Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:3112

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-12-2020
Datum publicatie
23-12-2020
Zaaknummer
201908473/1/R3
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 oktober 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Staphorst aan Wij Windenergie Staphorst B.V. i.o. een omgevingsvergunning verleend voor de realisatie van Windpark Staphorst, voor 25 jaar voor de locatie kadastraal bekend gemeente Staphorst, sectie A, nummers 587, 588, 615 en 3006. De besloten vennootschap is daarna opgericht, waarbij de naam van de vennootschap is gewijzigd in Windpark Duurzaam Staphorst B.V. Hierna wordt Wij Windpark Staphorst i.o. ook aangeduid als Windpark Duurzaam Staphorst B.V.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2021/1
Milieurecht Totaal 2021/7221
Module Ruimtelijke ordening 2021/8468 met annotatie van M.G.O. De lange
JM 2021/47 met annotatie van Soer, J.H.K.C.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201908473/1/R3.

Datum uitspraak: 23 december 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak, onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellant], wonend te Staphorst, en anderen,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Staphorst,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2019 heeft het college aan Wij Windenergie Staphorst B.V. i.o. een omgevingsvergunning verleend voor de realisatie van Windpark Staphorst, voor 25 jaar voor de locatie kadastraal bekend gemeente Staphorst, sectie A, nummers 587, 588, 615 en 3006. De besloten vennootschap is daarna opgericht, waarbij de naam van de vennootschap is gewijzigd in Windpark Duurzaam Staphorst B.V. Hierna wordt Wij Windpark Staphorst i.o. ook aangeduid als Windpark Duurzaam Staphorst B.V.

Bij besluit van 3 oktober 2019 heeft het college een maatwerkvoorschrift vastgesteld.

Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekend gemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro).

Tegen deze besluiten hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 25 september 2020, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door mr. J.G.L. van Nus en mr. S.J. de Haan, beiden advocaat te Amsterdam, vergezeld door [appellant A], en het college, vertegenwoordigd door mr. J.J. van den Berg en F.M. Oosterbaan, bijgestaan door mr. M.M. Kaajan, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Voorts is op de zitting Windpark Duurzaam Staphorst B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde A], ook bijgestaan door [gemachtigde B], vergezeld door ir. D.F. Oude Lansink en drs. T. ten Klooster, beiden werkzaam bij Pondera Consult, als partij gehoord.

Overwegingen

1.    Artikel 8:51d van de Awb luidt, voor zover nu van belang: "Indien de bestuursrechter in hoogste aanleg uitspraak doet, kan hij het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen."

2.    De van belang zijnde regelgeving is opgenomen in de uitspraak dan wel in de aangehechte bijlage I die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

3.    Aan Windpark Duurzaam Staphorst B.V. is een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van Windpark Staphorst. Windpark Staphorst bestaat uit drie windturbines, aangeduid als WT1, WT2 en WT3, met een tiphoogte van maximaal 212 m. De windturbines hebben een beoogd gezamenlijk vermogen van 12 MW.

Het plaatsingsgebied ligt in het buitengebied van de gemeente Staphorst, ten zuidoosten van de dorpskern van Staphorst en ten noordwesten van het gebied "Boswachterij Staphorst".

4.    De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten bouwen, het uitvoeren van een werk of werkzaamheden, het afwijken van het bestemmingsplan en het oprichten van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c, en e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).

In het vastgestelde maatwerkvoorschrift is bepaald dat voor woningen in cumulatie een maximale slagschaduwduur van 1 uur per jaar is toegestaan.

Op de bestreden besluiten is de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) van toepassing.

5.    [appellant] en anderen zijn bewoners en ondernemers die wonen of zijn gevestigd in de omgeving van het voorziene windpark Staphorst. Zij verzetten zich tegen de komst van het windpark, omdat zij vrezen dat de realisatie van de drie windturbines leidt tot een aantasting van hun woon- en leefklimaat.

Opzet uitspraak

6.    De Afdeling zal eerst ingaan op de ontvankelijkheid van het beroep van [appellant] en anderen (overweging 7). Daarna zal de Afdeling de algemene beroepsgronden bespreken (overwegingen 8-11).

Vervolgens zal de Afdeling ingaan op het afwijken van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo (overwegingen 12 - 27). Hierna komen de beroepsgronden over de activiteit bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo aan bod (overwegingen 28 - 30). Tot slot komen de beroepsgronden over het oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo (overwegingen 31 - 32) en over het vastgestelde maatwerkvoorschrift voor slagschaduw aan de orde (overwegingen 33 - 34). Aan het slot volgt de conclusie (overweging 35 - 38).

Algemeen

Ontvankelijkheid

7.    In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

7.1.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271, onder 3.2, is geen sprake van een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang indien de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef-, of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Uit de uitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, onder 7, over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer (hierna: uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer) volgt dat de Afdeling voor windparken op land als uitgangspunt hanteert dat gevolgen van enige betekenis aanwezig kunnen worden geacht binnen een afstand van tien keer de tiphoogte van de voor appellanten dichtstbijzijnde windturbine, gemeten vanaf de voet van de windturbine. In veel gevallen bestaat ook buiten deze afstand zicht op het windpark, vooral als het windpark in open landschap ligt. De Afdeling gaat er echter van uit dat de gevolgen van het zicht op het windpark voor het woon- en leefklimaat op een afstand van meer dan tien keer de tiphoogte in beginsel te beperkt zijn om nog te kunnen spreken van gevolgen van enige betekenis. Daarnaast gaat de Afdeling ervan uit dat op die afstand in beginsel geen andere gevolgen van enige betekenis zijn te verwachten, zoals geluid- of slagschaduwhinder.

7.2.    De bestreden omgevingsvergunning maakt de bouw en exploitatie van 3 windturbines mogelijk, met een tiphoogte van maximaal 212 m. Dit betekent dat de Afdeling ervan uitgaat dat op een afstand van 2.120 m vanaf de voet van de dichtstbijzijnde windturbine geen gevolgen van enige betekenis zullen worden ondervonden.

7.3.    Het beroep van [appellant] en anderen is ingediend namens verschillende natuurlijke personen en rechtspersonen. Als ervan wordt uitgegaan dat op een afstand van meer dan tien keer de tiphoogte geen gevolgen van enige betekenis worden ondervonden, dan betekent dit dat natuurlijke personen en rechtspersonen die respectievelijk wonen en zijn gevestigd op een afstand van meer dan 2.120 m van de dichtstbijzijnde windturbine van het windpark Staphorst, geen belanghebbende zijn.

7.4.    Bij brief van 14 juli 2020 hebben [appellant] en anderen de afstanden kenbaar gemaakt tussen de percelen waar zij wonen of waar hun onderneming is gevestigd en de dichtstbijzijnde windturbine van het windpark. Hieruit blijkt dat de percelen van enkele personen zijn gelegen op meer dan 2.120 m afstand van de dichtstbijzijnde windturbine.

[appellant] en anderen betogen dat in dit geval ook buiten deze afstand gevolgen van enige betekenis zijn te verwachten. Zij wijzen op de openheid van het gebied in relatie tot het historische karakter van de lintbebouwing in Staphorst. Dit betekent echter naar het oordeel van de Afdeling op zichzelf niet dat op een grotere afstand van 2.120 m gevolgen van enige betekenis voor het woon- en leefklimaat zijn te verwachten.

De conclusie is daarom dat de personen die op een afstand van meer dan 2.120 m wonen of zijn gevestigd geen belanghebbenden zijn bij de bestreden besluiten. Dit geldt voor de personen die zijn genoemd in bijlage II, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Het voorgaande betekent dat het beroep van [appellant] en anderen niet-ontvankelijk is, voor zover dit beroep is ingesteld door de in bijlage II bij deze uitspraak genoemde personen.

Nieuwe beroepsgrond

8.    In artikel 1.6a van de Chw is bepaald dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. Dit betekent dat alle beroepsgronden in het beroepschrift dienen te worden opgenomen en dat na afloop van de beroepstermijn geen nieuwe gronden meer kunnen worden ingediend.

8.1.    Pas ter zitting hebben [appellant] en anderen een beroepsgrond naar voren gebracht over het "Beknopt Bemalingsadvies" van 2 augustus 2019. Gelet op artikel 1.6a van de Chw wordt deze beroepsgrond buiten inhoudelijke beoordeling gelaten.

Regionale Energiestrategie van West-Overijssel

9.    [appellant] en anderen hebben in het nader stuk van 8 september 2020 beroepsgronden aangevoerd over de concept-Regionale Energiestrategie (RES) van West-Overijssel.

De Afdeling stelt vast dat in december 2019 de startnota voor de RES voor West-Overijssel is vastgesteld en de documenten van de concept-RES daarna. Omdat de Afdeling de bestreden besluiten toetst aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals die zich voordeden en het recht zoals dat gold ten tijde van het nemen van die besluiten, kan wat over de RES van West-Overijssel naar voren is gebracht niet worden betrokken in de beoordeling. De Afdeling laat deze beroepsgronden daarom buiten inhoudelijke bespreking.

Wijziging van de aanvraag

10.    [appellant] en anderen betogen dat de aanvraag had moeten worden geweigerd of niet in behandeling had mogen worden genomen en verder dat de raad de daarvoor benodigde gevraagde verklaring van geen bedenkingen niet had mogen afgeven. Zij voeren aan dat hangende de vergunningprocedure de aanvraag, vanwege een andere locatie voor WT1 en WT2, zodanig ingrijpend is gewijzigd, dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken. Zij wijzen erop dat op voorhand al duidelijk was dat de aanvraag moest worden gewijzigd en dat daarvoor nieuwe onderzoeken moesten worden uitgevoerd, maar dat onder tijdsdruk de vergunningprocedure toch in gang is gezet. Zij brengen verder naar voren dat in een uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1769, onder 30 en verder, is overwogen dat een verschuiving van een windturbine kan leiden tot overschrijding van normen voor geluid, slagschaduw en veiligheid. Verder stellen [appellant] en anderen dat, omdat windpark Staphorst uit slechts drie windturbines bestaat, de verschuiving van twee windturbines tot gevolg heeft dat er sprake is van een gewijzigde verschijningsvorm in relatie tot de omgeving. Volgens [appellant] en anderen had de wijziging met de daarbij behorende onderzoeken aan de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: Commissie voor de m.e.r.) moeten worden voorgelegd.

[appellant] en anderen betogen dat zij zijn benadeeld in hun mogelijkheden voor rechtsbescherming door de wijziging van de aanvraag. Daardoor doet zich strijd voor met artikel 3:2 en artikel 3:3 van de Awb. Zij wijzen er daarbij op dat de Chw van toepassing is, waardoor zij na het verstrijken van de beroepstermijn geen nieuwe beroepsgronden meer kunnen aanvoeren. Ook stellen zij dat hen artikel 6:13 van de Awb niet kan worden tegengeworpen, omdat dat in strijd is met het Verdrag van Aarhus. Zij wijzen daarbij op de conclusie van Advocaat-Generaal Bobek, ECLI:EU:2020:514, in een zaak die bij het Hof van Justitie van de Europese Unie aanhangig is onder nummer C-826/18, waarin onder meer de reikwijdte van artikel 6:13 van de Awb aan de orde is.

10.1.    Ten opzichte van het ontwerpbesluit is WT1 90 m naar het zuidoosten verschoven en WT2 vier meter naar het noordwesten verplaatst. Het wijzigen van de locaties is het gevolg van een nader onderzoek van Pondera Consult. Dat onderzoek is verricht naar aanleiding van het verzoek aan het college van de raad in verband met de door de raad op grond van artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo afgegeven ontwerpverklaring van geen bedenkingen, om na te gaan of een meer optimale positie van de windturbines mogelijk is voor eventuele toekomstige ontwikkelingen op het bedrijventerrein Bullingerslag en uitbreiding van de woonwijk de Slagen. In het onderzoek van Pondera Consult is gekeken naar mogelijkheden om de locatie van de turbines te wijzigen en naar de gevolgen daarvan voor de aspecten geluid, slagschaduw, externe veiligheid, natuur, landschap, water en bodem, luchtvaart en cultuurhistorie. Dat onderzoek heeft geleid tot de wijziging van de aanvraag van 7 augustus 2019, waarvoor de bestreden omgevingsvergunning is verleend.

10.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2329, onder 13.2, is het college gerechtigd en in bepaalde gevallen zelfs verplicht om de indiener van een aanvraag in de gelegenheid te stellen zijn aanvraag zodanig te wijzigen of aan te vullen, dat geconstateerde beletselen voor het verlenen van de vergunning worden weggenomen. Daarbij zal het moeten gaan om wijzigingen van ondergeschikte aard, waarvoor volgens vaste rechtspraak van de Afdeling geen nieuwe aanvraag is vereist.

