Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:3109

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-12-2020
Datum publicatie
23-12-2020
Zaaknummer
201801578/3/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 december 2017 heeft de raad van de gemeente Oss het bestemmingsplan "Bredeweg 13 Geffen-2017" vastgesteld. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak van 2 oktober 2019 drie gebreken in het besluit van 14 december 2017 van de raad vastgesteld. In de eerste plaats is onder 4.3 in de tussenuitspraak overwogen dat uit de plantoelichting blijkt dat de raad het plan niet op juiste wijze heeft getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om met inachtneming van overwegingen 4.3, 5.3 en 10.3 de drie gebreken in het besluit van 14 december 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bredeweg 13 Geffen-2017" te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201801578/3/R2.

Datum uitspraak: 23 december 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante A] en anderen, allen wonend te Geffen, gemeente Oss,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Oss,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Bredeweg 13 Geffen-2017" vastgesteld.

Bij tussenuitspraak van 2 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3326, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin geconstateerde gebreken in het besluit van

14 december 2017 te herstellen.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij het besluit van

5 maart 2020 het bestemmingsplan "Bredeweg 13 Geffen-2017" gewijzigd en opnieuw vastgesteld.

[appellante A] en anderen hebben zienswijzen ingediend.

[appellante A] en anderen, Van Schijndel Bouwgroep B.V. te Geffen (hierna: Van Schijndel Bouwgroep) en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 november 2020, waar [appellante A], [appellant B] en [appellant C] en [appellante D], bijgestaan door ing. L. Visscher, deskundige, en [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door ing. R.O. van der Vorst en ing A. van den Meerendonk, zijn verschenen. Voorts is Van Schijndel Bouwgroep, vertegenwoordigd door mr. D.H. Nas, advocaat te Nijmegen, en [projectleider], ter zitting gehoord.

Overwegingen

1.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak van 2 oktober 2019 drie gebreken in het besluit van 14 december 2017 van de raad vastgesteld. In de eerste plaats is onder 4.3 in de tussenuitspraak overwogen dat uit de plantoelichting blijkt dat de raad het plan niet op juiste wijze heeft getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). In paragraaf 5.1. van de plantoelichting is ingegaan op de behoefte. Daarbij is een beschrijving gegeven van de behoefte aan de uitbreiding van het bedrijf van Van Schijndel Bouwgroep. De onderbouwing dat sprake is van een behoefte aan de in het plan mogelijk gemaakte nieuwe stedelijke ontwikkeling krijgt gestalte door het concrete initiatief van Van Schijndel Bouwgroep om uit te breiden aansluitend aan de huidige locatie, aldus de plantoelichting. Het plan biedt echter planologisch ruimte voor diverse bedrijfsmatige activiteiten tot en met milieucategorie 3.2. De behoefte daaraan is echter niet onderzocht. Gelet hierop is het plan vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6., tweede lid, van het Bro.

In de tweede plaats heeft de Afdeling onder 5.3 van de tussenuitspraak overwogen dat in de onderzoeken die onder meer betrekking hebben op verkeer en geluid en die ten grondslag liggen aan het plan uitsluitend is ingegaan op de ruimtelijke gevolgen van de uitbreiding van het bedrijf van Van Schijndel Bouwgroep en dat de gevolgen van de in de Milieuzoneringslijst opgenomen categorie 3.2 bedrijven die in het plan op de gronden met de bestemming "Bedrijf-1" en de aanduiding "specifieke bouwaanduiding-1" mogelijk worden gemaakt, niet zijn onderzocht. Gelet hierop is het plandeel met de bestemming "Bedrijf-1" en de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.2" voorbereid in strijd met de zorgvuldigheid.

