Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:3080

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-12-2020
Datum publicatie
23-12-2020
Zaaknummer
202001853/1/R4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2020:692, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juli 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Brummen aan Green Solar Future Brummen B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een zonnepark op percelen aan de Oude Zutphenseweg in Hall. De omgevingsvergunning heeft betrekking op de realisatie van een zonnepark met een oppervlakte van 36 hectare, waarvan 27 hectare aan zonnepanelen, op voornamelijk landbouwgrond aan weerszijden van de Oude Zutphenseweg in Hall. De maximale instandhoudingstermijn is 30 jaar. De hoogte van de zonnepanelen bedraagt maximaal 1,5 meter en rondom het terrein wordt beplanting aangelegd en een hekwerk geplaatst. Op de locatie waar het zonnepark is voorzien, geldt het bestemmingsplan "Buitengebied 2008". De locatie heeft daarin de bestemming "Agrarisch". Het project is in strijd met het bestemmingsplan. [appellant] en anderen wonen in de nabijheid van de locatie waarop het zonnepark is voorzien. Zij hebben bezwaren tegen het zonnepark.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202001853/1/R4.

Datum uitspraak: 23 december 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, wonend te Hall, gemeente Brummen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 februari 2020 in zaak nr. 19/4354 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Brummen.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2019 heeft het college aan Green Solar Future Brummen B.V. (hierna: GSFB) een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een zonnepark op percelen aan de Oude Zutphenseweg in Hall.

Bij uitspraak van 6 februari 2020 heeft de rechtbank het door een aantal eisers ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van de overige eisers ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college en GSFB hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en anderen, het college en GSFB hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 november 2020, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellant D], bijgestaan door F. Agteres, rechtsbijstandverlener, en het college, vertegenwoordigd door M. Harkema en M. ten Voorde, zijn verschenen. Ook is ter zitting GSFB, vertegenwoordigd door [gemachtigde E], bijgestaan door mr. B. de Haan, mr. T.A. Hubregtse, beiden advocaat te Arnhem, en [gemachtigde F], gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    De omgevingsvergunning heeft betrekking op de realisatie van een zonnepark met een oppervlakte van 36 hectare, waarvan 27 hectare aan zonnepanelen, op voornamelijk landbouwgrond aan weerszijden van de Oude Zutphenseweg in Hall. De maximale instandhoudingstermijn is 30 jaar. De hoogte van de zonnepanelen bedraagt maximaal 1,5 meter en rondom het terrein wordt beplanting aangelegd en een hekwerk geplaatst.

2.    Op de locatie waar het zonnepark is voorzien, geldt het bestemmingsplan "Buitengebied 2008". De locatie heeft daarin de bestemming "Agrarisch". Het project is in strijd met het bestemmingsplan. Om het project mogelijk te maken, heeft het college een omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).

    De Crisis en herstelwet (hierna: de Chw) is van toepassing, omdat het project ziet op de aanleg van een productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit door zonne-energie.

3.    [appellant] en anderen wonen in de nabijheid van de locatie waarop het zonnepark is voorzien. Zij hebben bezwaren tegen het zonnepark.

Belanghebbendheid en procesbelang

4.    Op de zitting van de Afdeling is met partijen gesproken over de door GSFB en het college opgeworpen vraag of allen die hoger beroep hebben ingesteld als belanghebbende kunnen worden aangemerkt en of zij allen procesbelang hebben. Met partijen is besproken dat indien de Afdeling van oordeel is dat één van de individuen belanghebbende is en procesbelang heeft, de Afdeling om praktische overwegingen niet hoeft in te gaan op de belanghebbendheid en het procesbelang van de overige instellers van het hoger beroep.

    [appellant] woont op minder dan 100 meter van de projectlocatie. Gelet op de afstand tot de projectlocatie en in aanmerking genomen dat [appellant] zicht zal hebben op het project, is de Afdeling van oordeel dat [appellant] belanghebbende is bij de verleende omgevingsvergunning. Ook heeft hij procesbelang.

