Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:3066

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-12-2020
Datum publicatie
23-12-2020
Zaaknummer
201909385/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2019:10610, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 januari 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schagen een aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen. In geschil is of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] gestelde planschade voor zijn rekening blijft op de grond dat hij het risico dat de mogelijkheden van het oude planologische regime zouden kunnen vervallen heeft aanvaard door deze mogelijkheden niet tijdig te benutten. [appellant] is eigenaar van het perceel aan de [locatie] te Schagerbrug. Op 13 februari 2017 heeft hij het college verzocht om een tegemoetkoming in de planschade die hij heeft geleden door de inwerkingtreding van het bij raadsbesluit van 29 mei 2012 vastgestelde bestemmingsplan Dorpen langs de Groote Sloot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2021/8463 met annotatie van M.G.O. De lange
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201909385/1/A2.

Datum uitspraak: 23 december 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Schagerbrug, gemeente Schagen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 20 november 2019 in zaak nr. 18/3422 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Schagen.

Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2018 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 2 juli 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 november 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2020, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door J.H. Moraal, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    In geschil is of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] gestelde planschade voor zijn rekening blijft op de grond dat hij het risico dat de mogelijkheden van het oude planologische regime zouden kunnen vervallen heeft aanvaard door deze mogelijkheden niet tijdig te benutten.

    achtergrond

2.    [appellant] is eigenaar van het perceel aan de [locatie] te Schagerbrug (hierna: het perceel). Op 13 februari 2017 heeft hij het college verzocht om een tegemoetkoming in de planschade die hij heeft geleden door de inwerkingtreding van het bij raadsbesluit van 29 mei 2012 vastgestelde bestemmingsplan Dorpen langs de Groote Sloot (hierna: het nieuwe bestemmingsplan). Aan deze aanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat de onder het bestemmingsplan Buitengebied 1989 (hierna: het oude bestemmingplan) bestaande bebouwingsmogelijkheden van het perceel in het nieuwe bestemmingsplan zijn vervallen of beperkt en dat dit tot een waardevermindering van het perceel heeft geleid.

    standpunt van het college

3.    Het college heeft voor het op de aanvraag van [appellant] te nemen besluit advies gevraagd aan adviesbureau Langhout & Wiarda (hierna: Langhout).

    In een advies van 18 november 2017 heeft Langhout een vergelijking gemaakt tussen de planologische mogelijkheden van het perceel onder het oude en het nieuwe bestemmingsplan. Uit de vergelijking is de conclusie getrokken dat de planologische verandering tot een beperking van de bebouwingsmogelijkheden van het perceel heeft geleid. Indien [appellant] daardoor planschade in de vorm van een waardevermindering van het perceel heeft geleden, bestaat echter, gelet op het volgende, geen aanleiding voor het toekennen van een tegemoetkoming in die schade.

    De beperking van de bebouwingsmogelijkheden van het perceel was vanaf de terinzagelegging van het voorontwerp van het nieuwe bestemmingsplan op 10 maart 2011 voorzienbaar. Uit de zakelijke inhoud van de kennisgeving van het voorontwerp in een door de gemeente verspreide folder had [appellant] kunnen begrijpen dat het voorontwerp ook voor het perceel betekenis heeft. Dat het perceel in het buitengebied is gelegen, terwijl in de folder is verwezen naar een voorontwerp voor de dorpskernen Oudesluis, Schagerbrug, Sint Maartensbrug, Sint Maartensvlotbrug en Burger(vlot)brug, doet daaraan niet af, omdat in de folder is vermeld dat het voorontwerp betrekking heeft op het bestaande dorpsgebied van de dorpen.

    In de periode tot de terinzagelegging van het voorontwerp van het nieuwe bestemmingsplan op 3 november 2011 was er geen juridisch beletsel om de onder het oude bestemmingsplan bestaande bebouwingsmogelijkheden te benutten. [appellant] had in die periode van bijna acht maanden een aanvraag om omgevingsvergunning kunnen indienen. Die periode was daarvoor, bezien vanuit de positie van een redelijk denkend en handelend eigenaar van het perceel, niet te kort. Omdat [appellant] het risico van de beperking van de bebouwingsmogelijkheden van het perceel passief heeft aanvaard, komen de gevolgen daarvan volledig voor zijn rekening, aldus Langhout.