De Afdeling heeft tenslotte in de tussenuitspraak onder 10.3 overwogen dat mobiele en niet-mobiele geluidbronnen op het terrein in kaart zijn gebracht in het akoestisch rapport. De geluidbronnen van routes van de verschillende voertuigen op het bedrijfsterrein zijn weergegeven in bijlage 1 bij het rapport. Bij de geluidbronnen is aangegeven dat zich dagelijks een elektrische heftruck over het terrein verplaatst met goederen zoals bouwmaterialen, hekwerk en afvalstoffen. De totale bedrijfstijd hiervan bedraagt 5 uur. Vastgesteld is dat de route van de elektrische heftruck die materiaal vervoert langs de woning en de tuin van [appellant C] ([locatie C]) loopt. In bijlage 1 bij het rapport is de betreffende route langs de woning en tuin van [appellant C] niet opgenomen. Weliswaar gaat het hier om elektrische vervoermiddelen, maar niet valt uit te sluiten dat dit gelet op de afstand tussen het bedrijfsterrein en de tuin en woning van [appellant C] en het te vervoeren materiaal wel tot geluidsoverlast kan leiden. Daarbij kan het geluid dat bij het achteruit rijden optreedt, onder meer door de achteruitrijsignalering, tevens een rol spelen. Nu niet is gebleken dat dit in het akoestisch onderzoek is betrokken, staat niet vast dat op het perceel van [appellant C] een geluidssituatie ontstaat die zich verdraagt met een goede ruimtelijke ordening. Het bestreden besluit is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

1.1.    Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak is het beroep van [appellante A] en anderen tegen het besluit van 14 december 2017 gegrond. Dit besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3.1.6., tweede lid, van het Bro en artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

2.    In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om met inachtneming van overwegingen 4.3, 5.3 en 10.3 de drie gebreken in het besluit van 14 december 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bredeweg 13 Geffen-2017" te herstellen.

3.    Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb luidt: "Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben."

4.    De Afdeling stelt vast dat met het besluit van 5 maart 2020 (hierna: het herstelbesluit) niet is tegemoet gekomen aan het beroep van [appellante A] en anderen. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb moet hun beroep daarom worden geacht te zijn gericht tegen dit besluit. [appellante A] en anderen hebben naar aanleiding van het herstelbesluit zienswijzen ingediend.

5.    De Afdeling stelt vast dat het plan bij het herstelbesluit is gewijzigd. In het plan is aan de gronden waar de uitbreiding van het bedrijf van Van Schijndel Bouwgroep is voorzien de bestemming "Bedrijf-1" toegekend. Het gewijzigde artikel 3, lid 3.1, van de planregels, voor zover van belang, luidt als volgt:

"De voor "Bedrijf-1" aangewezen gronden zijn uitsluitend bestemd voor

a. een bouwbedrijf tot maximaal milieucategorie 3.2 volgens de Bedrijvenlijst (bijlage 3), met dien verstande dat buitenopslag van bouwmaterialen en voertuigen uitsluitend is toegestaan

1. voor het eigen bedrijf en

2. tot 6 m hoogte en

3. ter plaatse van de aanduiding 'opslag'."

In bijlage 3 bij de planregels is de categorie bouwnijverheid opgenomen bestaande uit:

bouwbedrijven algemeen: b.o. > 2.000 m² categorie 3.2 en

bouwbedrijf algemeen: b.o. <= 2.000 m² categorie 3.1.

Verder is in opdracht van Van Schijndel Bouwgroep door NIPA milieutechniek B.V. (hierna: NIPA) een aanvullend akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd waarvan de uitkomsten zijn neergelegd in een rapportage van 17 januari 2020. Dit is een addendum op het onderzoekrapport van 23 november 2016 van het NIPA dat aan het besluit van 14 december 2017 ten grondslag is gelegd. Het addendum is als bijlage 7 bij de plantoelichting van het recente plan gevoegd.

