Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:3001

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2020
Datum publicatie
16-12-2020
Zaaknummer
201905750/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2019:3467, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 mei 2018 heeft de korpschef van politie het aan [appellant] verleende verlof tot het voorhanden hebben van een wapen en munitie ingetrokken. Op 28 april 2018 is de politie naar de woning van [appellant] gegaan, omdat de vrouw van [appellant] 112 had gebeld. In het verslag in het mutatierapport dat is opgemaakt door de politie staat dat de vrouw van [appellant] erg overstuur was nadat ze een woordenwisseling had gehad met [appellant]. [appellant] maakte op de politie een verwarde indruk en sprak cryptisch. Na deze situatie vreesde de korpschef voor misbruik van het wapenverlof en hij heeft daarom het wapenverlof ingetrokken. De minister heeft dit besluit gehandhaafd. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister het besluit in redelijkheid heeft kunnen handhaven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201905750/1/A3.

Datum uitspraak: 16 december 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 17 juli 2019 in zaak nr. 19/597 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2018 heeft de korpschef van politie het aan [appellant] verleende verlof tot het voorhanden hebben van een wapen en munitie (hierna: wapenverlof) ingetrokken.

Bij besluit van 27 december 2018 heeft de minister het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 juli 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de korpschef een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2020, waar [appellant], via videoverbinding, en de minister, vertegenwoordigd door mr. F.H. Kamminga, zijn verschenen.

[appellant] heeft na de zitting, daartoe op de zitting in de gelegenheid gesteld, nadere stukken ingediend.

[appellant] en de minister hebben afgezien van de mogelijkheid van een tweede zitting.

Overwegingen

    Inleiding

1.    De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in een bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2.    Op 28 april 2018 is de politie naar de woning van [appellant] gegaan, omdat de vrouw van [appellant] 112 had gebeld. In het verslag in het mutatierapport dat is opgemaakt door de politie staat dat de vrouw van [appellant] erg overstuur was nadat ze een woordenwisseling had gehad met [appellant]. [appellant] maakte op de politie een verwarde indruk en sprak cryptisch. Na deze situatie vreesde de korpschef voor misbruik van het wapenverlof en hij heeft daarom het wapenverlof ingetrokken. De minister heeft dit besluit gehandhaafd.

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister het besluit in redelijkheid heeft kunnen handhaven. Als er ook maar geringe twijfel aanwezig is dat een wapenverlof niet verantwoord is, is er voldoende grond het in te trekken. De rechtbank zag geen aanleiding om te twijfelen aan het verhaal zoals in het mutatierapport staat en de korpschef heeft gelet hierop gegronde twijfel kunnen hebben of het wapenverlof verantwoord is. Hij heeft het belang van de veiligheid van de samenleving zwaarder mogen laten wegen dan het belang van [appellant] bij het behouden van zijn wapenverlof, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister het besluit in redelijkheid heeft kunnen handhaven. Hij zit in een conflictueuze situatie na het overlijden van zijn vader. Bij het afwikkelen van de erfenis is onenigheid ontstaan tussen hem en zijn zussen. Hij en zijn vrouw hebben het financieel niet breed en hebben ook gezondheidsklachten. Ondanks deze problemen hebben zij elkaar altijd gesteund. Hij is nooit agressief, zo ook niet op 28 april 2018. Zijn vrouw had 112 gebeld om een noodarts te laten komen voor pijnklachten die ze had. Ze stond in de douche, omdat dat helpt bij haar pijnklachten. Wat de politie heeft opgeschreven, klopt niet. Het verslag is ook niet onderbouwd met feiten. Zo is nergens op gebaseerd dat hij verward overkwam, cryptisch sprak of het had over complottheorieën. Na de situatie op 28 april 2018 is Veilig Thuis ook niet bij hem thuis geweest. In 2019 is Veilig Thuis wel bij hem thuis geweest na een melding, en werd het niet nodig gevonden om een veiligheidsplan te maken. Hij heeft het idee dat hij gediscrimineerd wordt. Het intrekken van zijn wapenverlof heeft ertoe geleid dat hij een baan niet heeft kunnen krijgen, dat hij niet meer welkom is op de schietclub en dat zijn reputatie is geschaad, aldus [appellant].

