Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:3014

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2020
Datum publicatie
16-12-2020
Zaaknummer
201903864/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:852 heeft de Afdeling de raad van de gemeente Helmond opgedragen om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 5 februari 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Brandevoort II-herz. Hazenwinkel-Liverdonk" te herstellen. Over het beroep van [appellante sub 2] en anderen heeft de Afdeling in 6.4 en 6.5 van de tussenuitspraak geoordeeld dat het besluit van 5 februari 2019 voor wat betreft een deel van de op de verbeelding geprojecteerde geurcontour en artikel 3, lid 3.5.1, onder c, van de planregels niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. De Afdeling heeft hierover overwogen dat op de verbeelding een onjuiste geurcontour is geprojecteerd rond de gronden van de varkenshouderij van [appellante sub 2] en anderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201903864/2/R2.

Datum uitspraak: 16 december 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Geldrop-Mierlo, gemeente Helmond,

2.    [appellante sub 2] en anderen, gevestigd te Geldrop-Mierlo,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Helmond,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:852, (hierna: de tussenuitspraak) heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 5 februari 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Brandevoort II-herz. Hazenwinkel-Liverdonk" te herstellen. De tussenuitspraak is aangehecht.

Ter uitvoering van de in de tussenuitspraak gegeven opdracht heeft de raad bij besluit van 30 juni 2020 het bestemmingsplan "Brandevoort II-herz. Hazenwinkel-Liverdonk" gewijzigd vastgesteld.

[appellant sub 1] en [appellante sub 2] en anderen zijn in de gelegenheid gesteld hun zienswijze naar voren te brengen over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld.

[appellant sub 1] en [appellante sub 2] en anderen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Het beroep van [appellante sub 2] en anderen

1.    Over het beroep van [appellante sub 2] en anderen heeft de Afdeling in 6.4 en 6.5 van de tussenuitspraak geoordeeld dat het besluit van 5 februari 2019 voor wat betreft een deel van de op de verbeelding geprojecteerde geurcontour en artikel 3, lid 3.5.1, onder c, van de planregels niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. De Afdeling heeft hierover overwogen dat op de verbeelding een onjuiste geurcontour is geprojecteerd rond de gronden van de varkenshouderij van [appellante sub 2] en anderen. Wat betreft artikel 3, lid 3.5.1, onder c, van de planregels heeft de Afdeling overwogen dat het strijdig gebruik binnen de milieuzone-geurzone te beperkt is gedefinieerd omdat het uitsluitend ziet op het gebruik van bouwwerken voor permanente en tijdelijke bewoning. Daarbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat, gelet op de definitie van geurgevoelig object in de Wet geurhinder veehouderij (hierna: Wgv), niet uitsluitend gebouwen die permanent of tijdelijk worden bewoond als geurgevoelig object dienen te worden aangemerkt, maar ook gebouwen die blijkens aard, indeling en inrichting geschikt zijn om te worden gebruikt voor menselijk verblijf en die daarvoor permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt. Dat is dus ruimer dan alleen "woningen". Voorts heeft de Afdeling over het beroep van [appellante sub 2] en anderen in 6.6 van de tussenuitspraak geoordeeld dat het besluit van 5 februari 2019 voor wat betreft artikel 3, lid 3.5.2, onder a, van de planregels in strijd is met artikel 3.6, eerste lid, sub c, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). De Afdeling heeft hierover overwogen dat door toepassing te geven aan de afwijkingsbevoegdheid in artikel 3, lid 3.5.2, onder a, van de planregels de invulling van de bestemming kan worden gewijzigd omdat er dan ook binnen de aanduiding "milieuzone-geurzone" mag worden gewoond. Dit is niet mogelijk met een afwijkingsbevoegdheid. Daarvoor is de wijzigingsbevoegdheid bedoeld. Tevens heeft de Afdeling in de tussenuitspraak overwogen dat in de einduitspraak artikel 3, lid 3.5.2, onder a, van de planregels, gelet op hetgeen is overwogen in overweging 6.6, zal worden vernietigd.

1.1.    Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak is het beroep van [appellante sub 2] en anderen gegrond. Het besluit van 5 februari 2019 dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en strijd met artikel 3.6, eerste lid, sub c, van de Wro, voor zover het betreft de geurcontour en het gebied daaromheen met de bestemming "Wonen" die is geprojecteerd rond de gronden van de varkenshouderij van [appellante sub 2] en anderen, artikel 3, lid 3.5.1, onder c, van de planregels en artikel 3, lid 3.5.2, onder a, van de planregels.