4.    Het college heeft het advies van Langhout aan het besluit van 22 januari 2018 ten grondslag gelegd en dat besluit in bezwaar gehandhaafd.

    oordeel van de rechtbank

5.    De rechtbank heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant], die in de periode tussen 10 maart 2011 en 3 november 2011 geen concrete poging heeft gedaan om de destijds  bestaande bebouwingsmogelijkheden van het perceel te realiseren, het risico van de beperkingen van die bebouwingsmogelijkheden passief heeft aanvaard.

    hoger beroep

6.    De Afdeling zal hierna ingaan op de door [appellant] in hoger beroep aangevoerde gronden. Zij zal afsluiten met een conclusie.

    indirecte planschade

7.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij schade lijdt door de wijziging van de bebouwingsmogelijkheden van het perceel van zijn buurman.

7.1.    In het planschaderecht wordt onderscheid gemaakt tussen directe planschade, waarbij de gestelde schade door een planologische wijziging op gronden van de aanvrager om een tegemoetkoming is veroorzaakt, en indirecte planschade, waarbij de gestelde schade door een planologische wijziging op gronden van derden is veroorzaakt.

7.2.    In het door [appellant] gebruikte aanvraagformulier wordt de vraag gesteld waarom de aanvrager vindt dat hij recht heeft op een tegemoetkoming in planschade. [appellant] heeft daarop als antwoord gegeven: het vervallen of beperken van eigen bouwmogelijkheden. In dit formulier en de bijbehorende motivering heeft hij geen melding gemaakt van schadeveroorzakende planologische ontwikkelingen op gronden van derden. In zijn reactie van 6 november 2017 op het conceptadvies van Langhout van 10 oktober 2017 heeft hij dat alsnog gedaan. In het advies van 18 november 2017 heeft Langhout vermeld dat hij dit deel van de reactie niet kan plaatsen in relatie tot de aanvraag. In het advies is verder geen rekening gehouden met de gestelde indirecte planschade.

    [appellant] heeft in beroep niet aangevoerd dat het college het advies op dit onderdeel ten onrechte aan de besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. Omdat hij dat niet heeft gedaan en niet valt in te zien dat hij daartoe redelijkerwijs niet in staat was, wordt het betoog over de gestelde indirecte planschade buiten beschouwing gelaten.

     Het betoog faalt.

    kruimelgevallenregeling

8.    [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij schade lijdt door de weigering van het college om een aanvraag om toepassing van de zogenoemde kruimelregeling in behandeling te nemen.

8.1.    In het door [appellant] gebruikte aanvraagformulier is vermeld dat hij de aanvraag heeft ingediend naar aanleiding van een bepaling van een bestemmingsplan, beheersverordening of inpassingsplan, niet zijnde een bepaling als bedoeld in artikel 3.3, artikel 3.6, eerste lid, of artikel 3.38, derde of vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro). Dit is een oorzaak van schade als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro. In dat aanvraagformulier is niet gesteld dat [appellant] ook schade heeft geleden als gevolg van de onjuiste uitleg of toepassing die het college in de nieuwe situatie aan de zogenoemde  kruimelregeling heeft gegeven. Daar komt bij dat dit geen in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro vermelde oorzaak is. Dat betekent dat tegemoetkoming in daardoor veroorzaakte schade niet mogelijk is op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wro.

    Het betoog faalt.

    passieve risicoaanvaarding en kennisgeving beleidsvoornemen

9.    [appellant] betoogt verder dat hij, als redelijk denkend en handelend eigenaar van het perceel, uit de aankondiging van de terinzagelegging van het voorontwerp van het nieuwe bestemmingsplan niet heeft kunnen begrijpen dat dit voorontwerp ook op het perceel betrekking had. In de folder, waarmee deze aankondiging is gedaan, is vermeld dat het voorontwerp voor de dorpskernen Oudesluis, Schagerbrug, Sint Maartensbrug, Sint Maartensvlotbrug en Burger(vlot)brug klaar is. Op grond van de verwijzing naar de dorpskernen lag het niet voor de hand dat het buitengebied onder het plangebied van het voorontwerp zou vallen. Omdat dat plangebied in de folder was beperkt tot de dorpskernen, was een verslechtering van de bebouwingsmogelijkheden van het perceel niet voorzienbaar, aldus [appellant].

9.1.    Voor de beantwoording van de vraag of de aanvrager het risico dat de onder het oude planologische regime bestaande bouw- of gebruiksmogelijkheden op diens perceel zouden vervallen passief heeft aanvaard, is van belang of de voortekenen van de nadelige planologische wijziging reeds enige tijd zichtbaar waren.

    Voor de bevestigende beantwoording van de vraag of de aanvrager het risico dat de onder het oude planologische regime bestaande bouw- of gebruiksmogelijkheden van zijn onroerende zaak zouden vervallen passief heeft aanvaard, is voldoende dat, bezien vanuit de positie van een redelijk denkende en handelende eigenaar, aanleiding bestond rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse zou gaan veranderen in een voor hem ongunstige zin. Daarbij dient rekening te worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft.