Indien een wijziging van de oorspronkelijke aanvraag zodanig ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken, moet voor het gewijzigde bouwplan een nieuwe aanvraag worden ingediend.

10.3.    Het college heeft zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat in dit geval sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard, zodat geen nieuwe aanvraag hoefde te worden ingediend. De gewijzigde aanvraag ziet, evenals de oorspronkelijke aanvraag, op het realiseren van drie windturbines in een driehoeksopstelling, in een relatief open landschap. Hierdoor blijft, anders dan [appellant] en anderen stellen, de uiterlijke verschijningsvorm van het windpark als zodanig en daarmee de ruimtelijke uitstraling ervan, vrijwel ongewijzigd ten opzichte van het oorspronkelijke bouwplan, zoals uit het onderzoek van Pondera Consult volgt. Voorts leidt de wijziging van de locaties voor WT1 en WT2 volgens het onderzoek van Pondera Consult niet tot meer gevolgen voor de omgeving wat betreft geluid, slagschaduw en externe veiligheid, waar [appellant] en anderen voor vrezen. Reeds daarom hoefde geen advies aan de Commissie voor de m.e.r. te worden gevraagd. De vergelijking van [appellant] en anderen met de casus in de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1769, onder 30 en verder, gaat naar het oordeel van de Afdeling niet op. In het in die uitspraak aan de orde zijnde bestemmingsplan werd voorzien in schuifruimte voor windturbines die tot een overschrijding van de waarde voor de geluidbelasting zou kunnen leiden. De in deze procedure bestreden omgevingsvergunning die is verleend voor de aanvraag, zoals die op 7 augustus 2019 is gewijzigd, geeft die ruimte niet.

10.4.    De stelling van [appellant] en anderen dat zij door de wijziging van de aanvraag zijn benadeeld in hun mogelijkheden voor rechtsbescherming, volgt de Afdeling niet. Zoals ook hiervoor onder 8 is overwogen, kunnen op grond van artikel 1.6a van de Chw na de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd. De onderzoeken die bij de aanvraag horen waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, dateren van vóór de ter inzagelegging van de bestreden besluiten op 16 oktober 2019. Deze onderzoeken zijn gelijktijdig met de bestreden besluiten, gedurende de beroepstermijn, ter inzage gelegd. Dit betekent dat [appellant] en anderen binnen de beroepstermijn beroepsgronden konden aanvoeren over deze onderzoeken. Daarbij wijst de Afdeling erop dat artikel 1.6a van de Chw er niet aan in de weg staat dat [appellant] en anderen eventuele beroepsgronden over die onderzoeken ook na het verstrijken van de beroepstermijn nog konden uitbreiden met nieuwe argumenten. De Afdeling ziet in wat [appellant] en anderen hierover hebben aangevoerd, dan ook geen grond voor de conclusie dat de omgevingsvergunning in strijd met het in artikel 3:2 van de Awb opgenomen zorgvuldigheidsbeginsel is voorbereid en evenmin dat het college, in strijd met het in artikel 3:3 van de Awb opgenomen verbod van détournement de pouvoir, de bevoegdheid tot het verlenen van de bestreden omgevingsvergunning heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. De gestelde omstandigheid dat de besluitvorming onder tijdsdruk heeft plaatsgevonden, wat daar verder ook van zij, acht de Afdeling op zichzelf beschouwd ontoereikend voor het oordeel dat zich strijd met artikel 3:2 van de Awb voordoet.

Verder is artikel 6:13 van de Awb, waarin is bepaald dat geen beroep kan worden ingesteld als geen zienswijzen over het ontwerpbesluit naar voren zijn gebracht, niet aan de orde. De verwijzing naar de conclusie van Advocaat-Generaal Bobek, ECLI:EU:2020:514, mist dus feitelijke grondslag.

10.5.    Het betoog faalt.

Beoordeling zienswijzen

11.    [appellant] en anderen wijzen erop dat het zienswijzenrapport is opgesteld in samenspraak met de Coöperatie Wij Duurzaam Staphorst, die aandeelhouder is van de vergunninghouder, Windpark Duurzaam Staphorst B.V., en met het adviesbureau Pondera Consult. Volgens [appellant] en anderen heeft het college ten onrechte geen derde, onafhankelijke partij ingeschakeld om te beoordelen of de zienswijzen aanleiding geven tot aanpassing van de bestreden besluiten.

11.1.    De enkele omstandigheid dat de Coöperatie Wij Duurzaam Staphorst en het adviesbureau Pondera Consult zijn betrokken bij het opstellen van het zienswijzenrapport, kan naar het oordeel van de Afdeling niet leiden tot de conclusie dat de bestreden besluiten in zoverre niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen of ondeugdelijk en onvoldoende zijn gemotiveerd. Niet aannemelijk gemaakt is dat bepaalde bezwaren of argumenten van [appellant] en anderen niet in de overwegingen zijn betrokken, of dat het college anderszins hun bezwaren onvoldoende heeft meegenomen bij de besluitvorming.

Het betoog faalt.

Beroepsgronden over het afwijken van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo

Toetsingskader

12.    De beslissing om al dan niet omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheid van het college. Daarbij geldt dat ingevolge artikel 2.12 van de Wabo de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter toetst of het college in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.

Het college moet beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend, inclusief de daarin opgenomen locatie. Dat betekent onder meer dat, indien het project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen dan tot weigering van de vergunning kan leiden, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV7253.

Nut en noodzaak

13.    [appellant] en anderen betogen dat de voorziene windturbines niet noodzakelijk zijn. Zij brengen naar voren dat er kritiek is op het klimaatbeleid van de overheid.

13.1.    In de ruimtelijke onderbouwing, die hoort bij de omgevingsvergunning, is ingegaan op de afspraken die mondiaal zijn gemaakt over het terugdringen van broeikasgassen, de Europese doelstellingen om energieverbruik duurzaam te realiseren en het nationaal beleid dat is gericht op een meer duurzame energievoorziening. In de ruimtelijke onderbouwing staat dat uit rijksbeleid volgt dat energie uit fossiele energiebronnen de komende decennia nodig blijft, maar dat hernieuwbare energie een steeds groter aandeel krijgt. Daarbij is windenergie volgens de ruimtelijke onderbouwing interessant omdat sprake is van relatief beperkt ruimtebeslag per geproduceerde eenheid energie, het gebied waar windturbines worden geplaatst kan worden benut voor andere functies en windenergie relatief goedkoop is. Verder is in de ruimtelijke onderbouwing uiteengezet dat de provincie Overijssel de bestuurlijke afspraken met het rijk over het realiseren van windenergie op land wil nakomen en daarvoor gebieden heeft aangewezen. Een van die gebieden is het gebied tussen Staphorst en Zwolle.

13.2.    Gelet hierop heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het windpark een bijdrage levert aan het behalen van de doelstelling om te komen tot een meer duurzame energievoorziening en daarmee in redelijkheid nut en noodzaak kunnen aannemen. Ook in eerdere jurisprudentie is geoordeeld dat de door het college vermelde omstandigheden relevant zijn voor het vaststellen van nut en noodzaak van het toevoegen van windenergie. Vergelijk bijvoorbeeld onder 6 van de uitspraak van 16 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2226, over het Windplan Groen, en onder 51 van de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer. Daarbij is van belang dat bij keuzes voor het beleid omtrent het vergroten van het aandeel duurzame energie politieke en bestuurlijke overwegingen een belangrijke rol spelen. De rechter heeft niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat in dat verband aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen.

Het betoog slaagt niet.

Draagvlak en totstandkoming besluit

14.    [appellant] en anderen stellen dat draagvlak voor het windpark ontbreekt, dat zij niet tijdig zijn geïnformeerd over de plannen en ten onrechte niet zijn betrokken bij de planvorming, waaronder de positiebepaling van de windturbines. Zij brengen verder naar voren dat omwonenden niet profiteren van de opbrengsten van de windturbines omdat deze alleen toekomen aan grondeigenaren, investeerders en molenbouwers. Zij wijzen erop dat omwonenden die wel meedoen aan het zogeheten omgevingsfonds geen rechtsmiddelen mogen aanwenden tegen het besluit waarbij de omgevingsvergunning is verleend. Volgens [appellant] en anderen is deze gang van zaken in strijd met wat de raad van de gemeente op 9 januari 2018 heeft besloten. Volgens dat raadsbesluit mag volgens hen uitsluitend worden meegewerkt aan plannen voor windturbines in de gemeente als er zo breed mogelijk draagvlak is, er geen overlast is en er volledige coöperatie is. [appellant] en anderen stellen verder dat zich strijd voordoet met de omgevingsvisie van de provincie Overijssel, omdat daarin staat dat bij het realiseren van windparken het moet gaan om "het welzijn" of "het goed voelen van de mens".

14.1.    De Afdeling stelt vast dat het besluit waarbij de omgevingsvergunning is verleend is voorbereid met toepassing van de daarvoor in de Wabo en de Awb gestelde regelgeving.

Er is geen wettelijke regel die bepaalt dat een nieuwe ontwikkeling alleen mogelijk is als daarvoor draagvlak bestaat. Het streven naar draagvlak vormt een aspect dat zich vertaalt in de belangenafweging die het bevoegd gezag bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het nieuwe windpark dient te maken. Dit betreft een afweging tussen de nationale, provinciale en gemeentelijke belangen bij een duurzame energievoorziening en onder meer de belangen van omwonenden. Dat is, anders dan [appellant] en anderen menen, ook de strekking van het raadsbesluit van 9 januari 2018. Bij dat besluit heeft de raad het rapport "Procesparticipatie kader - Realisatie windenergie Staphorst" vastgesteld. In het raadsbesluit en in het rapport staat niet dat de omgevingsvergunning niet mag worden verleend als draagvlak of een vorm van participatie ontbreekt. Daarin wordt de wens tot uitdrukking gebracht dat voldoende maatschappelijk draagvlak wordt verkregen, het project coöperatief is en omwonenden worden betrokken bij de planvorming. Het college heeft toegelicht dat overeenkomstig dat streven diverse openbare raadsvergaderingen hebben plaatsgevonden in de aanloop naar de uitvraag naar initiatieven voor een windpark. Daarnaast heeft de initiatiefnemer bijeenkomsten georganiseerd, waaronder klankbordgroepavonden en informatieavonden. Tijdens de bijeenkomsten van de klankbordgroep is ruimte geboden voor het aandragen van alternatieven voor opstellingsvarianten. Verder vindt financiële participatie plaats via een omgevingsfonds en grondvergoedingen en is er een mogelijkheid om deel te nemen in de coöperatie. Het omgevingsfonds heeft als doel om omwonenden mee te laten profiteren van de opbrengsten van het windpark.

De omstandigheid dat een aantal omwonenden zich ondanks dit proces niet gehoord voelt en zich niet kan verenigen met het windpark of met de posities van de windturbines, betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat het college de omgevingsvergunning niet heeft mogen verlenen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, is het ontbreken van draagvlak op lokaal niveau in de belangenafweging niet zonder meer het meest zwaarwegend. De vraag of de belangen van omwonenden bij de besluitvorming over het windpark Staphorst goed in beeld zijn gebracht en afgewogen, zal hierna aan de hand van de beroepsgronden over onder meer de locatiekeuze, over de hinder die [appellant] en anderen vrezen te zullen ondervinden en de aantasting van de landschappelijke waarden worden beoordeeld. De compensatie zoals die privaatrechtelijk wordt afgesproken is verder geen aangelegenheid die in de ruimtelijke afweging wordt betrokken.

14.2.    Blijkens de ruimtelijke onderbouwing is rekening gehouden met het beleid in de provinciale "Omgevingsvisie Overijssel 2017", die van toepassing was ten tijde van het verlenen van de omgevingsvergunning. Dat beleid is erop gericht om het aandeel hernieuwbare energie in de provincie te vergroten. De Afdeling stelt vast dat - nog daargelaten dat het college niet is gebonden aan het provinciaal beleid - in de omgevingsvisie niet staat dat geen medewerking aan een windpark mag worden verleend als omwonenden zich daar niet goed bij voelen of zich zorgen maken om hun welzijn, zoals [appellant] en anderen stellen.