Beoordeling hoger beroep

5.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:483), strekt de bevoegdheid om een wapenverlof in te trekken tot het treffen van maatregelen ter bescherming van de veiligheid van de samenleving. Tegen de achtergrond van dat grote maatschappelijke veiligheidsbelang is geringe twijfel aan het verantwoord zijn van het wapenverlof voldoende reden om een verlof in te trekken. De twijfel kan gelegen zijn in de psychische gesteldheid van houders van een wapenverlof. Risicofactoren hierbij zijn onder meer problemen in de relationele sfeer, problemen in de arbeidssfeer of opleiding, een gebrekkig sociaal steunsysteem en stressvolle levensomstandigheden. Deze twijfel dient wel objectief toetsbaar te zijn.

5.1.    [appellant] heeft op 8 mei 2018, nadat zijn wapens in bewaring waren genomen, telefonisch een toelichting gegeven op wat er is gebeurd op 28 april 2018. Blijkens een daarvan opgemaakt proces-verbaal heeft hij verklaard: "Ik had een brief gekregen van mijn zuster die als zaakwaarnemer de nalatenschap heeft geregeld na het overlijden van mijn ouders. Daarbij heeft zij 1 1/2 miljoen verduisterd zodat mijn erfdeel zo klein mogelijk werd. […] Ik had het gevoel dat ik door mijn eigen familie werd bestolen en was daar heel boos over. Als iemand je besteelt ga je over de rooien. Dat was de reden dat ik een conflict had met mijn vrouw. Mijn vrouw heeft toen de politie gebeld omdat zij hoopte dat ik weer bij zinnen kwam. […] Mijn vrouw ging naar de badkamer en is daarbij gestruikeld. […] Dat ik een verwarde indruk zou maken kan misschien zo zijn overgekomen. Ik was heel erg moe meer niet." De verklaring van [appellant] over wat er is gebeurd, is in lijn met het verslag in het mutatierapport van de situatie die de politieagenten aantroffen in de woning. In het verslag staat waarom [appellant] een verwarde indruk maakte op de politieagenten. [appellant] heeft in zijn verklaring van 8 mei 2018 ook zelf aangegeven dat hij een verwarde indruk gemaakt kan hebben. Er bestaat daarom geen reden om te twijfelen aan de waarneming van de politieagenten.

5.2.    De minister heeft gelet op het verslag in het mutatierapport en de eigen toelichting van [appellant] van 8 mei 2018 aannemelijk kunnen achten dat [appellant] zich op 28 april 2018 zo verbaal agressief gedroeg dat zijn vrouw bang werd, zich in de badkamer in veiligheid heeft gebracht, daarbij is gevallen en 112 heeft gebeld. Dat [appellant]s vrouw in de badkamer was om een douche te nemen om haar pijnklachten te verlichten, zoals [appellant] in hoger beroep heeft gesteld, acht de Afdeling niet aannemelijk. Dit komt ook niet overeen met wat zijn vrouw heeft gemeld toen zij de politie belde. In het mutatierapport staat dat zij toen heeft gemeld dat ze zichzelf had opgesloten in de badkamer.

5.3.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister zich, gelet op het incident op 28 april 2018, waarbij zijn vrouw 112 heeft gebeld, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er op zijn minst geringe twijfel aanwezig is over het toevertrouwen van een wapen aan [appellant]. Dat Veilig Thuis in 2018 niet langs is geweest, leidt niet tot de conclusie dat er geen incident heeft plaatsgevonden dat twijfel kon veroorzaken. Er bestaat geen grond om aan te nemen dat [appellant] anders is behandeld dan anderen vanwege zijn afkomst.

