening van [appellant] komt.

Bij besluit van 7 mei 2019, verzonden op 8 mei 2019, heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Bij besluit van 11 december 2019 heeft het college het besluit van 7 mei 2019 herzien.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 december 2019, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door M. Eser, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een huisvuilzak die op 7 december 2018 naast een aangewezen inzamelvoorziening op de Hengelolaan te Den Haag, ter hoogte van nummer 1138, is aangetroffen. In het primaire besluit van 31 december 2018 en het besluit op bezwaar van 7 mei 2019, heeft het college [appellant] als overtreder van artikel 9 van de Afvalstoffenverordening aangemerkt.

    Op 11 december 2019 heeft het college een besluit genomen dat blijkens de aanhef strekt tot herziening van de beslissing op het bezwaarschift, ingediend namens [appellant] tegen het besluit van 31 december 2018 inzake het kostenverhaal toepassing bestuursdwang Hengelolaan nr. 1138. In dit besluit staat dat het college zich bij nader inzien op het standpunt stelt dat het [appellant] inderdaad ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt. Het college heeft het besluit van 7 mei 2019 vervolgens met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gewijzigd in zoverre dat in plaats van [appellant], [gemachtigde] wordt aangemerkt als overtreder. Voor het overige heeft het college het besluit van 7 mei 2019 in stand gelaten.

2.    [appellant] heeft in bezwaar en in beroep betwist dat hij de vuilniszak naast de container heeft geplaatst.

2.1.    Artikel 5:31 van de Awb luidt:

"1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. […]

2. Indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, kan terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt."          

    Artikel 5:25, eerste lid, luidt: "De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen."

    Artikel 5:1, tweede lid, luidt: "Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt."

    Artikel 6:19, eerste lid, luidt:

"Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben."

    Artikel 7:11 luidt:

"1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

2. Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit."

2.2.    Het besluit van 11 december 2019 is een besluit tot wijziging van het besluit van 7 mei 2019. Op grond van het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, heeft het beroep van [appellant] van rechtswege mede betrekking op het besluit van 11 december 2019, aangezien met dit besluit niet volledig aan zijn bezwaar is tegemoet gekomen. Zijn bezwaar is immers nog steeds ongegrond verklaard en het besluit van 31 december 2018 is niet herroepen. Uit het besluit van 11 december 2019 volgt evenwel dat het college nu erkent dat [appellant] niet als overtreder kan worden aangemerkt. Het college had daarom, gelet op het bepaalde in artikel 7:11 van de Awb, het bezwaar van [appellant] gegrond moeten verklaren en het besluit van 31 december 2018 moeten herroepen.

    Het betoog slaagt.

3.    De beroepen zijn gegrond. De besluiten van 11 december 2019 en 7 mei 2019 dienen wegens strijd met de artikelen 5:25, eerste lid, en 7:11 van de Awb, te worden vernietigd. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien. Het besluit van 31 december 2018 zal worden herroepen. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten.

4.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep tegen het besluit van 11 december 2019 gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 11 december 2019, kenmerk B.4.19.0189.001/BZW0000010560;

III.    verklaart het beroep tegen het besluit van 7 mei 2019 gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 7 mei 2019, kenmerk B.4.19.0189.001/BZW0000010560;

V.    herroept het besluit van 31 december 2018, kenmerk 08977W2A18;

VI.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 47,00 (zegge: zevenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2020

270-929.