    Er is geen aanleiding om in te gaan op de belanghebbendheid en het procesbelang van de overige instellers van het hoger beroep, gelet op de uitkomst van het ingestelde hoger beroep.

Procedure

5.    [appellant] en anderen betogen dat het college en de raad, gelet op de omvang van het project en de landschappelijke gevolgen ervan, hadden moeten kiezen voor het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan. Volgens [appellant] en anderen heeft de rechtbank niet onderkend dat er een verschil bestaat tussen het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan en het verlenen van een omgevingsvergunning. Daarover voeren zij in het bijzonder aan dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning doorgaans wordt volstaan met een "quickscan" en dat bij een bestemmingsplanprocedure uitgebreider onderzoek wordt gedaan naar onder meer de ecologische gevolgen van een project.

5.1.    Het college dient te beslissen op een aanvraag zoals die is ingediend. Als het voorgenomen project in strijd is met het bestemmingsplan, moet het college volgens artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo bezien of een omgevingsvergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12 van die wet. De vergunning wordt alleen geweigerd als vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo niet mogelijk is. Voor de toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚, van de Wabo geldt dat het project in overeenstemming moet zijn met een goede ruimtelijke ordening en dat de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

    De rechtbank heeft terecht overwogen dat een initiatiefnemer de keuze heeft om een aanvraag in te dienen voor een omgevingsvergunning of te vragen om herziening van het bestemmingsplan. Het college diende op de aanvraag te beslissen en dat heeft het gedaan. Dat een andere procedure had kunnen worden gevoerd indien GSFB een andere aanvraag had gedaan, is voor de beoordeling van het besluit van 3 juli 2019 niet relevant en kan niet leiden tot vernietiging daarvan. Er is geen verplichting voor de initiatiefnemer, het college of de raad om een bestemmingsplanprocedure te volgen. Daarnaast geldt op grond van artikel 5.20 van het Besluit omgevingsrecht zowel voor deze omgevingsvergunning als voor een bestemmingsplan het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening. Wat er ook zij van de stelling dat er doorgaans bij een bestemmingsplanprocedure méér onderzoeken worden gedaan, geldt voor beide procedures dat het project in overeenstemming moet zijn met een goede ruimtelijke ordening.

    Het betoog faalt.

De Omgevingsverordening Gelderland

6.    [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het project in strijd is met de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de omgevingsverordening). De rechtbank heeft volgens [appellant] en anderen niet onderkend dat de kernkwaliteiten die het landschap tot "Waardevol landschap" in de zin van de omgevingsverordening maken onmiskenbaar zullen worden aangetast, zeker na een periode van 30 jaar. Dit is zo omdat het hier expliciet gaat om de transformatie van een waardevol open landschap naar een grootschalige, industriële activiteit als die van een zonnepark met vele tienduizenden panelen.

6.1.    In de omgevingsverordening is het gebied aangemerkt als "Nationaal landschap buiten Gelders natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone en Nieuwe Hollandse Waterlinie". Het perceel valt onder het gebied "Veluwe" in het deelgebied "Zuidelijke IJsselvallei". In bijlage 6 "Kernkwaliteiten Nationale Landschappen" zijn de kernkwaliteiten weergegeven. Het gaat om een kleinschalig mozaïeklandschap met grote afwisseling van relatief open tot besloten landschap en hiermee samenhangend een grote afwisseling van talrijke landgoederen, grondgebonden landbouw (met name weidebouw), bos, en beken die van de flank afstromen. Voor het projectgebied zijn de beken relevant. Ook gaat het om blokverkaveling en grote afwisseling in perceelsvormen. Verder vormt het Apeldoorns kanaal een markant en cultuurhistorisch element in het landschap.

6.2.    Artikel 2.56 van de omgevingsverordening luidt:

"1. Een bestemmingsplan voor gronden binnen een Nationaal landschap maar buiten de Groene ontwikkelingszone, het Gelders natuurnetwerk en de Nieuwe Hollandse Waterlinie, maakt ten opzichte van het op 17 oktober 2014 geldende bestemmingsplan alleen bestemmingen mogelijk die de kernkwaliteiten van een Nationaal Landschap, bedoeld in bijlage 6 Kernkwaliteiten Nationale Landschappen, niet aantasten.