14.3.    De betogen falen.

Locatie turbines

15.    [appellant] en anderen betogen dat er alternatieve locaties voor de windturbines zijn, die minder bezwarend zijn voor de omgeving. Zij wijzen erop dat uit een verkenning, die voor de gemeente Staphorst in 2017 is uitgevoerd, volgt dat 12 gebieden mogelijk geschikt zijn voor het plaatsen van windturbines. Volgens hen is niet zoekgebied 8, waarvoor is gekozen, de beste locatie, maar zijn zoekgebieden 9 tot en met 12 uit die verkenning de beste locaties. Deze locaties hebben volgens [appellant] en anderen de minste gevolgen voor het landschap en de beeldkwaliteit. Zij wijzen er verder op dat uit een afbeelding in de notitie "Startnotitie Staphorst Sneller Duurzaam" uit 2012 volgt dat zoekgebied 6, in Rouveen, door de provincie is aangewezen als geschikte locatie. Volgens hen heeft de "Beoordelingscommissie Initiatieven Windenergie Staphorst" het initiatief voor het realiseren van een windpark op die locatie ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Zij stellen daarbij te twijfelen aan de onafhankelijkheid van een lid van deze commissie, omdat dit lid werkt voor het Landgoedconsultenschap in Overijsel. [appellant] en anderen brengen verder naar voren op dat de locatiekeuze omstreden is en dat daarom sprake is geweest van bestuurlijke onrust in de raad. Volgens hen zijn daarom algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden. Zij brengen verder naar voren dat bij de keuze voor zoekgebied 8 ten onrechte een afstand van 1.000 m is aangehouden in verband met het onderzoek naar het aantal te verwachten gehinderden, omdat ook buiten deze afstand hinder wordt ondervonden.

[appellant] en anderen stellen ten slotte dat van hen niet kan worden verlangd dat zij alternatieven aandragen met volledige onderbouwing door diverse dure deskundigen.

15.1.    Zoals hiervoor onder 12 is uiteengezet, moet het college beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend, inclusief de daarin opgenomen locatie. Dat betekent dat, indien het project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen dan tot weigering van de vergunning kan leiden, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren. Het college stelt zich op het standpunt dat dat niet het geval is. Het college verwijst daarbij naar het milieueffectrapport (hierna: MER) dat voor het windpark is opgesteld.

15.2.    In het MER is toegelicht dat in opdracht van de gemeente door Pondera Consult onderzoek is uitgevoerd naar geschikte locaties. Dat onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Verkenning potentie windenergie Gemeente Staphorst" van 22 november 2017, heeft ertoe geleid dat 12 zoekgebieden zijn aangewezen. Vervolgens heeft de gemeente geïnteresseerde partijen de gelegenheid geboden een principeverzoek in te dienen voor deze locaties. Daarop zijn vijf initiatieven ingediend, die in opdracht van het college zijn beoordeeld door de Beoordelingscommissie Initiatieven Windenergie Staphorst (hierna: beoordelingscommissie). Volgens het rapport dat door de beoordelingscommissie over de initiatieven is opgesteld, zijn deze principeverzoeken beoordeeld aan de hand van uitgangspunten over locatie, financiële participatie en het participatieproces. In het rapport staat dat het initiatief van Wij Duurzaam Staphorst voor zoekgebied 8 het best aan deze uitgangspunten voldoet. In het MER is verder toegelicht dat zoekgebied 8 onder meer geschikt is omdat er weinig woningen staan, waardoor hinder tot een minimum kan worden beperkt. Voorts zijn er voldoende mogelijkheden om een landschappelijk passende opstelling te realiseren en kan er goed rekening worden gehouden met het beschermd dorpsgezicht. Daarbij is volgens het MER van belang geacht dat de verkavelingsstructuur in het gekozen gebied minder goed herkenbaar is in vergelijking met bijvoorbeeld het karakteristieke slagenlandschap rondom Rouveen.

Het initiatief voor zoekgebied 8 heeft geleid tot de aanvraag waarvoor de nu bestreden omgevingsvergunning is verleend.

15.3.    Het is aan degene die stelt dat er alternatieven zijn om deze alternatieven te benoemen en aannemelijk te maken dat op voorhand duidelijk is dat verwezenlijking van het alternatief een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren oplevert. [appellant] en anderen hebben dat naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt. De stelling dat de zoekgebieden 9 tot en met 12 vanwege de gevolgen voor het landschap en de beeldkwaliteit de beste locaties zijn, hebben zij niet onderbouwd. Dat geldt ook voor het betoog dat voor zoekgebied 6 had moeten worden gekozen. Dat in de notitie "Startnotitie Staphorst Sneller Duurzaam" uit 2012 deze locatie op een afbeelding is aangegeven als locatie voor het plaatsen van windturbines acht de Afdeling niet beslissend. Uit die notitie volgt overigens ook niet dat het plaatsen van windturbines is voorbehouden aan een locatie in zoekgebied 6. Het betoog van [appellant] en anderen dat in de gemeenteraad discussies zijn gevoerd in verband met de locatie van het windpark en het betoog dat aan de onafhankelijkheid van een lid van de beoordelingscommissie moet worden getwijfeld, geven de Afdeling evenmin aanleiding voor een andere conclusie. Met deze betogen hebben [appellant] en anderen niet gewezen op een alternatief dat een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren oplevert. De beroepsgrond die gaat over het door de initiatiefnemer voor de vergelijking van geschikte locaties hanteren van een afstand van 1.000 m, om inzicht te krijgen in het aantal gevoelige objecten, doet dat ook niet.

15.4.    Overigens merkt de Afdeling op dat van [appellant] en anderen niet wordt verwacht dat zij alternatieven aandragen met "volledige onderbouwing" door "diverse dure deskundigen", maar slechts dat zij hun stellingen over alternatieve locaties concretiseren en met argumenten onderbouwen waarom die locaties volgens hen gelijkwaardig zijn met aanmerkelijk minder bezwaren.

15.5.    Het betoog faalt.

Geluid

16.    [appellant] en anderen betogen dat bij de besluitvorming over het windpark Staphorst ten onrechte is aangesloten bij de geluidnormen van 47 dB Lden en 41 dB Lnight in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit). Zij voeren aan dat deze geluidnormen moeten worden beschouwd als een plan of programma, zoals bedoeld in artikel 2 van de Richtlijn 2001/42 EG betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (PB L 197 van 21 juli 2001), zodat op grond van artikel 3 van deze richtlijn daarvoor een MER had moeten worden gemaakt. De geluidnormen moeten daarom onverbindend worden verklaard of buiten toepassing gelaten. [appellant] en anderen verwijzen daarbij naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 25 juni 2020, C-24/19, ECLI:EU:C:2020:503 (hierna: het arrest Nevele), waarin het Hof onder meer heeft bepaald dat twee voorgelegde Vlaamse regelingen als plannen of programma’s zijn aan te merken waarvoor een MER moet worden gemaakt. [appellant] en anderen stellen verder dat de normen verouderd zijn en dat daarin geen rekening is gehouden met de effecten van het geluid, waaronder laagfrequent geluid, op de gezondheid. Daardoor is de omgevingsvergunning volgens [appellant] en anderen verleend in strijd met het voorzorgs- en preventiebeginsel als bedoeld in artikel 191, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Zij wijzen erop dat in de op 10 oktober 2018 gepubliceerde aanbevelingen "Environmental Noise Guidelines for the European Region" van de Regional Office for Europe van de World Health Organization (hierna: aanbevelingen van de WHO) windturbinegeluid van meer dan 45 dB Lden wordt geassocieerd met gezondheidseffecten. Met deze aanbevelingen had volgens hen rekening moeten worden gehouden. Daarnaast stellen zij, onder verwijzing naar een artikel van RTL-nieuws van 5 juni 2020, dat sprake is van nieuw onderzoek naar gezondheidseffecten van windturbinegeluid van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: RIVM). Ook daarmee is volgens hen ten onrechte geen rekening mee gehouden. Ter onderbouwing van hun betoog over gevolgen voor de gezondheid wijzen [appellant] en anderen verder op verschillende publicaties, te weten het artikel "Windmolens maken wel degelijk ziek" van een huisarts uit 's-Hertogenbosch, het bericht "Far Out: German Study Finds Pulsing Wind Farm Infrasound 20 Kilometres From Turbines" op de website van de zogeheten actiegroep Stop These Things (STT), het bericht "Verzoek tot meer onderzoek naar Nederlandse geluidnorm windturbines" op de website van GrootNissewaard, het artikel "Meer aandacht voor gezondheidsrisico’s klimaatplannen: ‘Het is slecht voor je gezondheid. Noemen we dat duurzaam?" van 29 oktober 2019 van de Volkskrant, het artikel "'Arts: ’Zet windmolens verderop’" van 25 oktober 2019 van De Telegraaf, een bericht op de website van EurekAlert! van 20 april 2020 en een bericht dat begin 2020 is verschenen op verschillende websites over gevolgen van windturbines in Canada.

Tot slot betogen [appellant] en anderen dat er bijzondere lokale omstandigheden zijn die ertoe nopen om met toepassing van artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit bij maatwerkvoorschrift normen met een lagere waarde vast te stellen.

16.1.    Voor het windpark is onderzoek verricht naar de geluidhinder die door de windturbines wordt veroorzaakt. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in het "Akoestisch onderzoek en onderzoek slagschaduw vergunning Windpark Staphorst" van Pondera van 1 juli 2019 (hierna: het geluid- en slagschaduwrapport). Blijkens het besluit waarbij de omgevingsvergunning is verleend maken de daarin genoemde stukken, waaronder onder meer de aanvraag om de omgevingsvergunning en het geluid- en slagschaduwrapport, onderdeel uit van de vergunning.

[appellant] en anderen hebben geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan moet worden aangenomen dat het geluid- en slagschaduwrapport niet op een deugdelijke wijze tot stand is gekomen. Zij hebben geen bezwaren aangevoerd tegen de uitgangspunten en berekeningen in het geluid- en slagschaduwrapport en ook hebben zij de conclusies in dit rapport als zodanig niet bestreden. Er is daarom geen aanleiding om aan de juistheid van het geluid- en slagschaduwrapport te twijfelen.

16.2.    Bij de berekening van de geluidbelasting is volgens het geluid- en slagschaduwrapport uitgegaan van een ‘worst-case’ windturbinetype, de Vestas V150-4.2 MW, die niet is voorzien van zogeheten "serrated edges" waarmee het geluid kan worden gereduceerd. Volgens tabel 2.2 van het geluid- en slagschaduwrapport, die ook is opgenomen in de aanvraag om de omgevingsvergunning zelf, is de berekende maximale geluidbelasting vanwege de drie windturbines ten hoogste 45 dB Lden en 39 dB Lnight.

16.3.    Het college heeft desgevraagd op de zitting verklaard dat het handhavend zal optreden als de berekende maximale geluidbelasting van 45 dB Lden en 39 dB Lnight wordt overschreden. Daaruit begrijpt de Afdeling dat het college ervan uitgaat dat deze geluidwaarden de maximale vergunde waarden zijn en dat daarmee niet wordt aangesloten bij de normen van 47 dB Lden en 41 dB Lnight in artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit.