6.    Bij het herstelbesluit is de verbeelding opnieuw vastgesteld. Het betoog van [appellante A] en anderen dat in de raadsvergadering van 5 maart 2020 een verbeelding is vastgesteld die afwijkt van de verbeelding zoals die op ruimtelijkeplannen.nl is te zien, slaagt niet. De analoge weergave van de verbeelding bij het herstelbesluit is dezelfde als die is terug te vinden op ruimtelijkeplannen.nl. Op de analoge verbeelding bij de raadstukken is ook aangegeven dat de versiedatum van de verbeelding dateert van 19 oktober 2020 en derhalve niet een andere verbeelding betreft. [appellante A] en anderen betogen dat op de verbeelding bij het herstelbesluit geen locatie voor een waterberging (wadi) meer is aangegeven. De Afdeling stelt vast dat in de verbeelding binnen het plandeel met de bestemming "Natuur" de functieaanduiding "waterberging" is aangebracht. Deze aanduiding maakt het realiseren van een waterberging (in de vorm van een wadi) in dit deelgebied, ten noorden van de nieuwe bedrijfshal, mogelijk. In dit opzicht verschilt de nu vastgestelde verbeelding niet van de verbeelding die behoort bij het vorige plan. Voor de vrees dat door het verplaatsen van het deelgebied waar een wadi kan komen een nieuwe uitweg naar de Bredeweg zal komen, bestaat dan ook geen grond. Door Van Schijndel Bouwgroep is overigens ook aangegeven dat de huidige uitweg op de Bredeweg gehandhaafd blijft. Het betoog faalt.

7.    [appellante A] en anderen betogen in hun zienswijzen tegen het herstelbesluit dat het plan in strijd is met de Gebiedsvisie Geffen-Oss en dat de raad heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel voor wat betreft de door [appellant B] gewenste woning. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 6 en 7 naar aanleiding van het beroep van [appellante A] en anderen geoordeeld dat in het aangevoerde geen aanleiding kan worden gevonden voor het oordeel dat het plan in strijd is met de gebiedsvisie. Ook is er geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Deze betogen slagen niet, zo heeft de Afdeling dus reeds geoordeeld in de tussenuitspraak. [appellante A] en anderen keren zich tegen deze overwegingen van de tussenuitspraak. De Afdeling overweegt dat zij, behoudens zeer uitzonderlijke gevallen, niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een zeer uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel moet worden uitgegaan.

Voorts kan niet worden aanvaard dat, behoudens het geval dat een wijziging in het besluit of een verandering van omstandigheden daartoe aanleiding geeft, in een beroep tegen een nieuw besluit dat is genomen na een tussenuitspraak, een appellant nieuwe argumenten zou kunnen aanvoeren ten einde te bewerkstellingen dat de rechter terugkomt van een in de eerste uitspraak als definitief bedoelde verwerping van een beroepsgrond. Een andere opvatting zou op onaanvaardbare wijze afbreuk doen aan de rechtszekerheid van andere partijen in een procedure als deze. Nu het besluit op deze onderdelen niet is gewijzigd en evenmin sprake is van een verandering van omstandigheden, blijft dit betoog buiten bespreking.

8.    [appellante A] en anderen hebben in hun zienswijzen tegen het herstelbesluit hun beroepsgronden verder uitgebreid met nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgronden, die niet zien op de wijzigingen in het herstelbesluit. Het betreft het standpunt over het ontbreken van een m.e.r.-beoordeling en de zienswijze van de deskundige van de Nederlandse Stichting Geluidhinder die betrekking heeft op de wijze waarop het geluidsonderzoek is uitgevoerd en welke geluidsnormering passend is. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan in het licht van de goede procesorde niet worden aanvaard dat na een tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. Dit betekent dat deze onderdelen van de zienswijzen buiten inhoudelijke bespreking blijven.