1.2.    Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om, met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 6.4 en 6.5 een passende regeling op te nemen voor de geurcontour op de verbeelding en voor artikel 3, lid 3.5.1, onder c, van de planregels.

1.3.    In het besluit van 25 maart 2020 heeft de raad naar aanleiding van de tussenuitspraak een gewijzigde geurcontour in de verbeelding opgenomen rond de gronden van de varkenshouderij van [appellante sub 2] en anderen. Tevens heeft de raad artikel 1 van de planregels gewijzigd, artikel 3, lid 3.5.1, onder c, en artikel 3.5.2, onder a, van de planregels geschrapt en artikel 3, lid 3.5.1a, van de planregels toegevoegd.

1.4.    In artikel 1 van de planregels is de definitie van geurgevoelig object opgenomen. De definitie luidt als volgt:

"Geurgevoelig object:

Gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt."

     Artikel 3, lid 3.5.1a, is toegevoegd en luidt als volgt:

"Strijdig gebruik

ter plaatse van de aanduiding "milieuzone-geurzone" is het gebruik van gronden en/of bouwwerken als geurgevoelige objecten niet toegestaan."

2.    Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb luidt: "Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben."

3.    De Afdeling stelt vast dat met het besluit van 30 juni 2020 niet geheel tegemoet is gekomen aan het beroep van [appellante sub 2] en anderen tegen het besluit van 5 februari 2019. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb moet hun beroep daarom worden geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 30 juni 2020.

3.1.    [appellante sub 2] en anderen hebben in hun zienswijzen te kennen gegeven dat er afstemming heeft plaatsgevonden tussen de raad en [appellante sub 2] en anderen ten aanzien van de geurcontour en de regeling voor artikel 3, lid 3.5.1, onder c. Zij kunnen instemmen met de wijziging van de planregeling. Ten aanzien van de geurcontour voeren zij aan dat bij de afstemming door de raad een memo van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (hierna: de ODZOB) van 30 januari 2020 (kenmerk: 257276) is overgelegd waarin een kaartje is opgenomen met een weergave van de verbeelding met een gecorrigeerde geurcontour. [appellante sub 2] en anderen kunnen instemmen met de door de ODZOB gecorrigeerde geurcontour. Zij stellen dat op de verbeelding op ruimtelijkeplannen.nl deze gecorrigeerde contour lijkt te zijn ingetekend, maar dat zij dit niet met zekerheid kunnen vaststellen. [appellante sub 2] en anderen verzoeken de Afdeling de memo van de ODZOB van 30 januari 2020 met de daarbij opgenomen verbeelding alsnog als bijlage bij het besluit van 30 juni 2020 te voegen, teneinde zo elke onduidelijkheid en onzekerheid weg te nemen.

3.2.    In het voorstel van burgemeester en wethouders van 26 mei 2020 dat aan het besluit van de raad van 30 juni 2020 ten grondslag ligt, staat het volgende:

"Aanpassing geurcontour op verbeelding. Om het genoemde onder punt 1 te herstellen is een nieuwe verbeelding opgesteld, hier als bijlage bijgevoegd. Hierop is een nieuwe geurcontour, die van de varkenshouderij aan de Broekstraat 79-83 komt, ingetekend. Deze geurcontour is opnieuw door de ODZOB berekend met inachtneming van de eerdere bezwaren van [appellante sub 2]."

3.3.    Gelijk [appellante sub 2] en anderen aanvoeren is het onderzoek van ODZOB van 30 januari 2020 met een bijgevoegde weergave van de verbeelding met de geurcontour niet als bijlage bijgevoegd bij het bij besluit van 30 juni 2020 vastgestelde plan. Gelet op het in overeenstemming met het voorstel van burgemeester en wethouders vastgestelde raadsbesluit is beoogd de verbeelding voor wat betreft de geurcontour rond de varkenshouderij van [appellante sub 2] en anderen aan de Broekstraat 79-83 in te tekenen overeenkomstig het onderzoek van ODZOB met de daarin opgenomen weergave van de verbeelding. [appellante sub 2] en anderen hebben niet aangevoerd dat raad de verbeelding foutief, dat wil zeggen in afwijking van de inhoud van dit memo, heeft vastgesteld. Gezien het vorenstaande en in aanmerking genomen dat de door de raad vastgestelde verbeelding leidend is, ziet de Afdeling geen aanleiding om tegemoet te komen aan het verzoek van [appellante sub 2] en anderen om de memo van de ODZOB van 30 januari 2020 met de daarbij opgenomen verbeelding alsnog als bijlage bij het besluit te voegen.