16.4.    De Afdeling ziet in wat [appellant] en anderen naar voren hebben gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat met een maximale geluidbelasting van 45 dB Lden en 39 dB Lnight zich onaanvaardbare gevolgen voor de gezondheid zullen voordoen. Zoals ter zitting is besproken, wordt hiermee aangesloten bij de aanbevelingen van de WHO, waarin een maximaal geluidniveau van 45 dB Lden is genoemd, en waarmee het college volgens [appellant] en anderen rekening had moeten houden. Voor zover het betoog van [appellant] en anderen er op is gericht dat ook daarvan gevolgen voor de gezondheid zijn te verwachten, overweegt de Afdeling het volgende.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:375, onder 20.1, over het windpark Piet de Wit, bestaat er in de wetenschap geen eenduidig standpunt over het antwoord op de vraag of (laagfrequent) geluid van windturbines effect heeft op de gezondheid van mensen en is in de wetenschap geen directe oorzaak-effectrelatie tussen windturbinegeluid en gezondheid gevonden. De door [appellant] en anderen overgelegde publicaties geven geen aanleiding voor een andere conclusie. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, onder 119.3, strekt het voorzorgs- en preventiebeginsel, waar [appellant] en anderen in dit verband op wijzen, niet zo ver dat op basis van publicaties waarin alleen een mogelijk verband wordt gelegd tussen windturbines en gezondheidsklachten, het college van het verlenen van de omgevingsvergunning had behoren af te zien. Het artikel van de huisarts uit ’s-Hertogenbosch geeft, zoals de Afdeling eerder, onder meer in haar uitspraak van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2225, onder 9.1, over het windpark Oostpolder, heeft overwogen geen grond voor de conclusie dat er een direct verband is tussen geluid van windturbines en gezondheidsklachten. Aan de verwijzing naar het bericht "Far Out: German Study Finds Pulsing Wind Farm Infrasound 20 Kilometres From Turbines", gaat de Afdeling voorbij omdat [appellant] en anderen niet concreet hebben onderbouwd uit welke passages van welke in dat bericht genoemde buitenlandse publicaties of onderzoeken moet worden afgeleid dat niet slechts sprake is van een mogelijk verband tussen windturbinegeluid en gezondheidsklachten. Het bericht "Verzoek tot meer onderzoek naar Nederlandse geluidnorm windturbines" gaat alleen over een aan alle gemeenten kenbaar gemaakte motie van de raad van de gemeente Hoeksche Waard waarin een oproep wordt gedaan om onderzoek te verrichten naar de geluidnormen. De door [appellant] en anderen genoemde artikelen van de Volkskrant en De Telegraaf, het bericht op de website EurekAlert! en de te vinden berichtgeving over gevolgen van windturbines in Canada dateren van na de besluitvorming over het windpark Staphorst. Overigens zijn de artikelen van de Volkskrant en De Telegraaf als zodanig ook geen wetenschappelijke studies naar een verband tussen het geluid van windturbines en de door [appellant] en anderen gevreesde gevolgen voor de gezondheid. Verder gaan deze artikelen over mogelijke gezondheidsrisico’s van klimaatplannen. Uit het bericht op de website van EurekAlert! en de berichtgeving over gevolgen van windturbines in Canada is ook niet af te leiden dat er een direct verband is. Tot slot hebben [appellant] en anderen niet nader geduid welk recent onderzoek van het RIVM ten onrechte niet bij de besluitvorming zou zijn betrokken. Uit het artikel van RTL-nieuws van 5 juni 2020, waar [appellant] en anderen in dit verband op wijzen, kan dit niet worden afgeleid. In dit artikel wordt gesproken over onderzoek van het RIVM dat is opgesteld naar aanleiding van de aanbevelingen van de WHO, waarin, zoals hiervoor is overwogen, een maximaal geluidniveau van 45 dB Lden is genoemd. Voor zover [appellant] en anderen doelen op het rapport "Health effects related to wind turbine sound: an update" van het RIVM uit 2020, overweegt de Afdeling dat dit rapport dateert van na het nemen van het bestreden besluit, zodat het college daar geen rekening mee kon houden. Overigens worden in dit rapport de conclusies uit het rapport  "Health effects related to wind turbine sound" van het RIVM uit 2017 bevestigd. De eindconclusie in het rapport is dat er onvoldoende wetenschappelijk bewijs beschikbaar is voor een directe relatie tussen gezondheidsrisico’s en het geluid van windturbines.

16.5.    Hoewel tabel 2.2. van het geluid- en slagschaduwrapport is opgenomen in de aanvraag om de omgevingsvergunning en de aanvraag en ook het geluid- en slagschaduwrapport onderdeel uitmaken van de omgevingsvergunning, zijn de waarden van 45 dB Lden en 39 dB Lnight niet als zodanig genoemd als de maximaal toegestane geluidbelasting. Dat betekent naar het oordeel van de Afdeling dat, anders dan het college meent, de geluidbelasting in de omgevingsvergunning niet tot die waarden is beperkt.

16.6.     Uit de besluitvorming in samenhang met wat ter zitting naar voren is gebracht en is vermeld onder 16.3 kan worden geconcludeerd dat het college in het belang van een goede ruimtelijke ordening handhavend wenst op te treden als de geluidbelasting voor het windpark niet is beperkt tot 45 dB Lden en 39 dB Lnight. Dit is in de omgevingsvergunning echter niet tot uitdrukking gebracht. Daarom is de omgevingsvergunning van 3 oktober 2019 in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

16.7.    De Afdeling ziet in het voorgaande, mede in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil, aanleiding het college op de voet van artikel 8:51d van de Awb gelegenheid te geven om het besluit waarbij de omgevingsvergunning is verleend aan te passen. Het college kan, met het oog op het belang van een goede ruimtelijke ordening, op grond van artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo alsnog een voorschrift aan de omgevingsvergunning verbinden waarbij de maximaal toegestane geluidbelasting op de gevel van gevoelige gebouwen wordt beperkt. Voor zover het college zich alsnog op een ander standpunt wenst te stellen, dient het dat standpunt gemotiveerd kenbaar te maken.

De Afdeling zal in het dictum van deze uitspraak een termijn stellen.

16.8.    Gelet op het voorgaande hoeft de stelling van [appellant] en anderen over de toepassing van artikel 3.14a, derde lid, van het Activiteitenbesluit nu niet te worden besproken. Ook komt de Afdeling op dit punt niet toe aan een inhoudelijke bespreking van het betoog over het arrest Nevele.

Slagschaduw

17.    [appellant] en anderen betogen dat het college voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van hinder door slagschaduw zich niet op het geluid- en slagschaduwrapport heeft mogen baseren, omdat daarin is aangesloten bij de norm in artikel 3.12, eerste lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer (hierna: Activiteitenregeling). Evenals over de geluidnormen, stellen zij, onder verwijzing naar het arrest Nevele, dat de norm voor slagschaduw onverbindend moet worden verklaard of buiten toepassing moet worden gelaten.

17.1.    De Afdeling stelt vast dat het college niet bij de norm in artikel 3.12, eerste lid, van de Activiteitenregeling voor slagschaduw heeft aangesloten, omdat het college bij besluit van 3 oktober 2019, dat met het besluit waarbij de omgevingsvergunning is verleend is voorbereid en bekendgemaakt, op grond van artikel 3.12, tweede lid, van de Activiteitenregeling een maatwerkvoorschrift voor slagschaduw heeft vastgesteld. Daarin is bepaald dat voor de bestaande woningen in de kern Staphorst, het omliggende buitengebied en op de Bullingerslag, De Baarge en De Slagen en voor eventuele toekomstige woningen binnen de Bullingerslag, De Baarge en de Slagen, cumulatief de maximale hinderduur door slagschaduw is beperkt tot 1 uur per jaar.

17.2.    Het betoog faalt reeds omdat het ten onrechte uitgaat van de toepasselijkheid van artikel 3.12, eerste lid, van de Activiteitenregeling. Wat [appellant] en anderen verder nog hebben aangevoerd over het geluid- en slagschaduwrapport en over het arrest Nevele kan daarom eveneens buiten inhoudelijke bespreking blijven.

Externe veiligheid

18.    [appellant] en anderen betogen dat de omgevingsvergunning is verleend in strijd met artikel 3.15a van het Activiteitenbesluit. De gevolgen van de windturbines voor de externe veiligheid zijn volgens hen onderschat. [appellant] en anderen brengen daarbij naar voren dat de gevolgen voor personen in veldschuren en volkstuintjes onvoldoende zijn onderzocht. Zij wijzen erop dat een veldschuur en volkstuin van één van de appellanten zich nabij een windturbine bevindt. Volgens hen is die veldschuur ten onrechte niet aangemerkt als kwetsbaar object. [appellant] en anderen vrezen daarnaast dat falen van een windturbine gevolgen kan hebben voor een nabijgelegen munitiedepot en daarmee vanwege het zogeheten "domino-effect" gevolgen heeft voor hun veiligheid. Zij wijzen erop dat zij vrezen dat daar meer munitie wordt opgeslagen dan is toegelaten en verboden combinaties van munitie worden opgeslagen. Ook stellen zij dat de op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied Staphorst" geldende aanduiding "veiligheidszone - munitie b" wordt miskend.

Tot slot stellen zij, evenals over de normen voor geluid en slagschaduw, dat de normen in artikel 3.15a van het Activiteitenbesluit onverbindend moeten worden verklaard of buiten toepassing moeten worden gelaten, vanwege het arrest Nevele.

18.1.    In artikel 3.15a van het Activiteitenbesluit zijn regels gesteld over de veiligheid in de omgeving van een windturbine of een combinatie van windturbines. Op grond van die bepaling moeten voor kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten afstanden worden aangehouden die gebaseerd zijn op risicocontouren. In het eerste lid is bepaald dat het plaatsgebonden risico voor een buiten de inrichting gelegen kwetsbaar object, zoals een woning, niet hoger is dan 10-6 per jaar. In het tweede lid is bepaald dat het plaatsgebonden risico voor een buiten de inrichting gelegen beperkt kwetsbaar object, niet hoger is dan 10-5 per jaar.

18.2.    Voorafgaand aan de vergunningverlening is onderzoek verricht naar de gevolgen voor de veiligheid. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Analyse externe veiligheid Windpark Staphorst" van 28 februari 2019 (hierna: het rapport externe veiligheid) en in het MER. In het rapport externe veiligheid en in het MER is voor de beoordeling van het plaatsgebonden risico als bedoeld in artikel 3.15a, eerste en tweede lid, gebruik gemaakt van het Handboek risicozonering windturbines, versie 3.1 (hierna: Handboek). Daarin zijn uitgangspunten opgenomen om de risico’s van windturbines op de omgeving te bepalen.

De omgevingsvergunning is verleend voor drie windturbines met een maximale ashoogte van 140 m en een rotordiameter van maximaal

150 m. Op grond van de generieke toetsingsafstanden uit het Handboek is een contour van 75 m voor het plaatsgebonden risico van 10-5 per jaar en een contour van 212 m voor het plaatsgebonden risico van 10-6 gehanteerd. De maximale werpafstand bij overtoeren is volgens het rapport externe veiligheid 444 m. De maximale werpafstand bij overtoeren wordt in het Handboek gebruikt voor het bepalen van de onderzoeksafstand. Vervolgens wordt voor de objecten binnen deze afstand een risico-analyse uitgevoerd voor het bepalen van indirecte risico’s. Daarbij wordt bepaald of de kans dat een risicovolle installatie of buisleiding in de omgeving van een windturbine faalt, significant toeneemt door het falen van de windturbine (vergelijk de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, onder 160).

18.3.    [appellant] en anderen hebben niet gesteld dat het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning niet heeft mogen aansluiten bij de uitgangspunten in het Handboek. Ook hebben zij de berekende afstanden niet bestreden.

18.4.    Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.

18.5.    De regels over externe veiligheid in artikel 3.15a van het Activiteitenbesluit, waar [appellant] en anderen zich op beroepen, strekken tot de bescherming van eigenaren en gebruikers van kwetsbare objecten dan wel beperkt kwetsbare objecten die zijn gelegen binnen de invloedsfeer van een windpark. Vergelijk de overzichtsuitspraak over het relativiteitsvereiste van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.104.

De Afdeling stelt vast dat [appellant] en anderen geen eigenaren of gebruikers zijn van kwetsbare objecten dan wel beperkt kwetsbare objecten die zijn gelegen binnen de berekende 10-5 en 10-6 risicocontouren van 75 m respectievelijk 212 m en de maximale werpafstand van 444 m, en daarmee binnen de invloedsfeer van het windpark Staphorst. Wel is op ongeveer 400 m afstand van WT3 een volkstuin en veldschuur van één van hen gelegen, maar dit zijn, anders dan [appellant] en anderen stellen, geen kwetsbare objecten dan wel beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, gelezen in samenhang met artikel 1, eerste lid, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Gelet op de afstand van de veldschuur en de volkstuin tot de dichtstbijzijnde windturbine en de omstandigheid dat het verblijf beperkt is, is ook niet aannemelijk dat zich daar gevolgen voor de veiligheid zullen voordoen. De Afdeling wijst nog erop dat, anders dan [appellant] en anderen menen, het zogenoemde domino-effect vanwege het munitiedepot niet aan de orde is omdat moet worden vastgesteld dat dat depot buiten de maximale werpafstand bij overtoeren is gelegen. Het is daarom uitgesloten dat dit depot wordt getroffen door onderdelen van een windturbine als gevolg van het falen van die windturbine.

18.6.    Gelet op het voorgaande is de conclusie dat de belangen van [appellant] en anderen kennelijk niet worden beschermd door de normen waar zij zich in zoverre op beroepen. Vergelijk de hiervoor genoemde uitspraak van 11 november 2020, onder 10.105, waarin wordt verwezen naar de uitspraak van 2 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3322, onder 42.2, over het windpark Weert, en de uitspraak van 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4210, onder 41.5, over het windpark Greenport Venlo.  De beroepsgronden van [appellant] en anderen kunnen, gelet op het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste, niet leiden tot vernietiging van het besluit waarbij de omgevingsvergunning is verleend. Aan een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgronden, waaronder het betoog over het arrest Nevele, wordt daarom niet toegekomen.

Obstakelverlichting

19.    [appellant] en anderen vrezen voor hinder door obstakelverlichting. Zij stellen dat in de omgevingsvergunning niet is geborgd dat het windpark Staphorst conform het voor het windpark opgestelde verlichtingsplan wordt gerealiseerd. Volgens hen is dat in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Verder wijzen [appellant] en anderen erop dat niet is toegelicht of voor het verlichtingsplan toestemming is verkregen van de Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: ILT). Zij brengen verder naar voren, in hun nader stuk van 8 september 2020, dat een hernieuwd informatieblad, gepubliceerd op 16 juni 2020, niet is betrokken bij de besluitvorming. Zij wijzen erop dat uit artikel 8 van dit hernieuwde informatieblad volgt dat obstakelverlichting op basis van naderingsdetectie is goedgekeurd door de ILT.