9.    De Afdeling stelt vast dat de raad met het oog op herstel van de onder 4.3 en 5.3 van de tussenuitspraak vastgestelde gebreken bij het herstelbesluit de mogelijkheden binnen de bestemming "Bedrijf-1" heeft beperkt. De huidige planregeling maakt ter plaatse van de gronden met de bestemming "Bedrijf-l" uitsluitend een bouwbedrijf tot maximaal categorie 3.2 mogelijk, met de in artikel 3, lid 3.1, van de planregels opgenomen beperkingen ten aanzien van buitenopslag en voertuigen. Daarmee is de bestemming toegespitst op de activiteiten in de voorgenomen uitbreiding van het bouwbedrijf van Van Schijndel Bouwgroep. Daarmee zijn de mogelijkheden van het plan in overeenstemming gebracht met de onderzoeken die aan het plan ten grondslag liggen. In die onderzoeken is immers ingegaan op de ruimtelijke gevolgen van de uitbreiding van het bedrijf van Van Schijndel Bouwgroep. Het betoog van [appellante A] en anderen dat de behoefte aan de in het plan voorziene uitbreiding van het bedrijf van Van Schijndel Bouwgroep niet is onderbouwd, slaagt niet. Uit de plantoelichting blijkt dat de raad concreet heeft gemotiveerd wat de ruimtelijke behoefte is aan de uitbreiding van het bouwbedrijf van Van Schijndel Bouwgroep. De behoefte komt voort uit bedrijfsmatige en sectorale ontwikkelingen in de bouw. Van Schijndel Bouwgroep heeft te maken met nieuwe bouwproducten en -methoden waarvoor extra bedrijfs- en opslagruimte nodig is. Vanwege de bestaande situatie op de kavel en opstallen en in relatie tot de efficiënte routing en lay-out die nodig zijn om de bedrijfsprocessen optimaal uit te kunnen voeren, is het niet mogelijk gebleken de uitbreiding op het bestaande perceel en binnen de bestaande gebouwen te integreren. Verplaatsing van de bestaande bedrijfslocatie naar een andere locatie waar de uitbreiding aanvullend gerealiseerd kan worden is wel overwogen, maar niet haalbaar gebleken. Verder is toegelicht dat splitsing van het bedrijf niet mogelijk is, omdat het essentieel is om vanuit één locatie te werken. De bedrijfsactiviteiten en -processen zijn afgestemd op elkaar en dienen in de nabijheid van elkaar te worden uitgevoerd. Dit heeft een rol gespeeld bij de keuze voor het geschikte terrein naast het bestaande bedrijfsterrein. Tenslotte is toegelicht dat binnen bestaand stedelijk gebied, in de kern Geffen, geen passende bestaande locaties beschikbaar bleken die qua metrage en gebouwkwaliteit overeenkomen met de situatie die op de planlocatie gerealiseerd kan worden.

10.    Naar aanleiding van hetgeen onder 10.3 van de tussenuitspraak is overwogen is het addendum opgesteld. Het akoestisch rapport van 23 november 2016 en daarop aanvullend het addendum liggen ten grondslag aan het herstelbesluit.

In het addendum zijn aanvullend de volgende veranderingen onderzocht, waartegen de zienswijzen van [appellante A] en anderen zich tevens richten:

1. het toevoegen van twee verkeersbewegingen (naar de noordzijde van de nieuwe hal en terug) voor een vrachtwagen. Gedurende 50% van de route is de achteruitrijdsignalering van de vrachtwagen in werking. De rijsnelheid is 5 kilometer per uur.

2. het laden of lossen van de vrachtwagen ter plaatse van de noordzijde van de nieuwe hal gebouw met de elektrische heftruck (L2) gedurende ten hoogste 2 uur; 50% van de tijd is de achteruitrijdsignalering van de heftruck in werking.

3. rijden van de elektrische heftruck (L1) op het bedrijfsterrein, totaal 5 uur per dag waarvan 4 uur vooruit en 1 één uur achteruit waarbij de achteruitrijdsignalering in werking is.