3.4.    Het van rechtswege ontstane beroep van [appellante sub 2] en anderen is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 1]

4.    Over het beroep van [appellant sub 1] heeft de Afdeling in 8.6 van de tussenuitspraak geoordeeld dat het besluit van 5 februari 2019 niet berust op een deugdelijke motivering omdat de raad niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat ter plaatse van de gronden met een woonbestemming gesitueerd in deelgebied Hazenwinkel op minder dan 100 m van de gronden van [appellant sub 1] aan de [locatie] te Mierlo met een naastgelegen perceel met de aanduiding "specifieke vorm van agrarische-veldschuur" een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De Afdeling heeft hierover overwogen dat bij de activiteiten van [appellant sub 1] aan de [locatie] en een naastgelegen perceel met veldschuur sprake is van bedrijvigheid in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is. Het gaat om de mogelijkheid om 30 schapen en 25 konijnen te houden. Tevens heeft de Afdeling vastgesteld dat voor konijnen in de Regeling geurhinder en veehouderijen geen geuremissiefactor is vastgesteld. Vanwege het houden van konijnen moet derhalve worden uitgegaan van een inrichting waarvoor vaste afstanden gelden. Op grond van artikel 3.117, eerste lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer dient tussen een dierenverblijf met dieren zonder geuremissiefactor en een woning in dit geval een afstand van minimaal 100 m te worden aangehouden. Tussen de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van agrarische-veldschuur" en het plandeel met de woonbestemming in deelgebied Hazenwinkel is geen 100 m aangehouden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad niet gemotiveerd dat ter plaatse van het geurgevoelig object niettemin een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

4.1.    Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak is het beroep van [appellant sub 1] gegrond. Het besluit van 5 februari 2019, voor zover hiermee de bestemming "Wonen" is toegekend aan de gronden in deelgebied Hazenwinkel op een afstand van minder dan 100 m van de gronden van [appellant sub 1] naast de [locatie] te Geldrop-Mierlo met de aanduiding "specifieke vorm van agrarische-veldschuur" dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

4.2.    Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om met in achtneming van hetgeen onder 8.6. is overwogen alsnog nader te motiveren waarom ook bij een afstand van minder dan 100 m sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de voorziene geurgevoelige objecten, dan wel een andere planregeling vast te stellen.

4.3.    In het besluit van 30 juni 2020 heeft de raad gemotiveerd waarom in dit geval een afstand van 50 m kon worden aangehouden. Daarbij heeft de raad het volgende in aanmerking genomen. Op grond van de Verordening geurhinder en veehouderij vaste afstanden 2016 (hierna: de Verordening) kan, aldus de raad, de wettelijke afstand van 100 m worden teruggebracht naar 50 m. Aan deze Verordening ligt, aldus de raad, de "Gebiedsvisie verkleinen vaste afstanden gemeente Helmond 2016", van 20 september 2016, van de ODZOB ten grondslag. Uit die gebiedsvisie blijkt dat het op basis van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling, vooral de geplande woningbouw in Brandevoort, wenselijk is dat de vaste afstanden worden verkleind. Er bestaan bij geplande woningbouw ongewenste belemmeringen door relatief kleine veehouderijen bij het onverkort vasthouden aan een vaste afstand van 100 m. Deze vaste afstand van 100 m is, gelet op de omvang van de veehouderijen, disproportioneel groot. In de Structuurvisie 2030 is vastgelegd dat een zekere mate van verwevenheid tussen het platteland en stad als gewenst wordt beschouwd. In die zin past het binnen de gewenste ontwikkeling van de gemeente Helmond dat het mogelijk is om de vaste afstand ten opzichte van de bebouwde kom te verkleinen. In de gebiedsvisie is onderzocht onder welke voorwaarden een verkleining mogelijk is. De voorwaarde is zodanig gesteld dat het woon- en leefklimaat van geurgevoelige objecten niet verslechtert. Bij het onderzoek uit de gebiedsvisie van de ODZOB is uitgegaan van een aantal (worst-case) aannames om berekeningen te kunnen maken met het verspreidingsmodel V-Stacks-vergunningen. Uit deze berekeningen is gebleken dat bij een omvang van maximaal 60 dieren waarvoor vaste afstanden gelden een verkleining van de vaste afstand van 100 naar 50 m te verantwoorden is. Het woon- en leefklimaat voor omwonenden op 50 m afstand blijft dan nog redelijk goed. Bij het onderzoek is ook het perceel aan de [locatie] te Geldrop-Mierlo betrokken. Gelet op het voorgaande en het aantal te houden dieren in de inrichting van [appellant sub 1] stelt de raad zich op het standpunt dat in dit geval een afstand van 50 m kon worden gehanteerd.

