Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2999

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2020
Datum publicatie
16-12-2020
Zaaknummer
201904531/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 april 2019 heeft de raad van de gemeente Helmond het bestemmingsplan "Automotive Campus" en het gelijknamige exploitatieplan vastgesteld. Met het bestemmingsplan is beoogd een bestaand bedrijventerrein aan de westzijde uit te breiden en te ontwikkelen specifiek voor bedrijven in de automotive en mobiliteitssector en daaraan gelieerde kennisinstellingen en onderzoekscentra. Gelijktijdig met het bestemmingsplan is het exploitatieplan vastgesteld. Het plangebied wordt bij benadering begrensd door de Europaweg, de Veedrift, Schootenseloop, Coovelsbos en Steenovenweg. Het plangebied omvat tevens enkele gronden ten zuiden van de Europaweg, waaraan de bestemming "Natuur" en de bestemming "Groen" is toegekend. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hadden in het bestemmingsplan voor hun percelen graag grotere oppervlakken met de bestemming "Bedrijventerrein" en kleinere oppervlakken met een groen- en natuurbestemming gezien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2021/20 met annotatie van E.J. van Baardewijk
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201904531/1/R2.

Datum uitspraak: 16 december 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Helmond,

2.    [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te [woonplaats],

3.    Stichting tot Behoud en Ontwikkeling van de Ecologische en Cultuurhistorische Waarden van het Middengebied Eindhoven-Helmond (hierna: de Stichting), gevestigd in de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Helmond,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Automotive Campus" en het gelijknamige exploitatieplan vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en de Stichting beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juli 2020, waar [appellant sub 1] en [appellant sub 2], beiden vertegenwoordigd door mr. A.M. Plooij, advocaat te Helmond, de Stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], en de raad, vertegenwoordigd door mr. R. Benhadi, advocaat te Nijmegen, mr. I. van Druten, J.A.M. van den Brand en M. Krikken, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Met het bestemmingsplan is beoogd een bestaand bedrijventerrein aan de westzijde uit te breiden en te ontwikkelen specifiek voor bedrijven in de automotive en mobiliteitssector en daaraan gelieerde kennisinstellingen en onderzoekscentra. Gelijktijdig met het bestemmingsplan is het exploitatieplan vastgesteld.

Het plangebied wordt bij benadering begrensd door de Europaweg, de Veedrift, Schootenseloop, Coovelsbos en Steenovenweg. Het plangebied omvat tevens enkele gronden ten zuiden van de Europaweg, waaraan de bestemming "Natuur" en de bestemming "Groen" is toegekend.

     Met het oog op deze ontwikkeling en het verhaal van daarbij aan de orde komende exploitatiekosten is het exploitatieplan vastgesteld. Het exploitatieplan heeft op een kleiner gebied betrekking dan het bestemmingsplan.

2.    [appellant sub 1] is eigenaar van het perceel kadastraal bekend gemeente Helmond, sectie […], nummer [A]. [appellant sub 2] is eigenaar van de percelen kadastraal bekend gemeente Helmond, sectie […], nummer [B] en nummer [C]. De percelen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] liggen binnen het plangebied.

     [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hadden in het bestemmingsplan voor hun percelen graag grotere oppervlakken met de bestemming "Bedrijventerrein" en kleinere oppervlakken met een groen- en natuurbestemming gezien. Zij vrezen daarnaast dat hun percelen als gevolg van het bestemmingsplan niet voldoende bereikbaar zullen zijn. Volgens [appellant sub 2] is in het bestemmingsplan voor zijn perceel ten onrechte een groter oppervlak aangeduid als voormalige vuilstortplaats dan de daadwerkelijke vuilstortplaats.

     Wat betreft het exploitatieplan stellen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dat onduidelijk is hoe de gehanteerde inbrengwaarden tot stand zijn gekomen.

     De Stichting vreest dat de beoogde ontwikkeling nadelige gevolgen heeft voor het Coovelsbos. Dit bos ligt ten zuidwesten van het plangebied en wordt doorsneden door de Europaweg. De Stichting wijst erop dat als gevolg van het plan ten onrechte twee in het plangebied liggende bospercelen worden verwijderd en dat ten onrechte de bodem ter plaatse van de voormalige vuilstort wordt geroerd.

3.    De relevante planregels en wettelijke regels, die ten grondslag liggen aan de hiernavolgende rechtsoverwegingen, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Toetsingskader

3.1.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Beroepen [appellant sub 1] en [appellant sub 2]

Bestemmingsplan

Bestemming "Bedrijventerrein"

4.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het plan onvoldoende is gemotiveerd, voor zover het betreft de omvang van de aan hun percelen toegekende de bestemming "Bedrijventerrein" ten opzichte van de omvang van de ook aan hun percelen toegekende groen- en natuurbestemming. Zij stellen hiertoe dat onduidelijk is waarom de bestemming "Bedrijventerrein" niet aan een groter deel van hun percelen is toegekend.