2. In afwijking van het eerste lid zijn activiteiten die deze kernkwaliteiten aantasten alleen mogelijk als:

a. er geen reële alternatieven zijn;

b. er sprake is van redenen van groot openbaar belang;

c. compenserende maatregelen plaatsvinden ter waarborging van de kernkwaliteiten van de Nationale Landschappen zoals vastgelegd in bijlage 6."

6.3.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het project de kernkwaliteiten van het gebied niet aantast en op onderdelen zelfs versterkt. Door de afstand en inrichting heeft het project geen invloed op het Apeldoorns Kanaal. De bestaande beken blijven behouden en een deel van het gebied wordt vernat ter versterking van het landschap. Hoewel het gebied niet is aangewezen als "waardevol open gebied", is het behouden van een redelijke mate van openheid als één van de belangrijkste uitgangspunten van het project genomen, omdat sprake is van relatief open landbouwgebied. Gelet daarop is de opstelling van de zonnepanelen aangepast en op een hoogte van 1,5 meter (zichthoogte) gebracht. Hierdoor blijven volgens het college de bestaande kavelstructuren met randbeplanting en het zicht zoveel mogelijk behouden. De panelen worden op enige afstand van de begaanbare randen (zandwegen, dijk, Langedijk) geplaatst en op 100 meter van woonbebouwing, waardoor de blokken met panelen overkomen als losse toevoegingen aan het landschap. Hierdoor komen de panelen volgens het college minder massaal over op de gebruikers van de wegen en blijven de randen in gebruik als cultuurgrond, waarbij indien de randen worden gebruikt als grasland deze worden ingezaaid met bloemrijke/kruidenrijke mengsels. Op de randen wordt kleinvee gehouden en voedsel verbouwd voor dit vee en verder is aandacht besteed aan gebiedseigen beplanting en zichtlijnen. Op enkele delen wordt de bestaande laanbeplanting hersteld en uitgebreid.

    De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] en anderen het standpunt van het college dat het project de kernkwaliteiten niet aantast, niet gemotiveerd hebben betwist en hebben volstaan met de niet nader onderbouwde stelling dat de kernkwaliteiten wel worden aangetast. De rechtbank heeft terecht overwogen dat dit onvoldoende is om de conclusie van het college opzij te zetten. De enkele stelling dat het realiseren van een project van deze omvang de kernkwaliteiten aantast, is daarvoor onvoldoende. In hetgeen [appellant] en anderen in hoger beroep hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de aangevallen uitspraak op dit punt voor vernietiging in aanmerking komt. Het toevoegen van een project met deze omvang tast de kernkwaliteiten niet zonder meer aan, gelet op hoogte van de zonnepanelen en de inrichting van het projectgebied.

    Het betoog faalt.

Aantasting flora en fauna

7.    [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de gevolgen van het zonnepark op flora en fauna onvoldoende zijn onderzocht. Daartoe voeren zij aan dat de door Econsultancy uitgevoerde "quickscan" niet in orde is, omdat onder meer de aanwezigheid van een dassenburcht niet bij het onderzoek is betrokken. Ook voeren zij aan dat uitvoering van het project negatieve gevolgen zal hebben voor de dassenpopulatie in het gebied. Het onderzoek van de Omgevingsdienst Veluwe IJssel (OVIJ) is volgens [appellant] en anderen ook onvoldoende, omdat OVIJ geen onafhankelijk adviesbureau is, maar een verlengstuk van het gemeentebestuur. Ook de OVIJ is onvoldoende ingegaan op de aanwezigheid van de dassenburcht.

7.1.    Econsultancy heeft een onderzoek gedaan met als doel in te schatten of er ter plaatse planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn die volgens de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb) een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden van de realisering van het project. Ook is beoordeeld of het project invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die volgens de Wnb zijn beschermd of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Het onderzoek heeft geleid tot het rapport "Quickscan flora en fauna Oude Zutphenseweg" van 15 maart 2018. De conclusie is dat het project voor de meeste soortgroepen geen verstoring oplevert. Waar het project mogelijk verstorend is, zijn de te nemen vervolgstappen beschreven. De conclusie is dat voor beschermde soorten geen overtredingen van de Wnb aan de orde zijn.