5.4.    Tot het intrekken van het wapenverlof is besloten met het oog op het zwaarwegende belang van de veiligheid van de samenleving. [appellant] heeft aangevoerd dat hij een baan niet heeft kunnen krijgen door het intrekken van zijn wapenverlof. Op de zitting heeft hij toegelicht dat voor die baan een jachtakte vereist was. Hij had ook een jachtakte, maar hij heeft die vrijwillig ingeleverd na dit besluit. Hieruit volgt dat de omstandigheid dat hij een baan niet kon krijgen geen rechtstreeks gevolg is van het intrekken van het wapenverlof, nog daargelaten dat hij niet met stukken of andere middelen heeft onderbouwd dat hij een baan is misgelopen. De minister heeft de omstandigheid dat [appellant] niet meer welkom is op de schietclub en, naar gesteld, reputatieschade heeft opgelopen, minder zwaar hoeven laten wegen dan het belang van de veiligheid van de samenleving.

5.5.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister op goede gronden het besluit van de korpschef heeft gehandhaafd.

5.6.    Het betoog faalt.

Slotsom

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. Schueler, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

w.g. Klein

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2020

176-851.

 

BIJLAGE

 

Wet wapens en munitie

Artikel 7

1. […].

2. De in deze wet genoemde erkenningen, consenten, vergunningen, verloven en ontheffingen kunnen, onverminderd de bijzondere gronden tot wijziging of intrekking daarvan en onverminderd verordening (EU) nr. 258/2012, door het bestuursorgaan dat deze heeft verleend of door Onze Minister worden gewijzigd of ingetrokken:

    […];

    b. indien er aanwijzingen zijn dat aan de houder daarvan het onder zich hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd;

[…].

Circulaire wapens en munitie 2018

1.2. Invulling van het ‘vrees voor misbruik’ criterium

[…].

Degene aan wie een vergunning wordt verleend voor het voorhanden hebben van wapens en/of munitie komt in een bijzondere positie te verkeren ten opzichte van zijn medeburgers, voor wie immers het algemene wettelijke verbod geldt om wapens of munitie voorhanden te hebben. Die positie brengt met zich mee dat van de vergunninghouder stipte naleving van de (wapen)wettelijke voorschriften moet kunnen worden verlangd en dat van hem tevens wordt verwacht dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een (ernstige) aantasting van de rechtsorde.

Het weigeren dan wel intrekken van een verlof is uitdrukkelijk geen strafrechtelijke sanctie, maar is een maatregel ter bescherming van de veiligheid in de samenleving. Tegen de achtergrond van het eerdergenoemde maatschappelijke belang, is daarom reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de te maken (of gemaakte) uitzondering - ook naar de vaste jurisprudentie van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State - voldoende reden om een verlof niet te verlenen respectievelijk in te trekken. Het spreekt voor zich dat die twijfel gebaseerd moet zijn op een objectief toetsbare motivering (zie hierna).

[…].

Ad b. (andere omtrent de aanvrager bekende feiten)

Algemeen

Vrees voor misbruik kan ook worden aangenomen op basis van andere, niet uit veroordelingen of transacties gebleken, omtrent betrokkene bekende feiten.

[…].

Psychische gesteldheid

In beginsel is het niet verantwoord om aan iemand die - door oorzaken van zowel interne, als externe aard - onder sterke psychische druk staat, wat tot uitdrukking komt in een onvoorspelbaar gedragspatroon of (bijvoorbeeld) alcohol- en drugsmisbruik en waarbij de indruk bestaat dat de vergunninghouder zichzelf niet in de hand heeft, het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie toe te vertrouwen.

[…].

Risicofactoren betreffende de psychische gesteldheid van aanvragers of houders van een wapenverlof met het oog op potentieel misbruik van een (legaal) vuurwapen zijn:

•    Klinische factoren (psychische stoornis, verslaving, gedwongen opname, forensische zorg en suïcidale gedachten);

•    Stressvolle omstandigheden (problemen in relationele sfeer, problemen in de arbeidssfeer of opleiding, gebrekkig sociaal steunsysteem en stressvolle levensomstandigheden);

•    Specifieke kenmerken van de aanvrager (agressie, crimineel gedrag, impulsiviteit en zelfregulatie, zelfstandige handelingsbekwaamheid, fascinatie voor geweld, extreme uitingen en/of uitingen van radicalisering).

[…].