     Tevens heeft de raad in het besluit van 30 juni 2020 vastgesteld dat de afstand van 50 m niet in acht is genomen. Daarom is aan de gronden met de bestemming "Wonen" in deelgebied Hazenwinkel die binnen een afstand van 50 m van de gronden van [appellant sub 1] met de aanduiding "voormalig agrarisch bedrijf" op het perceel aan de [locatie] en de naastgelegen gronden met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch-veldschuur" liggen de aanduiding "milieuzone-geurzone" toegekend. Hiermee is, aldus de raad, geborgd dat er een afstand van 50 m wordt aangehouden omdat in het nieuw toegevoegde artikel 3, lid 3.5.1a, van de planregels is opgenomen dat ter plaatse van de aanduiding "milieuzone-geurzone" het gebruik van gronden en/of bouwwerken ten behoeve van geurgevoelige objecten niet is toegestaan.

5.    Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb luidt: "Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben."

5.1.    De Afdeling stelt vast dat met het besluit van 30 juni 2020 niet geheel tegemoet is gekomen aan het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 5 februari 2019. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb moet zijn beroep daarom worden geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 30 juni 2020.

6.    Ingevolge artikel 3.117, eerste lid, van het Activiteitenbesluit vindt het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf met dieren zonder geuremissiefactor niet plaats, indien binnen de inrichting de afstand tussen enig dierenverblijf waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden en een geurgevoelig object, na de oprichting, uitbreiding of wijziging:

a. minder dan 100 meter bedraagt, indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, of

b. minder dan 50 meter bedraagt, indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

     Ingevolge artikel 3.118, eerste lid, zijn de artikelen 3.115 tot en met 3.117 niet van toepassing, voor zover bij gemeentelijke verordening op grond van artikel 6, derde lid, van de Wgv andere afstanden zijn vastgesteld. Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wgv en in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Wgv is het mogelijk om bij gemeentelijke verordening van de Wgv afwijkende afstanden vast te stellen. Ingevolge artikel 6, derde lid, aanhef en onder a, van de Wgv is artikel 4, eerste lid, van de Wgv niet van toepassing voor zover bij gemeentelijke verordening andere afstanden zijn vastgesteld. De raad heeft hier gebruik van gemaakt door het vaststellen van de Verordening.

Artikel 2 van de Verordening luidt als volgt:

Op grond van artikel 6, lid 3, van de Wgv en in afwijking van artikel 4, lid 1, van de Wgv bedraagt de vaste afstand van veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld (met uitzondering van nertsen) tot voor geur gevoelige objecten, de in onderstaande tabel aangegeven waarde.

6.1.    Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 1] dat hij destijds onvoldoende zou zijn betrokken bij de totstandkoming van de vastgestelde en gepubliceerde Verordening en dat de Verordening daarom buiten toepassing moet worden gelaten, zo begrijpt de Afdeling zijn betoog, overweegt de Afdeling als volgt. Tegen een algemeen verbindend voorschrift staat volgens artikel 8:3, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht geen beroep open. Dit betekent echter niet dat de Verordening in het geheel niet kan worden getoetst. De verbindendheid kan aan de orde komen via exceptieve toetsing. Deze toetsing houdt in dat de rechter een niet door de formele wetgever gegeven voorschrift buiten toepassing dient te laten, indien dit voorschrift in strijd is met een hogere regeling of rechtsbeginsel. De Wgv stelt geen specifieke eisen aan de procedure voor de totstandkoming van de Verordening. Er zijn ook geen andere regelingen of rechtsbeginselen waaruit moet worden afgeleid dat [appellant sub 1] persoonlijk betrokken had moeten worden bij de totstandkoming van de Verordening.  Het betoog faalt.

6.2.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad thans deugdelijk gemotiveerd dat hij op grond van de Verordening kon uitgaan van een afstand van 50 m. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak vastgesteld dat op 30 juli 1991 een revisievergunning op basis van de Wet milieubeheer is toegekend voor het houden van 30 schapen en 25 konijnen. Voor zover [appellant sub 1] in zijn zienswijze aanvoert dat van andere aantallen dieren moet worden uitgegaan keert hij zich tegen overwegingen van de tussenuitspraak. De Afdeling overweegt dat zij behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een zeer uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel moet worden uitgegaan.