4. aanpassen van de hoogte van de nieuwe hal van 8,5 naar 10 meter;

5. het aantal verkeersbewegingen op het parkeerterrein zijde Bredeweg en op de Bredeweg zelf van 55 personenwagens per dag is opgehoogd naar 96;

6. toegevoegd zijn 20 verkeerbewegingen per dag van middelzware voertuigen ( bestelbussen) op zowel het bedrijfsterrein als de openbare weg; 7. het toevoegen van extra waarneempunten bij woningen van derden.

In het addendum is berekend of ook met inachtneming van de genoemde 7 aanvullende bronnen wordt voldaan aan de (voorkeurs)grenswaarden van het Activiteitenbesluit. De conclusie van het addendum is dat op basis van de berekening en de rapportage blijkt dat de onderzochte bedrijfsvoering in de bestaande situatie geen knelpunten veroorzaakt met betrekking tot de geluiduitstraling en dat ook na uitbreiding een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woonbestemmingen is gewaarborgd. Bij [appellante A] en anderen zal sprake zijn van respectievelijk 41, 42 en 47 dB(A) langtijdgemiddeld met een geluidnorm in het Activiteitenbesluit van 50 dB(A). Het maximaal geluidniveau zal 61, 60 en 70 dB(A) bedragen bij een geluidnorm van

70 dB(A). Ten slotte zal de verkeersaantrekkende werking 25, 44 en 43 bedragen en hier geldt een geluidnorm van 50 dB(A).

10.1.    [appellante A] en anderen betogen dat hetgeen in de plantoelichting als beoogde invulling van de uitbreiding is omschreven afwijkt van het uitgangspunt van het addendum. Zij wijzen op de mogelijkheid van machinale houtbewerking in de uitbreiding, wat niet is onderzocht in het addendum en die een hoog geluidsniveau zal hebben. Tevens vrezen [appellante A] en anderen op grond van de in het addendum vermelde activiteiten dat er aan de noordzijde van de uitbreiding, aan de kant van hun tuinen en woningen, in de toekomst grote prefab elementen zullen worden geladen. In de plantoelichting werd ervan uitgegaan dat hier alleen opslag van elementen plaatvond en dat dit materiaal met een heftruck verplaatst wordt, ook van noord naar zuid en andersom. Om aan de noordkant het laden van prefab elementen mogelijk te maken zal er een vrachtwagen komen. Zij vrezen voor een toename van de geluidsoverlast ten gevolge van deze wijziging van het vervoer aan de oostzijde van het terrein. Ook vrezen zij dat door het laden en lossen aan de noordkant van de hal de aanwezige overheaddeuren langer openstaan en geluid uit de bedrijfshal voor overlast gaat zorgen. [appellante A] en anderen betogen tenslotte dat uit het addendum blijkt dat het verkeer toch fors zal toenemen. Ook zal het aantal parkeerplaatsen toenemen, wat wijst op een toename van personeel.

10.2.    De raad en Van Schijndel Bouwgroep hebben toegelicht dat het onderzoek in het addendum verder strekt dan de opdracht in de tussenuitspraak. Die opdracht zag alleen op de heftruck. Deze keuze is gemaakt omdat is gebleken dat de in het akoestisch rapport in 2016 onderzochte veranderingen in de representatieve bedrijfssituatie niet volledig waren. In het eerdere akoestisch onderzoek is het concrete bouwplan onderzocht. In het addendum zijn aanvullend de gevolgen van een representatieve invulling van de maximale mogelijkheden van het plan. Deze benadering is ten opzichte van het concrete bouwplan als ‘worst case’ te beschouwen. In het kader van deze worst case benadering is besloten naast vervoersbewegingen met de heftruck, de achterruitsignalering en het laden en lossen, ook extra vrachtwagenbewegingen, extra heftruckbewegingen en extra verkeersbewegingen op te nemen. Verder is de hoogte van het gebouw in het addendum aangepast van 8,5 m naar 10 m. Ook in het oorspronkelijke plan was al een bouwhoogte van 10 m mogelijk gemaakt. Het plan is op dit punt niet aangepast. Om inzichtelijk te maken wat de veranderingen voor [appellante A] en anderen zouden betekenen, zijn extra waarneempunten toegevoegd. De uitkomsten laten zien dat ook met al deze extra worst case toevoegingen ten opzichte van [appellante A] en anderen, maar ook op de overige waarneempunten, aan de (voorkeurs)grenswaarden van het Activiteitenbesluit wordt voldaan en dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de omgeving is gewaarborgd, aldus de raad.