    Vergelijk de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2582) onder 5.32 en 5.33.

9.2.    Niet in geschil is dat het voorontwerp van het nieuwe bestemmingsplan een concreet beleidsvoornemen in de hiervoor bedoelde zin inhoudt en dat dit voorontwerp voldoende is om voorzienbaarheid tegen te werpen.  Evenmin is in geschil dat het voorontwerp vanaf 10 maart 2011 ter inzage is gelegd en dat het college voorafgaand daaraan folders heeft verspreid om het voorontwerp van het nieuwe bestemmingsplan onder de aandacht te brengen. In geschil is of in dit geval de inhoud van de folder voldoende is om voorzienbaarheid te kunnen tegenwerpen. Daarbij is het in dit geval in het bijzonder de vraag, of bezien vanuit de positie van een redelijk denkend en handelend eigenaar, op basis van deze openbaarmaking aanleiding bestond om er rekening mee te houden dat het voorontwerp mede betrekking heeft op het gebied waarin het perceel is gelegen en dat daarom van [appellant] mocht worden verwacht dat hij het voorontwerp zou raadplegen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3966).

9.3.    Dat in de folder het woord dorpskernen is vermeld, betekent niet dat [appellant], als redelijk denkend en handelend eigenaar van het perceel, in de gegeven omstandigheden zonder meer mocht aannemen dat het voorontwerp voor hem niet van belang zou zijn. In de folder, die ook is verspreid in het gebied waarin het perceel is gelegen, is immers tevens vermeld dat het voorontwerp betrekking heeft op het bestaande dorpsgebied van de in deze folder genoemde dorpen, die deel uitmaken van de gemeente Schagen, waaronder het dorp Schagerbrug. Naar het oordeel van de Afdeling zou een redelijk denkend en handelend eigenaar van het perceel rekening houden met de mogelijkheid dat met het in de folder aangeduide bestaand dorpsgebied van Schagerbrug ook het bedrijventerrein De Trambaan, waarbinnen het perceel van [appellant] is gelegen, zou zijn bedoeld. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat dit bedrijventerrein een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing en gronden ten behoeve van bedrijvigheid met bijbehorende bedrijfswoningen is en dat het is gesitueerd in aansluiting op, althans op betrekkelijk korte afstand van, het woongebied van het dorp Schagerbrug. Onder deze omstandigheden zou een redelijk denkend en handelend eigenaar niet zonder meer aannemen dat het industrieterrein De Trambaan buiten het plangebied van het voorontwerp van een bestemmingsplan voor het dorpsgebied van Schagerbrug valt. Die eigenaar zou daar, na lezing van het bericht in de folder, onderzoek naar doen en, na de terinzagelegging van het voorontwerp, kennis hebben kunnen nemen van het beleidsvoornemen met betrekking tot het in het buitengebied gelegen perceel. Voor zover [appellant] dat niet heeft gedaan, komen de gevolgen daarvan voor zijn rekening.

    Het betoog faalt.

    recht op het ongestoord genot van eigendom

10.    [appellant] betoogt voorts dat het nieuwe bestemmingsplan, voor zover daarbij de onder het oude bestemmingplan bestaande bebouwingsmogelijkheden van het perceel zijn komen te vervallen, gelijk is te stellen met een onteigening, zonder dat daarvoor schadeloosstelling wordt toegekend. Volgens [appellant] is de afwijzing van de aanvraag om een tegemoetkoming in de schade in strijd met artikel 14 van de Grondwet.

10.1.    De inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan heeft niet geleid tot onteigening van het perceel, maar tot een beperking in de uitoefening van het eigendomsrecht, als bedoeld in artikel 14, derde lid, van de Grondwet, waarvoor in de bij of krachtens de wet bepaalde gevallen recht op tegemoetkoming in de schade bestaat. De hier bedoelde wet is de Wro. Uit artikel 6.3, aanhef en onder a, van de Wro, gelezen in samenhang met de jurisprudentie van de Afdeling over die bepaling, volgt dat [appellant] geen aanspraak op tegemoetkoming in de schade heeft, omdat hij het risico van de beperking van de bebouwingsmogelijkheden van het perceel passief heeft aanvaard, zodat de gevolgen daarvan voor zijn rekening komen. Het in bezwaar gehandhaafde besluit van 22 januari 2018 is dus niet in strijd met artikel 14 van de Grondwet genomen.

    Het betoog faalt.

    conclusie

11.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

    proceskosten

12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2020

452.