    OVIJ heeft nader onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van dassen in het plangebied. Het onderzoek heeft geleid tot het rapport "Aanwezigheid dassenburcht nabij zonnepark Oude Zutphenseweg te Hall" van 26 juni 2019. De conclusie van OVIJ is dat er meerdere dassenburchten in het gebied aanwezig zijn. De dichtstbijzijnde dassenburcht ligt op 140 meter van het projectgebied. Volgens OVIJ maakt het projectgebied onderdeel uit van het foerageergebied van de dassen. OVIJ concludeert dat de voorziene inrichting van een deel van het projectgebied met een bloemrijke kruidenzone en natte zone en randen waarop vruchtdragende struiken/bomen worden geplant, een verbeterde foerageersituatie oplevert ten opzichte van de huidige inrichting. Het omheinende hekwerk wordt voorzien van door de das passeerbare openingen waardoor het terrein bereikbaar blijft. Maximaal om de 1,5 meter wordt een faunapassage in het hekwerk opgenomen. Bij de opstelling van de panelen wordt verwacht dat er een grazige vegetatie zal blijven bestaan onder de panelen. De conclusie van OVIJ is dat het terrein in voldoende mate ontsloten blijft voor dassen, er plaatselijk een substantiële verbetering plaatsvindt, en dat voor het resterende terrein grotendeels grazige vegetatie in stand wordt gehouden, waardoor de functie van foerageerterrein voor de dassen voldoende gewaarborgd blijft. Volgens OVIJ worden de omringende burchten als vaste verblijfplaats niet in hun bestaan bedreigd en blijft ook de gunstige staat van instandhouding van de das geborgd.

7.2.    De rechtbank heeft overwogen dat de handelwijze van het college haar niet onredelijk voorkomt. Het is onnodig om uitgebreid ecologisch onderzoek in het veld te verrichten als op voorhand voldoende vaststaat dat in het plangebied geen beschermde soorten worden aangetast. Wat betreft de aanwezigheid van de das heeft het college bovendien nader onderzoek laten doen. Dit onderzoek heeft geleid tot aanpassingen aan het plan waardoor het gebied voor de das toegankelijk blijft.

7.3.    Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat een partij over het advies heeft aangevoerd.

7.4.    Over het onderzoek van Econsultancy hebben [appellant] en anderen aangevoerd dat de aanwezigheid van dassen ten onrechte niet is onderkend. Die kritiek is terecht, maar maakt niet dat het onderzoek voor het overige alleen al daarom niet betrouwbaar is. De enkele stelling dat een "quickscan" te beperkt is, is daarvoor onvoldoende. Het college heeft wat betreft de aanwezigheid van dassen in het gebied nader onderzoek door OVIJ laten doen. In hetgeen [appellant] en anderen over dat onderzoek hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat op dit punt onvoldoende onderzoek is gedaan of dat het college zijn besluitvorming niet op de conclusie van OVIJ heeft kunnen baseren. [appellant] en anderen hebben daarover niet meer aangevoerd dan dat het college OVIJ niet had mogen inschakelen omdat zij niet onafhankelijk zou zijn. OVIJ is ingesteld door de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst en gedeputeerde staten van de provincie Gelderland op basis van artikel 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Dat maakt OVIJ geen onderdeel van de gemeente of anderszins niet onafhankelijk, nog daargelaten dat het college niet verplicht is om advies in te winnen van een onafhankelijke deskundige. Voorop staat dat het college advies inwint bij een ter zake deskundige partij. Er is geen grond voor het oordeel dat OVIJ ter zake niet deskundig is.

    Concluderend ziet de Afdeling in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet zou hebben onderkend dat de gevolgen van het zonnepark op flora en fauna onvoldoende zijn onderzocht.

    Het betoog faalt.