19.1.    In paragraaf 4.3.9. van de toelichting op de aanvraag staat dat obstakelverlichting op de windturbines nodig is in verband met de luchtvaartveiligheid. Uit de toelichting op de aanvraag en de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat voor de uitvoering van de obstakelverlichting is aangesloten bij het informatieblad "Aanduiding van windturbines en windparken op het Nederlandse vasteland" van 30 september 2016 (hierna: het informatieblad). Het informatieblad is gebaseerd op internationale voorschriften voor het aanduiden van obstakels voor de luchtvaartveiligheid en bevat maatregelen om mogelijke hinderbeleving van obstakellichten te reduceren. In het informatieblad wordt onder meer ingegaan op de lichtintensiteit van de obstakellichten. Het door [appellant] en anderen genoemde hernieuwde informatieblad is op 16 juni 2020 bekendgemaakt, waardoor het dateert van na het nemen van het bestreden besluit. Dat betekent dat het college hiermee bij het verlenen van de omgevingsvergunning geen rekening kon houden.

Zoals ook in het verweerschrift staat, moet de ILT het verlichtingsplan goedkeuren, waarbij wordt getoetst of wordt voldaan aan de eisen uit het oogpunt van luchtvaartveiligheid.

19.2.    De stelling van [appellant] en anderen dat in de omgevingsvergunning niet is geborgd dat het windpark Staphorst conform het verlichtingsplan wordt gerealiseerd, deelt de Afdeling niet. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in de toelichting op de aanvraag, die volgens het besluit waarbij de omgevingsvergunning is verleend onderdeel uitmaakt van de vergunning, is omschreven op welke wijze de obstakelverlichting zal worden uitgevoerd. Hieruit blijkt dat het verlichting overdag bestaat uit witte vastbrandende verlichting en in de schemer- en nachtperiode bestaat uit rode, vastbrandende verlichting. Daarnaast wordt de verlichting voorzien van een sensor die de zichtomstandigheden meet, waardoor de lichtintensiteit gedimd kan worden conform de specificaties uit het informatieblad van de ILT. Aanvullend moet op basis van het informatieblad mastverlichting worden toegepast, zo staat in de toelichting op de aanvraag.

De stelling van [appellant] en anderen dat niet duidelijk is of voor het verlichtingsplan goedkeuring is verkregen van de ILT, volgt de Afdeling niet. Het college heeft toegelicht dat het voorstel voor het aanbrengen van obstakelverlichting wordt voorgelegd aan de ILT en dat het geen aanleiding ziet dat hiervoor geen instemming zal worden verkregen. [appellant] en anderen hebben geen redenen naar voren gebracht op grond waarvan de Afdeling aan de juistheid van deze mededeling moet twijfelen.

Over de vrees van [appellant] en anderen voor hinder vanwege de obstakelverlichting, overweegt de Afdeling dat de afstand tussen de percelen waar [appellant] en anderen wonen, respectievelijk zijn gevestigd, en de dichtstbijzijnde geprojecteerde windturbine, minimaal 900 m is. Gelet op deze afstand en op het verlichtingsplan, dat deel uitmaakt van de vergunning, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich geen onaanvaardbare hinder van obstakelverlichting zal voordoen.

19.3.    Het betoog faalt.

IJsafzetting

20.    [appellant] en anderen stellen dat ten onrechte geen maatregelen worden getroffen in verband met ijsafzetting tijdens stilstand van de windturbines. Zij betogen daarnaast dat een ijsdetectiesysteem had moeten worden voorgeschreven om een ongecontroleerde ijsafworp bij het in werking zijn van de windturbine te voorkomen.

20.1.    Het college stelt dat het gebied onder de rotor niet vrij toegankelijk is. Verder komt ijsafzetting alleen in de winter en niet vaak per jaar voor. Daarnaast zijn de windturbines voorzien in agrarisch gebied. Van de gronden in dat gebied zal tijdens de winter slechts beperkt gebruik worden gemaakt, aldus het college.

20.2.    In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de hiervoor vermelde mededelingen van het college. Uitgaande daarvan heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet nodig is om in verband met het voorkomen van ijsafzetting voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.

Het betoog faalt.

Natuur

21.    [appellant] en anderen vrezen dat het windpark leidt tot negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Ook vrezen zij voor gevolgen voor het gebied de Zwarte Dennen, dat deel uitmaakt van Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN). Zij wijzen erop dat dit gebied verdrogingsgevoelig is.

21.1.    De bepalingen in de Wnb over de beoordeling van een omgevingsvergunning die gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de hiervoor onder 18.5 genoemde overzichtsuitspraak van 11 november 2020, onder 10.50 en verder, beroept een natuurlijk persoon, indien hij een beroep doet op de bepalingen van de Wnb die strekken tot de bescherming van de natuurwaarden van een Natura 2000-gebied, zich op een algemeen belang waarvoor hij niet in rechte kan opkomen. De bepalingen in de Wnb over de beoordeling van een omgevingsvergunning die gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, strekken verder kennelijk niet tot bescherming van bedrijfseconomische belangen.

De individuele belangen van een natuurlijke persoon bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, kunnen echter zo verweven zijn met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen in de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen. Voorts kunnen de bedrijfseconomische belangen van een appellant zo verweven zijn met het algemeen belang van het behoud van een goede staat van instandhouding van het betrokken Natura 2000-gebied, een belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van deze appellant.

Zoals in de genoemde overzichtsuitspraak van 11 november 2020, onder 10.63, is overwogen is het voorgaande ook van belang voor andere normen die strekken ter bescherming van natuurgebieden, zoals provinciale normen die strekken tot bescherming van een natuurnetwerk.

21.2.    De meest dichtbij het windpark gelegen Natura 2000-gebieden zijn het gebied "Olde Maten & Veerslootslanden" en het gebied "De Wieden". De afstand tussen het windpark en die gebieden is 6,6 km respectievelijk 7,8 km. Deze afstanden zijn te groot om verwevenheid als hiervoor bedoeld aan te nemen.

Het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste staat daarom in de weg aan het vernietigen van het besluit wegens strijd met de Wnb als het gaat om het onderdeel gebiedsbescherming. Aan een inhoudelijke bespreking van de beroepsgrond over Natura 2000-gebieden wordt niet toegekomen.

21.3.    De Zwarte Dennen is een zwemvijver en maakt deel uit van het gebied "Boswachterij Staphorst". Dat gebied behoort tot het NNN. De Afdeling begrijpt de beroepsgrond van [appellant] en anderen over de aantasting van het NNN zo dat deze gaat over dat gebied.

21.4.    Anders dan de raad stelt kan niet worden geoordeeld dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan vernietiging van het bestreden besluit vanwege de beroepsgrond over de aantasting van het NNN. De Afdeling stelt vast dat een van de appellanten woont op een afstand van ongeveer 200 m van het NNN en dat niet is uitgesloten dat hij daar zicht op heeft. De afstand van 200 m is in dit geval niet zo groot dat geen verwevenheid kan worden aangenomen, zoals hiervoor bedoeld.

Titel 2.7 van de "Omgevingsverordening Overijssel" bevat bepalingen die zien op ontwikkelingen binnen het NNN. Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in de uitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:596, onder 4, gaat daarvan geen externe werking uit. Omdat de windturbines niet zijn voorzien in het NNN is een verdere toetsing aan het provinciale beleid daarover niet aan de orde.

Het betoog over het NNN faalt.

Landschappelijke en cultuurhistorische waarden

22.    [appellant] en anderen stellen dat het windpark onaanvaardbare gevolgen heeft voor cultuurhistorische en landschappelijke waarden in Staphorst.

Wat betreft de gevolgen voor de cultuurhistorische waarden brengen zij naar voren dat in het MER en ook door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (hierna: RCE) is uitgegaan van een ashoogte van 126 m terwijl de maximale ashoogte hoger kan zijn, namelijk 140 m. Zij wijzen er verder op dat de visuele impact van windturbines in het gekozen zoekgebied 8 op het beschermd dorpsgezicht door adviesbureau Bosch & Van Rijn substantieel is genoemd. In antwoord op de stelling van het college in het zienswijzenrapport dat de visualisaties van Bosch & Van Rijn zien op locaties buiten het beschermd dorpsgezicht, brengen [appellant] en anderen naar voren dat als Bosch & Van Rijn al kritisch is vanaf een grote afstand tot het dorpslint, dat helemaal zo zou zijn als de visualisaties van dichterbij zouden zijn gemaakt.

[appellant] en anderen stellen ook dat zich strijd voordoet met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wabo, omdat beschermde rijksmonumenten als gevolg van de realisatie van het windpark worden aangetast. Verder voeren zij aan dat het realiseren van een windpark tot strijd met artikel 11 van de Monumentenwet 1988 kan leiden, waarbij zij wijzen op de uitspraak van de Afdeling van 28 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM2606.

Wat betreft de gevolgen voor het landschap wijzen [appellant] en anderen erop dat de gekozen driehoekige opstellingsvariant in het MER negatief is beoordeeld. Zij stellen verder dat de gevolgen van de vergunde locatie voor WT1 en WT2 voor het landschap opnieuw had moeten worden onderzocht, nu in het MER van een andere locatie voor deze turbines is uitgegaan. De visualisaties die voor de gewijzigde opstelling zijn gemaakt, geven volgens hen een eenzijdig beeld. Zij brengen naar voren dat wordt toegegeven dat ook bij deze opstelling niet wordt aangesloten bij landschappelijke structuren en dat de herkenbaarheid van de opstelling niet overal duidelijk is. Volgens hen doet zich strijd voor met het in het "Landschapsplan Staphorst" neergelegde gemeentelijke beleid over landschappelijke waarden, omdat daarin staat dat verrommeling moet worden tegengegaan.

22.1.    Het bebouwingslint van Staphorst-Rouveen, ook bekend als "de Streek", is bij besluit van 19 oktober 1993 aangewezen als beschermd dorpsgezicht in de zin van de Monumentenwet 1988. Uit het aanwijzingsbesluit en de toelichting daarbij, blijkt dat het gebied wordt gekenmerkt door een enkele kilometers lange bebouwingsas met een bijzondere vorm van lintbebouwing, waarbij boerderijen vlak naast en achter elkaar, evenwijdig aan de lengterichting van de percelen, aan de bebouwingsas liggen. De begrenzing van het beschermde gebied is in beginsel gelegd op ongeveer 250 m ter weerszijden van de Oude Rijksweg en de Gemeenteweg.

22.2.    De windturbines zijn niet gelegen binnen de begrenzing van het beschermde dorpsgezicht. Dat betekent echter niet dat de voorziene windturbines geen invloed kunnen hebben op de waarden van dat beschermde dorpsgezicht.

In de ruimtelijke onderbouwing is in aanmerking genomen dat de RCE adviseert om een afstand van 1.800 m tussen de windturbines en het beschermde dorpsgezicht aan te houden. De afstand is hier groter dan 1.800 m. Het college stelt dat overleg is gevoerd met de RCE en dat daarin alle alternatieven met windturbines met de maximale ashoogte van 140 m zijn besproken. Verder is in de ruimtelijke onderbouwing en in het MER, waar in de ruimtelijke onderbouwing naar wordt verwezen, ingegaan op de gevolgen van de windturbines voor het beschermde dorpsgezicht. Daarin staat dat de windturbines vanaf de kern van Rouveen nauwelijks zichtbaar zijn en vanaf de kern van Staphorst beperkt zichtbaar, vanwege de relatief dichte bebouwingsstructuur. Op enkele plekken is er zicht naar buiten toe, wanneer er een veld of weiland tussen de bebouwing ligt. Daarom wordt geen afbreuk gedaan aan de cultuurhistorische waarden van het beschermd dorpsgezicht, zo staat in de ruimtelijke onderbouwing.

22.3.    In de ruimtelijke onderbouwing en in het MER is ook ingegaan op de gevolgen van de windturbines voor het landschap. De effecten van de windturbines op het landschap zijn onderzocht door Veenenbos en Bosch landschapsarchitecten, op basis van visualisaties vanuit verschillende locaties. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport, dat als bijlage bij het MER is gevoegd. In het rapport is ingegaan op het karakter van het landschap. De effecten van de windturbines op het landschap zijn beoordeeld aan de hand van een aantal criteria, bestaande uit aansluiting op de landschappelijke structuur, herkenbaarheid van de opstelling, interferentie of samenhang met bestaande hoge elementen, invloed op de visuele rust, invloed op de openheid van het gebied en de zichtbaarheid van de opstelling, met name vanaf het historische lint. Ook is ingegaan op het gemeentelijk beleid, waaronder het Landschapsplan Staphorst uit 2011.