6.3.    Voor wat betreft het beroep van [appellant sub 1] op het vertrouwensbeginsel overweegt de Afdeling als volgt. Onder verwijzing naar overweging 11 van de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, overweegt de Afdeling dat bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel in het omgevingsrecht drie stappen moeten worden doorlopen. De eerste stap is de juridische kwalificatie van de uitlating en/of gedraging waarop de betrokkene zich beroept. Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Indien beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap. In het kader van die derde stap zal de vraag moeten worden beantwoord wat de betekenis van het gewekte vertrouwen is bij de uitoefening van de betreffende bevoegdheid. Wat betreft de eerste stap stelt de Afdeling het volgende vast. [appellant sub 1] heeft zich beroepen op uitlatingen die zijn gedaan in het kader van een tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders gevoerde procedure over planschade in verband met het in 2007 in werking getreden bestemmingsplan "Brandevoort II". Ter onderbouwing daarvan heeft [appellant sub 1] in bijlagen 5 en 6 bij zijn zienswijze van 5 oktober 2020 twee citaten opgenomen. Het ene is een citaat uit een door een onafhankelijk adviseur opgesteld advies over door het bestemmingsplan "Brandevoort II" al dan niet veroorzaakte planschade. Het tweede is een citaat uit een deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak. Die uitlatingen gaan over de in de planschadeprocedure verrichte planologische vergelijking. Uit deze uitlatingen kan niet worden afgeleid dat de raad in toekomstige procedures over nieuwe bestemmingsplannen, zoals het thans voorliggende plan, niet kon of mocht besluiten dat binnen 100 m gebouwd zou worden. Gelet hierop behoeven de tweede en derde stap geen bespreking meer. Derhalve ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft vastgesteld. Het betoog faalt.

6.4.    De raad heeft met het toekennen van de aanduiding "milieuzone-geurzone" op de gronden met de bestemming " Wonen" in deelgebied Hazenwinkel geborgd dat er een afstand van 50 m wordt aangehouden tussen het plandeel met een woonbestemming in deelgebied Hazenwinkel en de gronden van [appellant sub 1] met de aanduiding "voormalig agrarisch bedrijf" op het perceel aan de [locatie] en de naastgelegen gronden met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch-veldschuur".

6.5.    Nu is geborgd dat de afstandsnorm van 50 m in acht wordt genomen, mag in beginsel worden aangenomen dat bij de voorziene woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. [appellant sub 1] heeft geen gegevens aangedragen die daaraan doen twijfelen. Gelet op wat de raad naar voren heeft gebracht over de situatie van de inrichting van [appellant sub 1], de structuurvisie, de gebiedsvisie en het onderzoek dat in die procedure heeft plaatsgevonden, ook op de gronden van [appellant sub 1], heeft hij voldoende inzichtelijk gemaakt dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen aanvaardbaar zal zijn.

6.6.    Gelet op het voorgaande bestaat in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het besluit van 30 juni 2020, voor zover aangevochten, niet deugdelijk is gemotiveerd. Het beroep van rechtswege van [appellant sub 1] is ongegrond.

Proceskosten

7.    Van proceskosten van [appellant sub 1] die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

7.1.    Voor [appellante sub 2] en anderen dient de raad op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] en anderen tegen het besluit van de raad van de gemeente Helmond van 5 februari 2019 gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Helmond van 5 februari 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Brandevoort II-herz. Hazenwinkel-Liverdonk" voor zover het strekt tot vaststelling van:

a. de geurcontour en het gebied daaromheen met de bestemming "Wonen" die is geprojecteerd rond de gronden van de varkenshouderij van [appellante sub 2] en anderen,

b. artikel 3, lid 3.5.1, onder c, van de planregels,

c. artikel 3, lid 3.5.2, onder a, van de planregels,

d. de bestemming "Wonen" aan de gronden in deelgebied Hazenwinkel op een afstand van minder dan 100 m van de gronden van [appellant sub 1] naast de [locatie] te Geldrop-Mierlo met de aanduiding "specifieke vorm van agrarische-veldschuur";

III.    verklaart de beroepen [appellant sub 1] en [appellante sub 2] en anderen tegen het besluit van 30 juni 2020 ongegrond;

IV.    veroordeelt de raad van de gemeente Helmond tot vergoeding van in verband met de behandeling van het beroep van [appellante sub 2] en anderen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.050 (zegge: duizendvijftig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

V.    gelast dat de raad van de gemeente Helmond aan [appellant sub 1] het door hem voor de behandeling van de beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 174,00 (zegge: honderdvierenzeventig euro) en aan [appellante sub 2] en anderen € 345,00 (zegge: driehonderdvijfenveertig euro), met dien verstande dat betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan,

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. B.J. Schueler en mr. P.H.A. Knol, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2020

224.