Aantasting biodiversiteit en bodemkwaliteit

8.    [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de gevolgen van het zonnepark voor de biodiversiteit en bodemkwaliteit onvoldoende zijn onderzocht. [appellant] en anderen stellen dat uit door hen overgelegde gegevens blijkt dat dit zonnepark met zijn paneelopstelling 72,5% van de ondergrond bedekt. In de aanbevelingen in het rapport "Literatuurstudie en formulering richtlijnen voor een ecologische inrichting van zonneparken in de provincies Groningen en Noord-Holland" van R. Klaassen en A. Schotman en anderen van 14 november 2018 staat bij het onderwerp "Houd voldoende ruimte tussen rijen panelen" het volgende advies te lezen: "NABU (2010) adviseert om slechts 50% oppervlakte te benutten". Van een positief effect op de bodemgesteldheid is volgens hen dan ook niet gebleken.

8.1.    De rechtbank heeft overwogen dat in het rapport waarnaar [appellant] en anderen verwijzen, niet staat dat zonneparken voor de biodiversiteit en bodemkwaliteit altijd een negatief effect op het milieu hebben. Dit hangt onder meer af van de inrichting van het zonnepark en hoe ver de zonnepanelen uit elkaar worden geplaatst. Volgens het rapport kan onder omstandigheden een juiste ecologische inrichting van een zonnepark juist een positief effect hebben op de biodiversiteit. Uit de inrichtingstekening en de landschappelijke inpassing volgt dat de vier delen van het zonnepark zullen worden omgeven door kruidenrijk grasland. Ook de grond onder de zonnepanelen wordt ingezaaid met een kruidenrijk grasmengsel en op het perceel komt een bijenhotel. De zonnepanelen worden daarnaast uit elkaar geplaatst, zodat er ruimte is voor water en zonlicht om de bodem te bereiken. De rechtbank is van oordeel dat het college zich, gelet op deze maatregelen, op het standpunt heeft kunnen stellen dat het zonnepark niet leidt tot een onevenredige aantasting van de biodiversiteit en bodemkwaliteit. Het college heeft er in dat verband ook op gewezen dat het perceel voorheen in gebruik was als agrarische grond, waarop intensief agrarisch gebruik mogelijk was, zodat op dit punt geen sprake is van een achteruitgang. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank daarom in redelijkheid kunnen afzien van het doen van nader onderzoek. De Afdeling ziet geen grond voor een ander oordeel. Over de stelling van [appellant] en anderen dat het zonnepark met haar paneelopstelling 72,5% van de ondergrond bedekt, stelt GSFB zich gemotiveerd op het standpunt dat de opstelling van de zonnepanelen ertoe leidt dat ongeveer 57% van het totaaloppervlak zal worden bedekt met panelen. Het gaat om 106.190 panelen op een grondprojectie van 209.549 m² en een bruto grondoppervlak van 365.000 m². In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het zonnepark niet leidt tot een onevenredige aantasting van de biodiversiteit en bodemkwaliteit.

    Het betoog faalt.

Draagvlak, participatie, belangenafweging en zorgvuldigheid

9.    De rechtbank heeft volgens [appellant] en anderen ten onrechte vooropgesteld dat er geen wettelijk voorschrift bestaat dat een project alleen kan worden vergund als daarvoor draagvlak bestaat. De gemeente heeft namelijk in al haar beleidsdocumenten expliciet kenbaar gemaakt dat draagvlak onder de inwoners van Brummen noodzakelijk is voor het slagen van een project als hier aan de orde. In dit verband wijzen zij op de concept startnotitie Regionale Energie Strategie (hierna: RES) waarin de raad op 18 april 2019 heeft verklaard dat draagvlak van de bewoners in het buitengebied het meest noodzakelijk is voor een maatschappelijk aanvaardbare en verantwoorde uitvoering van de RES. De rechtbank is volgens [appellant] en anderen ten onrechte niet ingegaan op de stelling dat de gemeente ten onrechte voorbij is gegaan dan wel onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het standpunt van de coöperatie BrummenEnergie dat het te realiseren zonnepark een sociaal en maatschappelijk draagvlak ontbeert.