In de ruimtelijke onderbouwing staat dat de maat en schaal van de windturbines zo groot zijn dat niet kan worden gesproken van landschappelijke inpassing maar van een landschappelijk beeld. Erkend wordt dat door de driehoekige opstelling het windpark vanuit verschillende standpunten niet als zodanig herkenbaar is in relatie tot het landschap. Verder kan die opstelling zorgen voor een onrustig beeld. Wel wordt aangesloten op de J.J. Gorterlaan, waardoor een rustiger beeld wordt gecreëerd. De invloed van de windturbines op de openheid van het gebied is volgens de ruimtelijke onderbouwing zeer beperkt, omdat het afwisselend landschap blijft met open stukken en gesloten vensters.

22.4.    In de toelichting bij de wijziging van de aanvraag van 7 augustus 2019 is ingegaan op de effecten op het landschap en op de cultuurhistorische waarden van de wijziging van de opstelling van WT1 en WT2. Bij die toelichting zijn visualisaties gevoegd waarin is uitgegaan van windturbines met de maximale vergunde tiphoogte van 212 m en de maximale vergunde ashoogte van 140 m. In de toelichting staat dat de verschuiving van de windturbines weinig van invloed is op het algemene beeld van het windpark op de beoogde locatie en daarom niet leidt tot andere conclusies. Hoewel nog altijd beperkt sprake is van aansluiting bij landschappelijke structuren en de herkenbaarheid van de opstelling nog steeds niet vanuit alle gezichtspunten duidelijk is, heeft het windpark slechts beperkte invloed op de beleving van de (relatieve) openheid van het gebied. Verder zijn de windturbines vanuit de dorpskern nog steeds beperkt zichtbaar, zo staat in de toelichting.

22.5.    Het college heeft zich gelet op wat in de ruimtelijke onderbouwing, het MER en in de toelichting bij de wijziging van de aanvraag staat, naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich geen onaanvaardbare gevolgen voor cultuurhistorische en landschappelijke waarden zullen voordoen.

De kritiek van adviesbureau Bosch & Van Rijn, waar [appellant] en anderen op wijzen, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. De kritiek gaat over een lijnopstelling in zoekgebied 8, waar de vergunde windturbines zullen worden geplaatst, en houdt in dat de impact van windturbines op het beschermde dorpsgezicht substantieel is. Dit wordt echter verder niet door het adviesbureau onderbouwd. In de visualisaties, waarnaar in dit verband wordt verwezen, is geen relatie gelegd met het beschermde dorpsgezicht.

Verder worden de windturbines niet geplaatst in zodanige nabijheid van monumenten dat zich strijd met artikel 2.1, eerste lid, onder f en h, en artikel 2.2, aanhef en onder b en c, van de Wabo of artikel 11 van de Monumentenwet 1988 voordoet. De door [appellant] en anderen genoemde uitspraak van de Afdeling van 28 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM2606, gaat over de vrees voor schade aan een rijksmonument, door ernaast plaatshebbende werkzaamheden. Dat is bij het windpark Staphorst niet aan de orde. Er is daarom in zoverre ook geen aanleiding voor de conclusie dat het college daarom de omgevingsvergunning niet heeft mogen verlenen.

22.6.    De Afdeling stelt ten slotte vast dat het Landschapsplan niet in de weg staat aan het realiseren van de windturbines.

22.7.    De betogen falen.

Verkeershinder vanwege onderhoud van het windpark

23.    [appellant] en anderen vrezen dat de bereikbaarheid van hun percelen zal worden beïnvloed door een toename van het aantal vervoersbewegingen vanwege het onderhoud van het windpark.

23.1.    De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen, omdat het onderhoud aan de windturbines een belemmering vormt voor de bereikbaarheid van de percelen van [appellant] en anderen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in paragraaf 4.3.6 van de toelichting op de aanvraag staat dat het aantal verkeersbewegingen vanwege onderhoud en incidentele reparaties aan de windturbines, minder dan één verkeersbeweging per dag bedraagt. Daar komt bij dat, zoals het college heeft toegelicht, bij het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden aan de windturbines geen wegen zullen worden afgezet. [appellant] en anderen hebben dit niet bestreden.

Het betoog faalt.

Uitvoerbaarheid

PFAS

24.    [appellant] en anderen betogen dat niet duidelijk is of ter plaatse van het windpark sprake is van met poly- en perfluoralkylstoffen (hierna: PFAS) vervuilde gronden. Zij wijzen erop dat deze gronden niet zomaar mogen worden afgegraven en vrezen voor gevolgen voor hun gezondheid.

24.1.    De aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures, die nu niet aan de orde zijn. Dat doet er niet aan af dat het college de vergunning niet heeft mogen verlenen indien en voor zover het op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de aanwezige bodemverontreiniging aan de uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning in de weg staat.

24.2.    De afstand van het gebied waar het windpark wordt aangelegd tot de dichtstbijzijnde woning van [appellant] en anderen is, zoals onder 19.2 staat, minimaal 900 m. Verder heeft een van de appellanten een veldschuur en een volkstuin op een afstand van ongeveer 400 m van WT3, zoals hiervoor onder 18.5 is overwogen.

De belangen van [appellant] en anderen zijn gelegen in het behoud van een goede kwaliteit van hun woon- en leefomgeving. De normen waar [appellant] en anderen zich op beroepen strekken ter bescherming van de kwaliteit van de bodem. Gelet op de afstand van de woningen en gronden van [appellant] en anderen tot het windpark, strekken deze normen kennelijk niet ter bescherming van hun belangen. Dat betekent dat deze beroepsgrond gelet op het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste niet inhoudelijk wordt besproken.

Ruilverkaveling

25.    [appellant] en anderen brengen naar voren dat niet duidelijk is of initiatiefnemer kan beschikken over de gronden waar de windturbines worden geplaatst, omdat de ruilverkaveling in dat gebied is gestagneerd. Zij hebben ter zitting in dit verband toegelicht dat er geen overeenstemming is met eigenaren van gronden ter plaatse van de toekomstige uitbreiding van het bedrijventerein "De Esch".

25.1.    De Afdeling ziet dit betoog in het kader van de vraag of er privaatrechtelijke belemmeringen zijn die de uitvoering van het plan beletten. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is slechts aanleiding voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van een omgevingsvergunning in de weg staat, wanneer deze belemmering een evident karakter heeft.

25.2.    In het verweerschrift staat dat uit de aanvraag volgt dat de initiatiefnemer kan beschikken over de gronden waarop het windpark wordt gerealiseerd. De besluitvorming over de ruilverkaveling is volgens het college onherroepelijk. Voorts stelt de Afdeling vast dat de gronden waar de uitbreiding van het bedrijventerrein "De Esch" is geprojecteerd zich niet bevinden nabij het gebied waar de windturbines zullen worden opgericht. Ter zitting is verder door de raad en de initiatiefnemer naar voren gebracht dat overeenkomsten zijn gesloten met huidige en toekomstige eigenaren van de gronden die benodigd zijn voor het windpark. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan de juistheid van wat het college naar voren heeft gebracht te twijfelen. [appellant] en anderen hebben hiertegen geen concrete argumenten naar voren gebracht.

De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat sprake is van een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter, die in de weg staat aan de verlening van de omgevingsvergunning voor het windpark op deze locatie.

Het betoog faalt.

Diersoorten

26.    Het Bewonerscomité en anderen brengen naar voren dat er aanvaringsslachtoffers zijn te verwachten onder verschillende vogelsoorten en onder vleermuissoorten. Zij stellen dat niet duidelijk is of in verband daarmee een aanvraag om een ontheffing op grond van de Wnb is gevraagd.

26.1.    De Afdeling begrijpt het betoog zo dat niet duidelijk is of de benodigde ontheffing kan worden verleend. [appellant] en anderen beroepen zich met dit betoog op bepalingen van de Wnb die strekken tot bescherming van diersoorten. De belangen van [appellant] en anderen zijn gelegen in het behoud van een goede kwaliteit van hun woon- en leefomgeving.

26.2.    De kortste afstand van de dichtstbijzijnde woning van  [appellant] en anderen tot een windturbine is, zoals onder 19.2 en onder 24.2 staat, minimaal 900 m. Deze afstand is te groot om verwevenheid aan te nemen tussen het belang van [appellant] en anderen bij het behoud van een goede kwaliteit van hun woon- en leefomgeving en het algemeen belang dat de Wnb beoogt te beschermen. Dat betekent dat [appellant] en anderen zich niet kunnen beroepen op de bepalingen over de soortenbescherming in de Wnb. Een belanghebbende die zich niet kan beroepen op de bepalingen over soortenbescherming in de Wnb kan zich ook niet beroepen op die normen in het kader van het betoog dat de omgevingsvergunning niet uitvoerbaar is, omdat dat leidt tot overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb en de noodzakelijke ontheffing krachtens de Wnb niet kan worden verleend. De Afdeling verwijst naar de hiervoor onder 18.5 genoemde overzichtsuitspraak over het relativiteitsvereiste van 11 november 2020, onder 10.64 en verder.

De conclusie is dat het in artikel 8:69a, van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste in de weg staat aan het vernietigen van het besluit waarbij de omgevingsvergunning is verleend, wegens strijd met de Wnb als het gaat om soortenbescherming. Aan een inhoudelijke bespreking van de beroepsgrond wordt niet toegekomen.

Capaciteit elektriciteitsnet en rendabiliteit

27.    [appellant] en anderen stellen te twijfelen aan de uitvoerbaarheid van het project omdat niet duidelijk is of de windturbines kunnen worden aangesloten op het elektriciteitsnet. Er moet volgens hen eerst geïnvesteerd worden in de capaciteit van het elektriciteitsnetwerk. Een schriftelijke bevestiging van de netbeheerder dat de windturbines kunnen worden aangesloten en elektriciteit kunnen leveren ontbreekt. Ter onderbouwing van hun betoog verwijzen zij naar artikelen die in de media zijn verschenen.

Daarnaast stellen [appellant] en anderen dat het project niet rendabel is omdat de windsnelheid laag is en de SDE+ subsidie jaarlijks wordt verlaagd. Zij wijzen er daarnaast op dat de maatregelen die getroffen moeten worden in verband met de hinder door slagschaduw de energieproductie en dus de rendabiliteit van het project negatief zullen beïnvloeden. Ook brengen zij naar voren dat planschade een hoge kostenpost is bij windparken vanwege waardedaling van omliggende woningen, waarbij zij verwijzen naar een Duits onderzoek en naar een artikel op de website van de vpro. Volgens hen is niet duidelijk of de initiatiefnemer daar voldoende geld voor heeft gereserveerd. Zij stellen in het nader stuk van 8 september 2020 dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het onderzoek "Windturbines, zonneparken en woningprijzen" van december 2019.

27.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 1 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2544, kan in het kader van een procedure tegen een omgevingsvergunning een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van het project, waaronder ook de financieel-economische uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat het college op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het project niet kan worden uitgevoerd.

27.2.    Het college heeft in het verweerschrift toegelicht en ter zitting is door de initiatiefnemer bevestigd dat de initiatiefnemer beschikt over een ondertekende offerte van de netwerkbeheerder en dat de opdracht is gegeven om de aansluiting van het elektriciteitsnetwerk op het elektriciteitsnetwerk te realiseren. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd geeft daarvoor geen grond. De artikelen in de media waar zij in dit verband op wijzen, gaan niet specifiek over de regio waar Staphorst in ligt. Er is daarom in zoverre geen aanleiding voor de conclusie dat het college op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het project niet kan worden uitgevoerd.

Het betoog faalt in zoverre.

27.3.    In de bij de verleende omgevingsvergunning behorende ruimtelijke onderbouwing en in het MER is toegelicht dat de stilstandvoorziening die wordt getroffen in verband met het beperken van hinder voor omwonenden zal leiden tot enig productieverlies. Het gaat echter om een beperkt percentage van de bruto-opbrengst. De stelling van [appellant] en anderen dat de windsnelheid laag is, is niet onderbouwd. Er is daarom in zoverre geen aanleiding voor de conclusie dat had moet worden aangenomen dat het project financieel niet uitvoerbaar is.