10.3.    De Afdeling stelt voorop dat bij de beoordeling van de geluidbelasting dient te worden uitgegaan van hetgeen planologisch mogelijk is. Daarbij dient van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden te worden uitgegaan. Het uitgangspunt om dit alsnog in kaart te brengen in het addendum, ook al strekt dit verder dan herstel van het in de tussenuitspraak vastgesteld gebrek, acht de Afdeling niet onjuist. Er is aldus sprake van een meeromvattend herstelbesluit. Hierna zal zowel worden beoordeeld of het geconstateerde gebrek is hersteld en voorts wordt beoordeeld of de overige beroepsgronden tegen het addendum slagen.

10.4.    De raad heeft in het addendum de gevolgen voor de geluidbelasting van de bewegingen van de elektrische heftruck met achteruitrijdsignalering alsnog onderzocht. In zoverre is het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek hersteld. De gevolgen van de geluidbelasting van de heftruck zijn door de raad beoordeeld in samenhang met de andere geluidgevolgen van het plan. Die beoordeling komt hierna in 10.6 tot en met 10.8 aan de orde.

10.5.    Zoals [appellante A] en anderen hebben betoogd, ontbreekt in zowel het akoestisch onderzoek als het addendum de machinale houtbewerking. Van Schijndel Bouwbedrijf heeft toegelicht dat in de uitbreiding assemblage-, afmontagelijnen en opslag zijn voorzien en dat de houtbewerking, mede vanwege de daarvoor benodigde machines, in het oorspronkelijk gebouw blijft plaatsvinden. Op grond van het plan is machinale houtbewerking evenwel ook in de uitbreiding mogelijk. De raad heeft dit ook onderkend, maar heeft het standpunt ingenomen dat ook indien de machinale houtbewerking in de uitbreiding in aanmerking wordt genomen, hierdoor niet een relevante geluidstoename zal plaatsvinden. NIPA heeft dit standpunt alsnog onderzocht (nader rapport van 13 maart 2020) op grond waarvan is bevestigd dat er geen relevante toename van geluid zal plaatsvinden indien de machinale houtbewerking in de uitbreiding plaatsvindt. De Afdeling ziet gelet hierop geen reden om aan te nemen dat de gevolgen van het plan in zoverre niet goed zijn onderzocht.

10.6.    In reactie op het betoog over de vrachtwagenbewegingen aan de noordoostzijde van het terrein stelt de Afdeling vast dat de hoofdontsluiting van het terrein en de interne op het terrein aanwezige wegenstructuur niet wijzigt. Als gevolg van die ontsluiting en de inrichting van het terrein kan ervan worden uitgegaan dat onder normale bedrijfsomstandigheden het laden en lossen van prefab elementen aan de zuidzijde plaats vindt. Het laden van prefab elementen zal immers veelal met een kraan op een vrachtauto plaatsvinden. Dit is feitelijk alleen mogelijk aan de zuidzijde van de bedrijfshal, maar niet aan de noordzijde. Ook is van belang dat de hoofdontsluiting niet wijzigt waardoor geen directe toegang is voor vrachtwagens aan de noordoostzijde van het terrein. Gelet hierop mag er van worden uitgegaan dat in de representatieve bedrijfssituatie geen grote vrachtauto met zware prefab elementen van zuid naar noord en andersom rijden langs de oostelijke zijde van het terrein. Het verplaatsen van dit materiaal langs de oostelijke zijde van het terrein zal, zo is ter zitting toegelicht, gebeuren met een heftruck of kleine vrachtwagen. In het addendum zijn de gevolgen van het vervoer met vrachtwagen onderzocht. De raad en Van Schijndel Bouwgroep hebben hierover toegelicht dat in het akoestisch onderzoek was uitgegaan van vervoer met uitsluitend een heftruck, maar dat om de representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden te onderzoeken in het addendum ook is nagegaan wat de gevolgen zijn als dit vervoer door middel van een vrachtwagen plaatsvindt. Gelet hierop oordeelt de Afdeling dat de gevolgen van het plan ook in zoverre goed zijn onderzocht.