Ook is volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] de met de bestemming "Bedrijventerrein" toegestane bedrijvigheid onvoldoende gemotiveerd. Deze is naar zij stellen ten onrechte te beperkt.

4.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de bestemming "Bedrijventerrein" in het plan, zowel wat betreft de indeling als de toegestane bedrijvigheid, voldoende is gemotiveerd. Hij verwijst voor de inrichting van het bedrijventerrein naar de plantoelichting, het Handboek openbare ruimte Automotive Campus en het Beleidsplan stedelijk groen Helmond.

4.2.    Aan de percelen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn de bestemmingen "Bedrijventerrein", "Verkeer - Verblijfsgebied", "Groen" en "Natuur" toegekend. De percelen van [appellant sub 2] hebben ook de aanduiding "overige zone - voormalige vuilstort".

     De Schootense Loop stroomt tussen de percelen van [appellant sub 2] door. De gronden aan weerszijden van de Schootense Loop hebben de bestemming "Natuur".

     In het voorheen geldende bestemmingsplan "Schooten", vastgesteld op 25 juni 2013, hadden de gronden van [appellant sub 1] grotendeels de bestemming "Bedrijventerrein" en voor een kleiner deel de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied".

     De percelen van [appellant sub 2] hadden grotendeels de bestemming "Agrarisch". De gronden gelegen op het oosten van zijn percelen hadden de bestemming "Natuur". Een klein deel van de gronden, gelegen op uiterste zuidoosten van die percelen, had de bestemming "Bedrijventerrein" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 1".

4.3.    In de plantoelichting en in de zienswijzennota is ingegaan op de ruimtelijke opzet van het plangebied.

     In de plantoelichting wordt verwezen naar het gemeentelijke groenbeleid, als opgenomen in het Beleidsplan Stedelijk Groen Helmond, door de raad vastgesteld op 13 mei 2008. In paragraaf 4.4 van het Beleidsplan Stedelijk Groen staat over de functie van groen bij bedrijventerreinen dat het groen een rol speelt om bedrijventerreinen bij de stad te betrekken. Daarbij zijn met name het groen, dat deel uitmaakt van de hoofdontsluiting en het groen langs de randen van bedrijventerreinen, van belang. De randen van bedrijventerreinen bepalen de relatie met het aangrenzend gebied, de zichtbaarheid en de afscherming.

Ook is volgens het Beleidsplan Stedelijk Groen een robuuste groenstructuur op bedrijventerreinen nodig. Op bedrijventerreinen kan een ecologische functie of een bestaande landschappelijke structuur onderdeel zijn van een aldaar aan te leggen nieuwe groenstructuur. Door natuur en landschap in te passen kan de barrièrewerking van een nieuw bedrijventerrein worden verminderd.

Verder vermeldt het Beleidsplan Stedelijk Groen dat groen van belang is als aankleding voor de aanwezige bedrijven. Met groen op particulier terrein en op openbaar terrein wordt voor mensen, die op een bedrijventerrein werkzaam zijn, ruimte gecreëerd om in de directe omgeving pauzes door te brengen (pauzegroen).

Daarnaast dient het openbare groen op bedrijventerreinen als ruimte voor kabels en leidingen en voor waterberging, voor zover deze niet op uitgeefbaar terrein worden aangelegd.

De Afdeling acht deze uitgangspunten van het gemeentelijke groenbeleid niet onredelijk. De raad heeft bij de planvaststelling in redelijkheid hierbij aansluiting kunnen zoeken.

     In de plantoelichting en in de zienswijzennota wordt tevens verwezen naar het Handboek openbare ruimte Automotive Campus, dat ook een bijlage bij het exploitatieplan is. Daarin zijn in overeenstemming met het Beleidsplan Stedelijk Groen de basisprincipes voor de inrichting van het bedrijventerrein opgenomen. De hoofdopzet volgens dat handboek is dat bedrijven zich vestigen aan een ringstructuur en dat de gezamenlijke buitenruimte, te weten het ecologische middengebied, en de zone rondom de Schootense Loop worden ingericht als groen en natuur. De raad heeft in de zienswijzennota uitgelegd dat hiervoor bewust is gekozen om aldus versnippering van groen te voorkomen. Ook worden op deze wijze de bestaande landschappelijke kwaliteiten van de zone rondom de Schootense Loop en het ecologische middengebied, die gedeeltelijk op de percelen van [appellant sub 2] liggen, met elkaar verbonden. De raad heeft verklaard dat het uitbreiden van de bestemming "Bedrijventerrein" ten koste gaat van de gronden met een groen- en natuurbestemming, hetgeen leidt tot een onacceptabele afname van de groene kwaliteit van het plangebied.

     Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad voor de percelen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] de omvang van de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" ten opzichte de omvang van de gronden met een groen- en natuurbestemming onvoldoende heeft gemotiveerd. 

     Het betoog faalt.

4.4.    Over het betoog dat de binnen de bestemming "Bedrijventerrein" toegestane bedrijvigheid onvoldoende is gemotiveerd overweegt de Afdeling als volgt. In de plantoelichting, paragraaf 3.1.1, staat dat de ontwikkeling van de Automotive Campus is afgestemd op provinciaal niveau. Afspraken daarover zijn opgenomen in de provinciale Structuurvisie Brainport-Oost uit 2011 en verder uitgewerkt in de gemeentelijke Structuurvisie Helmond 2030. De plantoelichting vermeldt voorts dat de gemeenten in het Stedelijk Gebied Eindhoven (SGE) de "Programmering bedrijventerreinen SGE 2016" hebben vastgesteld. Daarin is voor de Automotive Campus de definitie "Alleen uitgeefbaar voor bedrijven die een relatie hebben met de automotive industrie" opgenomen.

Om aan deze provinciale en regionale afspraken te voldoen is het voorliggende bestemmingsplan vastgesteld. In paragraaf 1.1 van de plantoelichting staat dat met het bestemmingsplan is beoogd een campus te ontwikkelen specifiek voor bedrijven in de automotive en mobiliteitssector en daaraan gelieerde kennisinstellingen en onderzoekscentra. De Automotive Campus is gericht op innovatie door samenwerking tussen de bedrijven en de onderwijsvoorzieningen op de campus. In de zienswijzennota heeft de raad aangegeven dat daarom niet ieder bedrijf zich hier kan vestigen. Alleen bedrijven, die passen binnen dit concept en kunnen bijdragen aan innovatie, kunnen zich op het bedrijventerrein vestigen. Dit is ook vastgelegd in het bestemmingsplan. Uit artikel 3, lid 3.1, van de planregels volgt dat de voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijfsactiviteiten in de automotive en mobiliteitssector en daaraan gelieerde kennisinstellingen en onderzoekscentra.

De raad heeft er verder op gewezen dat bij de voorbereiding van het plan de zogenoemde laddertoets in de zin van art. 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening is uitgevoerd. Uit de conclusies daarvan, die in de plantoelichting zijn opgenomen, volgt dat er zowel kwantitatieve als kwalitatieve behoefte bestaat aan de voorziene campus. Over de kwalitatieve behoefte wordt vermeld dat deze volgt uit de "Programmering bedrijventerreinen SGE 2016", maar ook uit de specifieke doelgroep die is beoogd op de campus. Het betreft namelijk (zeer specifiek afgebakende) hoogwaardige bedrijven in de automotive en mobiliteitssector, waardoor eventuele concurrentie met andere gebieden niet of nauwelijks aanwezig is. Vermeld wordt verder dat de campus niet de locatie is voor een zogenoemde full scale production, zodat bedrijventerreinen in de omgeving kunnen profiteren van de spin-off-effecten die de campus genereert. Kleinschalige assemblage van prototypes en voor testing is wel passend op de campus. Als binnen de bestemming "Bedrijventerrein" ook andere bedrijfsactiviteiten zouden worden toegestaan, zou dat ongewenste (leegstands)effecten voor andere bedrijventerreinen kunnen hebben.

     Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de binnen de bestemming "Bedrijventerrein" toegestane bedrijvigheid onvoldoende is gemotiveerd of ten onrechte te beperkt is.

     Het betoog faalt.

Bereikbaarheid

5.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] vrezen voorts dat hun percelen als gevolg van het bestemmingsplan onvoldoende bereikbaar zullen zijn. Zij stellen hiertoe dat in het bestemmingsplan ten onrechte geen rekening is gehouden met een optimale ontsluiting van zijn percelen. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] wijzen er in dit verband op dat het pad ten zuiden van hun percelen is wegbestemd en intussen ook aan de openbaarheid is onttrokken.

5.1.    De raad heeft in de zienwijzennota, die deel uitmaakt van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, aangegeven dat het plan, wat betreft de verkeersstructuur, voorziet in een ring met een driezijdige ontsluiting op het omliggende weggennet. De noordentree naar de Schootense Dreef, de oostentree naar de Steenovenweg en de zuidentree naar de Europaweg. De raad wijst erop dat alle uitgeefbare kavels rechtstreeks worden ontsloten via de ringstructuur. Dit is ook vastgelegd op de verbeelding.