De gestelde omstandigheid dat steeds minder subsidie wordt verstrekt, betekent, wat daar van zij, op zichzelf ook nog niet dat het project niet uitvoerbaar is. In de ruimtelijke onderbouwing staat dat een anterieure overeenkomst is gesloten, waarin onder meer is verzekerd dat de planschade zal worden vergoed. Het college heeft erop gewezen dat een zakelijke beschrijving daarvan ter inzage heeft gelegen. De behoefte van [appellant] en anderen aan meer informatie over financiële aspecten is op zichzelf niet voldoende om aan de uitvoerbaarheid te twijfelen (vergelijk onder 215 van de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer). Daarnaast heeft het college onderkend dat de windturbines kunnen leiden tot waardedaling van woningen. [appellant] en anderen hebben niet met concrete gegevens aannemelijk gemaakt dat die kosten zo hoog zullen zijn dat het project niet zal kunnen worden uitgevoerd. De verwijzing naar een Duits rapport en een publicatie op de website van de VPRO, waarin wordt verwezen naar een onderzoek van de Universiteit van Amsterdam, is daarvoor niet voldoende. Daarin staat weliswaar dat de waardedaling van woningen door de komst van windturbines in het algemeen groter is dan is aangenomen, maar dat zegt niets over het voorliggende windpark en bovendien niet dat initiatiefnemers de vergoeding van planschade niet zouden kunnen dragen. Het door [appellant] en anderen in het nader stuk van 8 september 2020 genoemde onderzoek van december 2019 dateert van na de datum waarop de omgevingsvergunning is verleend en kon daarom niet bij de besluitvorming worden betrokken.

27.4.    Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het project waarvoor de omgevingsvergunning is verleend financieel uitvoerbaar is.

Het betoog faalt ook in zoverre.

Beroepsgronden over de activiteit bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo

Toetsingskader

28.    Artikel 2.10 van de Wabo bevat de gronden waaraan een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo moet worden getoetst. Gelet op artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo dient het college uitsluitend te beoordelen of zich voor de omgevingsvergunning een van de in dat artikel opgenomen weigeringsgronden voordoet. Als dat niet het geval is, moet de omgevingsvergunning worden verleend; als dat wel zo is, moet deze, als de strijdigheid met artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo niet wordt weggenomen, worden geweigerd.

Verkeershinder vanwege bouw- en sloopwerkzaamheden

29.    [appellant] en anderen vrezen dat de bereikbaarheid van hun percelen zal worden beïnvloed door een toename van het aantal vervoersbewegingen door bouw- en sloopwerkzaamheden vanwege het windpark. Zij wijzen daarbij op twee artikelen in het Dagblad van het Noorden over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer en het windpark N33.

29.1.    Artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bouwbesluit 2012 (hierna: het Bouwbesluit) luidt: "Bij het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden worden maatregelen getroffen ter voorkoming van beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere al dan niet roerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen."

29.2.    Artikel 8.2 van het Bouwbesluit heeft betrekking op het treffen van maatregelen ter voorkoming van onder meer beschadiging dan wel belemmering van wegen die zich in de omgeving van het bouw- of sloopterrein bevinden.

De Afdeling is van oordeel dat artikel 8.2 van het Bouwbesluit niet strekt tot bescherming van de belangen van [appellant] en anderen, omdat hun percelen niet grenzen aan het plaatsingsgebied van de windturbines (vergelijk overweging 5.4 van de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1756).

Dat betekent dat artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan vernietiging van het besluit vanwege deze beroepsgrond. De beroepsgrond wordt daarom niet inhoudelijk besproken.

Afbraak windturbines

30.    [appellant] en anderen betogen dat in de omgevingsvergunning ten onrechte geen afdwingbare verwijderingsplicht is opgenomen. Zij vinden een dergelijke sloopverplichting wenselijk, zo niet noodzakelijk, omdat er geen zekerheid is dat de eigenaren van de windturbines op het einde van de levensduur van de windturbines in staat zullen zijn om de sloopkosten te voldoen, bijvoorbeeld door faillissement of liquiditeitsproblemen.

30.1.    De Afdeling ziet in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning had moeten weigeren.

In artikel 2.23, eerste lid, van de Wabo is bepaald dat in een omgevingsvergunning voor een voortdurende activiteit kan worden bepaald dat zij, voor zover zij betrekking heeft op die activiteit, geldt voor een daarbij aangegeven termijn. In dit geval is in de omgevingsvergunning bepaald dat, voor alle vergunde activiteiten, de omgevingsvergunning gedurende een periode van 25 jaar geldt. Hieruit volgt dat het na deze periode niet meer is toegestaan dat de drie vergunde windturbines worden gebruikt of in het plaatsingsgebied aanwezig zijn.

De omstandigheid dat de exploitant in de toekomst mogelijk niet over de middelen kan beschikken om de windturbines te verwijderen, zoals [appellant] en anderen aanvoeren, is voorts geen weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo.

Het betoog faalt.

Beroepsgronden over het oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo

Toetsingskader

31.    Het eerste lid van artikel 2.14 van de Wabo bevat de toetsingsgronden voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van die wet. Het bevat gronden die in ieder geval bij de beslissing moeten worden betrokken, gronden waarmee in ieder geval rekening moet worden gehouden en gronden die in ieder geval in acht moeten worden genomen. In het derde lid van artikel 2.14 van de Wabo is bepaald dat de omgevingsvergunning voor het oprichten en het in werking hebben van een inrichting slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Dit betekent dat het college een zekere beoordelingsruimte heeft of een omgevingsvergunning al dan niet, in het belang van de bescherming van het milieu, moet worden geweigerd.

Beste beschikbare technieken

32.    [appellant] en anderen betogen dat bij de sloop, afbraak of ontmanteling van de windturbines afval zal ontstaan dat volgens hen niet kan worden hergebruikt. Het materiaal dat wordt gebruikt heeft geen nuttige toepassing en valt daarmee niet onder de beste beschikbare technieken (hierna: BBT).

32.1.    In artikel 2.14, eerste lid, onder c, onder 1˚, van de Wabo is bepaald dat het bevoegd gezag bij zijn beslissing op een aanvraag die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, in ieder geval in acht neemt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende BBT moeten worden toegepast.

32.2.    De Afdeling ziet in het betoog van [appellant] en anderen geen aanknopingspunten voor het oordeel dat een meer specifieke beoordeling op dit punt had moeten plaatsvinden. Hiervoor wijst de Afdeling op de uitspraak van 22 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1769, onder 70.2, waarin is geoordeeld dat uit het vereiste dat in de inrichting de BBT moeten worden toegepast niet volgt dat alle mogelijke maatregelen moeten worden getroffen die bijdragen aan een reductie van milieueffecten. De BBT zijn voldoende toegepast wanneer wordt voldaan aan de geldende milieunormen. Vergelijk de uitspraken van 13 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2482, en van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4177.

Het betoog faalt.

Beroepsgrond over het maatwerkvoorschrift voor slagschaduw

33.    Zoals hiervoor is overwogen onder 17.1 heeft het college bij besluit van 3 oktober 2019 op grond van artikel 3.12, tweede lid, van de Activiteitenregeling een maatwerkvoorschrift voor slagschaduw vastgesteld, waardoor er voor gevoelige objecten in cumulatie een maximale slagschaduwduur van 1 uur per jaar is toegestaan.

34.    [appellant] en anderen vrezen dat de hinder door slagschaduw ondanks dit maatwerkvoorschrift onaanvaardbaar zal zijn. Zij voeren aan dat zij betwijfelen of kan worden nagegaan of het maatwerkvoorschrift voor slagschaduw wordt nageleefd. Zij verwijzen in dit verband naar de gang van zaken in de exploitatie van het Windpark Houten. Zij vrezen dat handhaving, controles en metingen niet zorgvuldig en doeltreffend zullen kunnen worden uitgevoerd. Zij brengen daarbij naar voren dat de slagschaduweffecten zeer locatiespecifiek zijn en afhankelijk van de weersomstandigheden op concrete momenten van het jaar.

34.1.    De exploitant van windpark Staphorst is gebonden aan de norm in het maatwerkvoorschrift  De Afdeling ziet in wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat hieraan niet kan worden voldaan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:301, onder 27.2, over het windpark Nij Hiddum-Houw, en in de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, onder 132.7, wordt tijdens de exploitatie gemeten of sprake is van zonneschijn, de windturbine in bedrijf is en of de stand van de motor zodanig is dat schaduw op gevoelige objecten optreedt. Daarmee wordt de duur van de schaduw bepaald. De door [appellant] en anderen naar voren gebrachte omstandigheid dat bij een windpark elders de handhaving niet naar behoren verloopt, is niet voldoende voor de conclusie dat niet kan worden nagegaan of in dit geval aan de norm van 1 uur slagschaduw per jaar kan worden voldaan (vergelijk overweging 116.1 van de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1781, over het windpark N33).

Het betoog faalt.

Conclusie en betekenis van de uitspraak

35.    Het beroep van [appellant] en anderen tegen de besluiten van 3 oktober 2019 is niet-ontvankelijk, voor zover dit beroep is ingesteld door de in bijlage II bij deze uitspraak genoemde personen. Voor hen is deze uitspraak een einduitspraak, zodat hiermee hun procedure bij de Afdeling ten einde komt.

36.    Voor zover het beroep van [appellant] en anderen tegen de besluiten van

3 oktober 2019 ontvankelijk is, heeft de Afdeling aanleiding gezien voor het toepassen van een bestuurlijke lus. De Afdeling verwijst op dit punt naar wat is overwogen onder 16.7 van deze uitspraak. Deze uitspraak is in zoverre een tussenuitspraak, zodat de procedure nog niet ten einde komt voor de natuurlijke personen en rechtspersonen die niet worden genoemd in bijlage II bij deze uitspraak.

In de einduitspraak zal de Afdeling ook een eindoordeel geven over het besluit waarbij het maatwerkvoorschrift is vastgesteld.

37.    Bij de voorbereiding van een eventueel gewijzigd of nieuw besluit hoeft afdeling 3.4 van de Awb niet opnieuw te worden toegepast. Een gewijzigd of nieuw besluit dient op de wettelijk voorgeschreven wijze te worden bekendgemaakt en medegedeeld.

38.    In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellant] en anderen, voor zover dit beroep is ingesteld door de in bijlage II bij deze uitspraak genoemde personen, niet-ontvankelijk;

II.    draagt het college van de gemeente Staphorst op om binnen 10 weken na de verzending van deze uitspraak:

- met inachtneming van wat is overwogen onder 16.7 het daarin omschreven gebrek in het besluit van het college van de gemeente Staphorst van 3 oktober 2019 waarbij een omgevingsvergunning is verleend te herstellen, en;

- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. E.A. Minderhoud en mr. J.M.L. Niederer, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2020

378-933.

 

BIJLAGE I

 

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 1:2

1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

[…]

Artikel 3:2

Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Artikel 3:3

Het bestuursorgaan gebruikt de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.

Artikel 8:1

Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

Artikel 8:69a

De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

d. het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk in met het oog op de brandveiligheid bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen,

e.

1°. het oprichten,

2°. het veranderen of veranderen van de werking of

3°. het in werking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk,

f. het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een rijksmonument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht,

g. het slopen van een bouwwerk in gevallen waarin dat in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is bepaald,

h. het slopen van een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht of

i. het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot hetgeen wordt verstaan onder de in het eerste lid bedoelde activiteiten.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt.

Artikel 2.10

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet;

b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet;

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;

e. de activiteit een wegtunnel als bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels betreft en uit de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden blijkt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van die wet gestelde norm.