    Daarnaast betogen [appellant] en anderen dat de gemeente Brummen tot op heden heeft nagelaten een beleidsvisie met betrekking tot zonneparken op te stellen, ondanks de herhaalde verzoeken daartoe. De rechtbank heeft hiermee bij haar uitspraak onvoldoende rekening gehouden.

    Ook is de rechtbank volgens [appellant] en anderen niet ingegaan op de stelling dat geen sprake is geweest van een zorgvuldig proces.

9.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat in de wet niet is vastgelegd dat voor een project alleen een omgevingsvergunning kan worden verleend als daarvoor draagvlak bestaat. De rechtbank heeft ook terecht overwogen dat een dergelijke voorwaarde niet volgt uit het "Koersdocument Duurzame Energie 2016-2018, Beleidsvisie Duurzame Energie gemeente Brummen" of de RES. In het "Koersdocument" is slechts opgenomen dat een gebrek aan draagvlak een mogelijk argument kan zijn om niet aan een project voor duurzame energie mee te werken. Voor zover [appellant] en anderen wijzen op een passage in de RES over draagvlak, heeft GSFB erop gewezen dat zij naar een versie verwijzen die al was verouderd op het moment van de besluitvorming en dat de bewuste passage in de relevante versie niet langer is opgenomen.

    De rechtbank heeft overwogen dat in bredere zin wel draagvlak voor het project bestaat, omdat de raad bij het besluit van 20 juni 2019 een verklaring van geen bedenkingen heeft gegeven. Voor zover [appellant] en anderen in dat verband stellen dat ten onrechte geen plan is ontwikkeld voor daadwerkelijke participatie en dat het college dit proces ten onrechte niet heeft begeleid, overweegt de Afdeling dat een motie van die strekking niet door de gemeenteraad is aangenomen. De rechtbank heeft verder overwogen dat uit het participatieverslag blijkt dat omwonenden in ruime mate zijn betrokken bij het project en dat het project naar aanleiding daarvan is aangepast, onder meer door het plaatsen van lagere zonnepanelen. De omstandigheid dat BrummenEnergie heeft afgezien van deelname aan dit project, betekent niet dat de raad en het college geen medewerking aan het project mochten verlenen.

9.2.    De rechtbank heeft overwogen dat onder meer in de Wabo, het Besluit omgevingsrecht en het Besluit ruimtelijke ordening regels zijn gesteld over de totstandkoming en over de inhoud van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3°, van de Wabo. Daarbij is niet voorgeschreven dat een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan pas mag worden verleend na het vaststellen van een integrale gemeentelijke beleidsvisie. Een voorafgaande gemeentelijke beleidsvisie is ook niet noodzakelijk in gevallen waarin het, zoals hier, gaat om een omgevingsvergunning die de aanleg van een zonnepark planologisch mogelijk maakt. Er is dus geen grond voor het oordeel dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met het ontbreken van een beleidsvisie.

9.3.    Bij zijn besluitvorming over de aanvraag van GSFB heeft het college beleidsruimte. Indien het college van mening is dat het bouwplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, kan het er voor kiezen om zijn bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan al dan niet te gebruiken. In dat geval toetst de rechter of het college bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. De Afdeling ziet in wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid medewerking aan het project heeft kunnen verlenen of de vereiste zorgvuldigheid niet acht heeft genomen.

    Het betoogt faalt.

Milieueffectrapportage

10.    [appellant] en anderen hebben na de termijn voor het indienen van hoger beroep en eerst in hoger beroep betoogd dat voor het project ten onrechte geen milieueffectrapportage is gemaakt. Het na afloop van de beroepstermijn aanvoeren van nieuwe (hoger)beroepsgronden is, gelet op het bepaalde in artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet, niet toegestaan. Het gaat hier niet om het aanvullen van tijdig aangevoerde gronden. De Afdeling laat deze beroepsgrond daarom buiten beschouwing.

Slot en conclusie

11.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. H.C.P. Venema, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. W. den Ouden, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2020

672.