Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:3028

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-12-2020
Datum publicatie
23-12-2020
Zaaknummer
202005346/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 september 2020 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202005346/1/V3.

Datum uitspraak: 21 december 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 28 september 2020 in zaak nr. NL20.17084 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2020 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij uitspraak van 28 september 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.P. van Mulken, advocaat te Maastricht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1.    In zijn enige grief klaagt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank ten onrechte aan de hand van de uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2278, heeft geoordeeld dat de geldigheid van de elektronische handtekening niet gevalideerd kon worden. In die zaak ging het om elektronische ondertekening door de Koninklijke Marechaussee, terwijl het hier gaat om elektronische ondertekening door de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (hierna: AVIM), die de Afdeling heeft beoordeeld in de uitspraak van 8 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3355.

1.1.    Uit de laatstgenoemde uitspraak volgt dat het digitale systeem van de politie, waarvan de AVIM gebruik maakt, het elektronisch ondertekenen van een maatregel mogelijk maakt waarbij met een zogenoemd associatierecord de inhoudelijke informatie en de elektronische handtekening van de maatregel onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Daarmee is gewaarborgd dat de maatregel na elektronische ondertekening niet ongemerkt kan worden gewijzigd. Alleen daartoe bevoegde medewerkers hebben toegang tot het onderdeel van het systeem dat uiteindelijk de zin 'Dit document is elektronisch ondertekend' in het digitale document van de maatregel produceert. Wanneer met gebruik van een gangbare PDF-viewer op die zin geklikt wordt, verschijnen de gegevens van de elektronische handtekening: de datum en het tijdstip van ondertekening, de naam van de ondertekenaar en de vermelding dat de handtekening geldig is en dat het document na ondertekening niet gewijzigd is. De enkele omstandigheid dat de rechtbank niet kon klikken op de genoemde zin, maakt niet dat de geldigheid van de elektronische handtekening niet gevalideerd kan worden. Uit de uitspraak van 8 oktober 2019 volgt immers dat validatie van de elektronische ondertekening in alle gevallen kan plaatsvinden door tussenkomst van een medewerker van de AVIM. De rechtbank had de staatssecretaris dit kunnen vragen, waardoor de handtekening alsnog gevalideerd kon worden.

2.    In deze zaak heeft de staatssecretaris de rechtbank erop gewezen dat naast validatie met gebruik van de PDF-viewer en validatie door tussenkomst van een medewerker van de AVIM, de geldigheid van een elektronische handtekening ook gevalideerd kan worden via de website van de Justitiële Informatiedienst, die beschikt over de genoemde associatierecords. De staatssecretaris heeft die validatie zelf verricht en uit het aan de rechtbank overgelegde rapport daarvan volgt dat de maatregel niet is aangepast nadat deze is uitgegeven.

3.    Gezien het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de maatregel niet rechtsgeldig is ondertekend. De grief slaagt.

4.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.

5.    De eerste beroepsgrond, waarin de vreemdeling heeft aangevoerd dat de staatssecretaris ten onrechte niet heeft toegelicht waarom de ophouding krachtens artikel 50a van de Vw 2000 noodzakelijk was alsmede dat de ophouding langer heeft geduurd dan is toegestaan krachtens artikel 50a, eerste lid, van de Vw 2000, faalt. De staatssecretaris heeft er terecht op gewezen dat uit het proces-verbaal blijkt dat de ophouding noodzakelijk was ter voorbereiding van het besluit over inbewaringstelling. De medewerker van de AVIM heeft bijvoorbeeld de kleding, het lichaam en de spullen van de vreemdeling onderzocht en heeft gezichtsopnamen en vingerafdrukken genomen. De vreemdeling neemt voorts ten onrechte aan dat de ophouding op 16 september is beëindigd. Deze opmerking in het proces-verbaal is een kennelijke schrijffout. Niet in geschil is dat de maatregel van bewaring op 15 september 2020 is opgelegd.

6.    De tweede beroepsgrond, waarin de vreemdeling heeft aangevoerd dat de staatssecretaris ten onrechte de zware gronden, bedoeld in artikel 5.1b, derde lid, aanhef en onder a, k en m en de lichte gronden, bedoeld in artikel 5.1b, vierde lid, aanhef en onder c, d en e van het Vb 2000 aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd, faalt ook. De vreemdeling voert aan dat uit de gronden 3k en 3m geen significant risico op onttrekking aan het toezicht volgt. Daarmee heeft de vreemdeling echter de feitelijke juistheid van de zware gronden 3k en 3m niet bestreden en deze gronden kunnen de maatregel in beginsel dragen. Wat hij heeft aangevoerd over de andere gronden hoeft daarom niet besproken te worden.

7.    Ook de derde beroepsgrond, waarin de vreemdeling heeft aangevoerd dat de gronden de maatregel in zijn geval niet kunnen dragen, faalt. Hij wijst er onder andere op dat hij steeds in het asielzoekerscentrum heeft verbleven en dat hij zich dus niet aan toezicht heeft onttrokken, dat hij heeft te kennen gegeven mee te willen werken aan de overdracht wanneer dat echt moest en dat hij in paniek raakte in de aanloop naar de geplande overdracht op 15 september 2020, maar deze omstandigheden geven geen aanleiding om te oordelen dat de gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. De staatssecretaris heeft bij het opleggen van de maatregel terecht meegewogen dat de vreemdeling zich agressief gedroeg op de dag van de geplande overdracht waardoor deze niet door kon gaan alsmede dat hij tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard niet mee te willen werken aan de overdracht.

8.    De vierde beroepsgrond, waarin de vreemdeling onder verwijzing naar het arrest van het Hof van 5 juni 2014, Mahdi, ECLI:EU:C:2014:1320, heeft aangevoerd dat de staatssecretaris bij de beoordeling van de toepassing van een lichter middel ten onrechte heeft volstaan met een algemene motivering, faalt ten slotte eveneens. Blijkens het proces-verbaal van het gehoor voor inbewaringstelling heeft de vreemdeling voldoende gelegenheid gehad om zijn persoonlijke belangen naar voren te brengen, te weten dat hij medicijnen gebruikt om naar het toilet te gaan en dat hij een relatie heeft met een in Frankrijk verblijvende vrouw. De staatssecretaris heeft kenbaar gemotiveerd waarom hij hierin geen aanleiding heeft gezien om te volstaan met toepassing van een minder dwingende maatregel. Dat hij daarbij niet uitdrukkelijk op de gestelde relatie is ingegaan leidt niet tot een motiveringsgebrek, aangezien de vreemdeling niet nader heeft verklaard waarom die relatie aan de maatregel in de weg zou moeten staan. De staatssecretaris heeft daarbij terecht doorslaggevend gewicht toegekend aan de omstandigheid dat de vreemdeling de op 15 september 2020 geplande overdracht heeft gefrustreerd en de uiterste overdrachtsdatum op 23 september 2020 in het gedrang kwam. De staatssecretaris heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat de gezondheidsproblemen de maatregel niet onevenredig bezwarend maken, omdat de benodigde medische zorg in het detentiecentrum verleend kan worden.

9.    Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 28 september 2020 in zaak nr. NL20.17084;

III.    verklaart het beroep ongegrond;

IV.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Verweij, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

w.g. Verweij

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 december 2020

47-962.