2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Artikel 2.12

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening      opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

[…]

Artikel 2.14

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e:

a. betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval:

1°. de bestaande toestand van het milieu, voor zover de inrichting of het mijnbouwwerk daarvoor gevolgen kan veroorzaken;

2°. de gevolgen voor het milieu, mede in hun onderlinge samenhang bezien, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan veroorzaken, mede gezien de technische kenmerken en de geografische ligging daarvan;

3°. de met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk en het gebied waar de inrichting of het mijnbouwwerk zal zijn of is gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu;

4°. de voor het einde van de in artikel 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijn of de krachtens artikel 3.12, zesde lid, aangegeven termijn ingebrachte adviezen en zienswijzen;

5°. de mogelijkheden tot bescherming van het milieu, door de nadelige gevolgen voor het milieu, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan veroorzaken, te voorkomen, of zoveel mogelijk te beperken, voor zover zij niet kunnen worden voorkomen;

6°. het systeem van met elkaar samenhangende technische, administratieve en organisatorische maatregelen om de gevolgen die de     inrichting of het mijnbouwwerk voor het milieu veroorzaakt, te monitoren, te beheersen en, voor zover het nadelige gevolgen betreft, te verminderen, dat degene die de inrichting of het mijnbouwwerk drijft, met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk toepast, alsmede het milieubeleid dat hij met betrekking tot de inrichting of het mijnbouwwerk voert;

b. houdt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval rekening met:

1°. het voor hem geldende milieubeleidsplan;

2°. het bepaalde in de artikelen 10.14 en 10.29a van de Wet milieubeheer;

3°. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende richtwaarden, voor zover de verplichting tot het rekening houden daarmee is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 of 5.17 van de Wet milieubeheer;

c. neemt het bevoegd gezag bij die beslissing in ieder geval in acht:

1°. dat in de inrichting of het mijnbouwwerk ten minste de voor de     inrichting of het mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden toegepast;

2°. de voor de onderdelen van het milieu, waarvoor de inrichting of het mijnbouwwerk gevolgen kan hebben, geldende grenswaarden, voor zover de verplichting tot het in acht nemen daarvan is vastgelegd krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 van de Wet milieubeheer, is vastgelegd in of krachtens artikel 5.16 van die wet, dan wel voor zover het inrichtingen betreft voortvloeit uit de artikelen 40, 44 tot en met 47, 50, 51, 53 tot en met 56, 59 tot en met 61, 63, tweede lid, 64, 65 of 66 van de Wet geluidhinder;

3°. in afwijking van onderdeel 2°, neemt het bevoegd gezag, voor zover het de geldende grenswaarden betreft, die voortvloeien uit de in dat onderdeel genoemde artikelen van de Wet geluidhinder, bij de beslissing op de aanvraag om een vergunning voor een inrichting, gelegen op een industrieterrein waarvoor een geluidreductieplan als bedoeld in artikel 67 van de Wet geluidhinder is vastgesteld, het geldende geluidreductieplan in acht;

4°. de onderdelen van het advies, bedoeld in artikel 2.26, tweede lid, ten aanzien waarvan in het advies is aangegeven dat daaraan moet worden voldaan, voor zover daardoor geen strijd ontstaat met het bepaalde in de andere onderdelen van dit lid of het tweede lid, of het bepaalde bij of krachtens artikel 2.22;

d. en betrekt het bevoegd gezag bij die beslissing de bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5.1 van de Wet milieubeheer ter uitvoering van een EU-richtlijn of EU-verordening gestelde milieukwaliteitseisen op de bij die maatregel aangegeven wijze, voor zover de verplichting daartoe krachtens of overeenkomstig artikel 5.2 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in die maatregel.

2. Voor zover de aanvraag om een activiteit als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op een inrichting waarin stoffen behorende tot een in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie aanwezig kunnen zijn en die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie, draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat de beslissing op de aanvraag niet tot gevolg heeft dat minder dan voldoende afstand aanwezig is tussen die inrichting en een beschermd natuurmonument of gebied dat als zodanig is aangewezen krachtens artikel 10 van de Natuurbeschermingswet 1998 of een gebied dat als zodanig is aangewezen krachtens artikel 10a van die wet of dat voorlopig als zodanig is aangewezen krachtens artikel 12 van die wet. Bij de beoordeling van de afstand betrekt het bevoegd gezag de maatregelen die zijn of worden getroffen om een voorval als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer waarbij stoffen als bedoeld in de eerste volzin zijn betrokken en waardoor ernstig gevaar voor het milieu ontstaat, in de inrichting te voorkomen of de gevolgen daarvan te beperken.

3. Voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in het eerste lid, kan de omgevingsvergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.

4. Het bevoegd gezag geeft in de motivering van de beslissing op de aanvraag te kennen, op welke wijze de in het eerste lid, onder a, genoemde aspecten de inhoud van het besluit hebben beïnvloed. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, onder c, onder 3°, vermeldt het bevoegd gezag dit in de motivering.

5. In afwijking van het eerste tot en met vierde lid wordt in gevallen als bedoeld in artikel 3.10, derde lid, de omgevingsvergunning verleend indien wordt voldaan aan de in het laatstgenoemde lid gestelde voorwaarden.

6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop de voor een inrichting of mijnbouwwerk in aanmerking komende beste beschikbare technieken moeten worden bepaald. Daarbij kan worden bepaald dat de gestelde regels slechts gelden in gevallen die behoren tot een daarbij aangewezen categorie.

7. Bij de toepassing van het eerste lid worden gronden en bouwwerken in de omgeving van de inrichting in aanmerking genomen overeenkomstig het bestemmingsplan, de beheersverordening, of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning.

Artikel 2.22

1. In een omgevingsvergunning worden het project en de activiteiten waarop het betrekking heeft, duidelijk beschreven.

2. Aan een omgevingsvergunning worden de voorschriften verbonden, die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.10 tot en met 2.20. Indien toepassing is gegeven aan artikel 2.27, vierde lid, worden aan een omgevingsvergunning tevens de bij de verklaring aangegeven voorschriften verbonden. De aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften zijn op elkaar afgestemd.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voor daarbij aangewezen categorieën activiteiten of gevallen regels gesteld met betrekking tot het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning. Hiertoe kunnen behoren regels met betrekking tot:

a. voorschriften ter uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie met betrekking tot de fysieke leefomgeving;

b. voorschriften, inhoudende een verplichting om te voldoen aan nadere eisen die door een bij het voorschrift aangewezen bestuursorgaan worden gesteld;

c. voorschriften, inhoudende een verplichting voor het krachtens onderdeel b aangewezen bestuursorgaan om van de in dat onderdeel bedoelde eisen op een daarbij aan te geven wijze openbaar kennis te geven;

d. voorschriften die nodig zijn met het oog op het belang van de archeologische monumentenzorg;

e. voorschriften die niet aan de omgevingsvergunning kunnen worden verbonden.

4. Bij een verordening als bedoeld in artikel 2.2 kunnen voor de betrokken categorieën activiteiten eveneens regels worden gesteld met betrekking tot het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning.

5. Voor zover met betrekking tot de activiteit algemeen verbindende voorschriften gelden, kunnen de voorschriften die aan de vergunning worden verbonden daarvan alleen afwijken voor zover dat bij die regels is toegestaan. In afwijking van de eerste volzin worden aan een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, met betrekking tot een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort, voorschriften verbonden die afwijken van de algemeen verbindende voorschriften, bedoeld in de eerste volzin, voor zover met die voorschriften niet wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens het tweede of derde lid of artikel 2.14.

6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in daarbij aangewezen categorieën gevallen regels worden gesteld omtrent het voorbereiden, vormgeven, inrichten of beschikbaar stellen van een omgevingsvergunning of omtrent de uitvoerbaarheid daarvan.

Artikel 2.23

1. In een omgevingsvergunning voor een voortdurende activiteit kan worden bepaald dat zij, voor zover zij betrekking heeft op die activiteit, geldt voor een daarbij aangegeven termijn.

2.Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van activiteiten als bedoeld in het eerste lid categorieën gevallen worden aangewezen waarin in de omgevingsvergunning wordt bepaald dat zij slechts geldt voor een daarbij aangegeven termijn. Bij de maatregel kan ten aanzien van die termijn worden bepaald:

a. een maximum gedurende welke deze kan gelden, of

b. in welke categorieën gevallen deze kan worden verlengd.

Bouwbesluit 2012

Artikel 8.2

Bij het uitvoeren van bouw- of sloopwerkzaamheden worden maatregelen getroffen ter voorkoming van:

a. letsel van personen op een aangrenzend perceel of een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen;

b. letsel van personen die het bouw- of sloopterrein onbevoegd betreden, en

c. beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere al dan niet roerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouw- of sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen.

Wet ruimtelijke ordening

Artikel 3.30

1. Bij besluit van de gemeenteraad kunnen gevallen of categorieën van gevallen worden aangewezen waarin de verwezenlijking van een onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk beleid het wenselijk maakt dat:

a. de voorbereiding en bekendmaking van nader aan te duiden, op aanvraag of ambtshalve te nemen besluiten worden gecoördineerd, of

b. de voorbereiding en bekendmaking van een bestemmingsplan, een wijziging of uitwerking van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, wordt gecoördineerd met de voorbereiding en bekendmaking van besluiten als bedoeld onder a.

2. Bij de gecoördineerde voorbereiding en bekendmaking als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, wordt de procedure beschreven in de artikelen 3.31 en 3.32, respectievelijk die procedure in samenhang met hetzij, in geval van een bestemmingsplan, de procedure beschreven in artikel 3.8, hetzij, in geval van een omgevingsvergunning, de uitgebreide procedure beschreven in paragraaf 3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht toegepast.

[…]

Activiteitenbesluit milieubeheer

Artikel 1

1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

beperkt kwetsbaar object: beperkt kwetsbaar object als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;

[…]

kwetsbaar object: kwetsbaar object als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel l, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;

[…]

Artikel 3.14a

1. Een windturbine of een combinatie van windturbines voldoet ten behoeve van het voorkomen of beperken van geluidhinder aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en aan de norm van ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen, tenzij deze zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein, en bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein.

2. Onverminderd het eerste lid kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift teneinde rekening te houden met cumulatie van geluid als gevolg van een andere windturbine of een andere combinatie van windturbines, normen met een lagere waarde vaststellen ten aanzien een van de windturbines of een combinatie van windturbines.

3. In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift in verband met bijzondere lokale omstandigheden normen met een andere waarde vaststellen.

4. In verband met een windturbine of een combinatie van windturbines waarvoor tot 1 januari 2011 een vergunning in werking en onherroepelijk was dan wel een melding was gedaan op grond van artikel 1.10, kunnen bij ministeriële regeling maatregelen worden voorgeschreven die ertoe leiden dat binnen een bij die regeling te bepalen termijn aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen en bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein wordt voldaan in die gevallen waarin uit het akoestisch onderzoek, bedoeld in artikel 1.11, negende lid, blijkt dat de geluidsbelasting die waarde overschrijdt.

5. Bij de toepassing van het tweede lid wordt geen rekening gehouden met een windturbine of een combinatie van windturbines die behoort tot een andere inrichting waarvoor tot 1 januari 2011 een vergunning in werking en onherroepelijk was dan wel een melding was gedaan op grond van artikel 1.10.

Artikel 3.15a

1. Het plaatsgebonden risico voor een buiten de inrichting gelegen kwetsbaar object, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, is niet hoger dan 10-6 per jaar.

2. Het plaatsgebonden risico voor een buiten de inrichting gelegen beperkt kwetsbaar object, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, is niet hoger dan 10-5 per jaar.

3. Ten behoeve van het bepalen van het plaatsgebonden risico, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen bij ministeriële regeling afstanden worden vastgesteld, die minimaal aanwezig moeten zijn tussen een windturbine of een combinatie van windturbines en een buiten de inrichting gelegen kwetsbaar dan wel beperkt kwetsbaar object.

4. Indien op grond van het derde lid afstanden zijn vastgesteld, worden die in acht genomen en zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing.

5. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de berekening van het plaatsgebonden risico.

6. Het eerste tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing op een windturbine of een combinatie daarvan waarvoor tot 1 januari 2011 een vergunning in werking en onherroepelijk was dan wel een melding was gedaan op grond van artikel 1.10 ten aanzien van een kwetsbaar onderscheidenlijk beperkt kwetsbaar object, indien het plaatsgebonden risico ten gevolge van die windturbine of een combinatie van windturbines voor het betreffende kwetsbare onderscheidenlijk beperkt kwetsbare object voor 1 januari 2011 groter is dan 10-6 onderscheidenlijk 10-5 per jaar.

Activiteitenregeling milieubeheer

Artikel 3.12

1. Ten behoeve van het voorkomen of beperken van slagschaduw en lichtschittering is de windturbine voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt indien slagschaduw optreedt ter plaatse van gevoelige objecten voorzover de afstand tussen de windturbine en de gevoelige objecten minder dan 12 maal de rotordiameter bedraagt en gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag slagschaduw kan optreden en voorzover zich in de door de slagschaduw getroffen uitwendige scheidingsconstructie van gevoelige gebouwen of woonwagens ramen bevinden. De afstand geldt van een punt op ashoogte van de windturbine tot de gevel van het gevoelige object.

2. Het bevoegd gezag kan met betrekking tot het in werking hebben van een windturbine aanvullend maatwerkvoorschriften stellen ten behoeve van het voorkomen of beperken van hinder door slagschaduw indien het eerste lid in een specifiek geval niet toereikend is.

Monumentenwet 1988

Artikel 11

1. Het is verboden een beschermd monument te beschadigen of te vernielen.

2. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning:

a. een beschermd archeologisch monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

b. een beschermd archeologisch monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

BIJLAGE II

In deze bijlage zijn de natuurlijke personen vermeld die het beroepschrift mede hebben ingediend en van wie het perceel zich bevindt op een afstand van meer dan 2.120 m van de dichtstbijzijnde windturbine.

[Lijst met namen en woonplaatsen]