Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:357

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-02-2020
Datum publicatie
05-02-2020
Zaaknummer
201903099/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:1693, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 januari 2018 heeft het college een aanvraag van [appellante] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201903099/1/A2.

Datum uitspraak: 5 februari 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 maart 2019 in zaak nr. 18/3630 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland.

Procesverloop

Bij besluit van 25 januari 2018 heeft het college een aanvraag van [appellante] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 31 mei 2018 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 maart 2019 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 december 2019, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Dorrepaal zijn verschenen. Voorts is mr. I.M.A.M. de Looij, werkzaam bij de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ), verschenen.

Overwegingen

1.    Op 14 februari 2007 heeft [appellante] bij het college een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade ingediend. Zij is eigenaar van de percelen aan de [locatie] in Berkel en Rodenrijs, voorheen bekend onder de kadastrale nummers […] en […]. [appellante] betoogt dat haar percelen in waarde zijn gedaald door de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Landelijk gebied, 5e partiële herziening" dat op 29 november 2001 is vastgesteld en op of omstreeks 10 mei 2002 in werking is getreden, aangezien met dit plan de gronden niet langer voor de bouw van kassen en daarbij behorende ketel- en stookhuizen kunnen worden gebruikt. Het voorgaande bestemmingsplan "Landelijk Gebied, na 1e herziening" voorzag wel in deze mogelijkheid.

2.    Vanwege een poging tot minnelijke verwerving en een onteigeningsprocedure is de planschadeprocedure door het college opgeschort en is pas bij besluit van 25 januari 2018 op de aanvraag beslist. Met dit besluit heeft het college de aanvraag afgewezen. Hieraan heeft het college het advies van de SAOZ van 16 januari 2018 ten grondslag gelegd. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op de gronden die [appellante] in 1997 heeft gekocht, dient de aanvraag volgens het advies afgewezen te worden omdat [appellante] in zoverre actief heeft aanvaard dat de onder het oude planologische regime bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden op haar percelen zouden vervallen aangezien de planologische wijziging voor haar ten tijde van de aankoop voorzienbaar was. Wat betreft de gronden die zij in 1995 heeft verkregen kan haar tegengeworpen worden dat zij passief heeft aanvaard dat de onder het oude planologische regime bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden op haar percelen zouden vervallen. Verder is volgens het advies voor een klein deel van de gronden - de gronden waaraan met het voorgaande plan de bestemming "A(zbkk)" was toegekend - geen sprake van een planologisch nadeliger situatie.

    Bij besluit van 31 mei 2018 heeft het college de door [appellante] daartegen ingediende bezwaren ongegrond verklaard.

3.    De rechtbank heeft het beroep van [appellante] tegen het besluit van 31 mei 2018 ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank biedt haar betoog geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de SAOZ niet onafhankelijk dan wel partijdig in haar advisering is geweest. Verder heeft het college [appellante] terecht tegengeworpen dat zij het risico dat de bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden voor glastuinbouw zouden kunnen vervallen, voor een deel actief en voor een deel passief heeft aanvaard. Gelet hierop heeft het college de aanvraag om een tegemoetkoming in planschade kunnen afwijzen. Voorts is volgens de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een concrete ondubbelzinnige toezegging of van schending van het gelijkheidsbeginsel, zodat dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

Het hoger beroep

Goede procesorde

4.    [appellante] heeft niet in het hoger beroepschrift maar eerst ter zitting betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college haar verzoek om toekenning van planschade heeft mogen afwijzen omdat zij het risico dat de bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden zouden vervallen voor een deel actief en voor een deel passief heeft aanvaard.

4.1.    Behoudens in geschillen waar de wet anders bepaalt, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en, indien die termijn is gegeven, na de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht, nieuwe gronden worden ingediend, zij het dat die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde zich daartegen verzet, is in het algemeen bepalend een afweging van de proceseconomie, de reden waarom de desbetreffende beroepsgrond pas in een laat stadium is aangevoerd, de mogelijkheid voor de andere partijen om adequaat op die beroepsgrond te reageren en de processuele belangen van de partijen over en weer.

4.2.    De door [appellante] aangevoerde grond is niet opgenomen in haar hoger beroepschrift, waardoor het college zich hierop niet heeft kunnen voorbereiden en er niet adequaat op heeft kunnen reageren. Voorts zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het voor [appellante] redelijkerwijs niet mogelijk was deze beroepsgrond eerder in hoger beroep aan te voeren. De Afdeling laat deze beroepsgrond daarom buiten beschouwing.

Inhoudelijke gronden

5.    [appellante] bestrijdt het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de onafhankelijkheid van de SAOZ. Dat de SAOZ niet onafhankelijk is volgt volgens haar uit het feit dat de stichting volgens haar onder de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland valt. [appellante] betoogt dat de SAOZ zich in haar advies nadrukkelijk heeft gemanifesteerd als een partijdeskundige.

    Verder heeft [appellante] uiteengezet dat zij als gevolg van de planologische wijziging schade lijdt ten bedrage van € 672.166,20. Deze schade behoort redelijkerwijs niet voor haar rekening te blijven. [appellante] voert aan dat het college deze schade in natura had kunnen vergoeden door toekenning van vier woonkavels aan haar gronden.

5.1.    Aan het bestreden besluit heeft het college het advies van de SAOZ van 16 januari 2018 ten grondslag gelegd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3441, is de SAOZ te beschouwen als een onafhankelijk deskundige op het gebied van planschade. Een bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Daarbij moet het ook nagaan of de deskundige onpartijdig was. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs.

    Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan.

    [appellante] heeft geen gronden aangevoerd die leiden tot de conclusie dat het college niet op het advies van de SAOZ heeft mogen afgaan. In het betoog van [appellante] heeft de rechtbank verder terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de SAOZ partijdig heeft geadviseerd. Uit het betoog van [appellante] blijkt niet op grond van welke specifieke feiten of omstandigheden geoordeeld moet worden dat de SAOZ zich in haar advies nadrukkelijk heeft gemanifesteerd als een partijdeskundige. Anders dan [appellante] betoogt is de SAOZ geen onderdeel van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

    Het betoog faalt.

5.2.    Wat betreft haar betoog dat het college de door haar gestelde schade in natura had kunnen vergoeden door toekenning van vier woonkavels aan haar gronden, heeft het college daarvoor geen aanleiding hoeven zien alleen al omdat uit het besluit volgt dat geen recht bestaat op planschade.

    Het betoog faalt.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.F. Donner-Haan, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Donner-Haan

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2020

674.