Nu de raad er van mocht uitgaan dat aan de noordzijde van het terrein geen prefab elementen zullen worden geladen en gelost, slaagt ook het betoog dat in verband met dat laden en lossen de overheaddeuren aan de noordzijde langere perioden per dag open zullen staan en dat de gevolgen voor de geluidbelasting daarvan onvoldoende zijn onderzocht, niet.

10.7    [appellante A] en anderen stellen voorts dat uit het addendum blijkt dat het verkeer zal toenemen. De Afdeling stelt vast dat de verkeersbewegingen waarin in het addendum wordt uitgegaan niet groter zijn dan de bewegingen die uitgangspunt waren voor het verkeersrapport dat ten grondslag lag aan het oorspronkelijke besluit. Dat aantal verkeersbewegingen is wel groter dan de verkeersbewegingen waarvan is uitgegaan in het akoestisch rapport van 23 november 2016, daarom is het onderzoek in het addendum aangevuld. De Afdeling heeft over het verkeer reeds geoordeeld in rechtsoverweging 9 van de tussenuitspraak. Er bestaat geen aanleiding daarop terug te komen. Nu in het addendum niet van hogere aantallen is uitgegaan dan waarvan bij het oorspronkelijke besluit is uitgegaan, kan de omvang van de verkeersbewegingen thans niet meer aan de orde worden gesteld. Ook het betoog over het aantal parkeerplaatsen slaagt niet. Het in het addendum genoemde aantal parkeerplaatsen is hoger dan het aantal dat in de plantoelichting was opgenomen als gevolg van de toe te passen parkeernormen.

10.8    Gelet op het voorgaande zijn de gevolgen voor de geluidbelasting van het plan op voldoende wijze onderzocht. In het aangevoerde ziet de Afdeling voorts geen aanleiding om de beoordeling van die gevolgen, op grond waarvan is vastgesteld dat ter plaatse van de woningen van appellanten aan de (voorkeurs)grenswaarden van het Activiteitenbesluit wordt voldaan en dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de omgeving is gewaarborgd, onredelijk te achten. Het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is ook voor de beoordeling van de gevolgen van de heftruck hersteld.

11.    Gelet op het voorgaande bestaat in hetgeen [appellante A] en anderen hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het herstelbesluit voor zover aangevochten niet zorgvuldig is voorbereid of deugdelijk is gemotiveerd. Het beroep van rechtswege van [appellante A] en anderen is ongegrond.

Proceskosten

12.    Van proceskosten van [appellante A] en anderen die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart de beroepen van [appellante A] en anderen tegen het besluit van de raad van de gemeente Oss van 14 december 2017 gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Oss van

14 december 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bredeweg 13 Geffen-2017";

III.    verklaart het beroep van [appellante A] en anderen tegen het besluit van 5 maart 2020 ongegrond;

IV.    gelast dat de raad van de gemeente Oss aan [appellante A] en anderen het door hen voor de behandeling van de beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro), met dien verstande dat betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. A. ten Veen, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te onderteken.

Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2020

224.