     Wat betreft het perceel van [appellant sub 1] wijst de raad erop dat een deel van het perceel de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" heeft. De overige perceelsdelen hebben de bestemmingen "Groen" en "Bedrijventerrein", sluiten daarop aan en zijn daardoor direct ontsloten. Verder is het binnen de bestemming "Bedrijventerrein" toegestaan om ontsluitings- en toegangswegen te realiseren.

     Wat betreft de percelen van [appellant sub 2] is in de zienswijzennota vermeld dat het perceel ten westen van de Schootense Loop na de uitvoering van het plan rechtstreeks bereikbaar is vanaf de ring. Het perceel van [appellant sub 2] gelegen ten oosten van de Schootense Loop sluit aan op gronden, die in eigendom van de gemeente zijn. Deze gronden hebben de bestemming "Bedrijventerrein" en sluiten direct aan op de ring. Binnen deze bestemming is het toegestaan om ontsluitingswegen en toegangswegen te realiseren. Verder heeft de raad in het verweerschrift aangegeven dat de gemeente, ook gedurende de tijd dat de percelen van [appellant sub 2] nog niet tot ontwikkeling zijn gebracht, zorgdraagt voor de bereikbaarheid ervan. De percelen van [appellant sub 2] blijven te allen tijde bereikbaar via een omleidingsroute, aldus de raad. Deze omleidingsroute is bovendien reeds gerealiseerd.

     Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de percelen van [appellant sub 2] als gevolg van het bestemmingsplan onvoldoende bereikbaar zullen zijn. Dat het pad ten zuiden van de percelen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] is wegbestemd, maakt dit niet anders. De raad wijst erop dat dit pad, dat parallel aan de Europaweg liep, doodlopend, gedeeltelijk onverhard en naamloos was. Volgens de raad worden door de beoogde ringstructuur de percelen als gevolg van het plan juist beter bereikbaar.

     Het betoog faalt.

Voormalige vuilstortplaats

6.    [appellant sub 2] betoogt dat in het bestemmingsplan voor zijn perceel ten westen van de Schootense Loop ten onrechte een groter oppervlak is aangeduid als voormalig vuilstortplaats dan de daadwerkelijke vuilstortplaats. Hij verwijst daartoe naar de kaart bij het besluit van 9 mei 2016 van het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant (hierna: het college van GS) terzake van het herinrichten van de voormalige vuilstortplaats tot een bedrijventerrein.

6.1.    Het "Raamhergebruikplan, herinrichting voormalig stortplaats Automotive Campus" is vastgesteld op 31 maart 2015. In het Raamhergebruikplan, dat als bijlage 1 bij de plantoelichting is gevoegd, zijn voorwaarden voor de herinrichting van de voormalige vuilstort opgenomen.

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan is het Raamhergebruikplan aan het college van GS voorgelegd bij het verzoek van het gemeentebestuur om ontheffing ten behoeve van het herinrichten van de voormalige vuilstortplaats tot een bedrijventerrein.

Bij besluit van 9 mei 2016, dat als bijlage 12.2 bij het exploitatieplan is opgenomen, heeft het college van GS positief besloten op dat verzoek.

6.2.    De raad heeft er terecht op gewezen dat de gronden, waaraan op de verbeelding de aanduiding "overige zone - voormalige vuilstort" is toegekend, één-op-één zijn overgenomen uit het Raamhergebruikplan. Dat de gronden dezelfde begrenzing hebben, is in het bijzonder te zien in paragraaf 2.1 (locatiegegevens) van het Raamhergebruikplan en op de kadastrale kaart, die als bijlage 1 bij het Raamhergebruikplan is opgenomen en waarop de voormalige vuilstort, voor zover het betreft de campus, is aangegeven.

     Het betoog faalt.

Exploitatieplan

7.    Het exploitatieplan "Automotive Campus" is gelijktijdig met het bestemmingsplan vastgesteld. Het exploitatieplangebied ligt binnen het bestemmingsplangebied. De plannen vormen samen het juridisch planologische kader voor de voorziene ontwikkeling van het bedrijventerrein Automotive Campus. Het exploitatieplan biedt onder andere de grondslag voor publiekrechtelijk kostenverhaal. Daarnaast bevat het exploitatieplan locatie-eisen en een nadere invulling van de door de gemeente gewenste planuitvoering.

8.    [appellant sub 1] betoogt dat bij de vaststelling van het exploitatieplan onvoldoende inzichtelijk is gemaakt hoe de gehanteerde percentages van toerekening van zijn gronden aan het exploitatiegebied tot stand zijn gekomen. Hij stelt in dit verband dat naar verhouding ten onrechte een te groot gedeelte van zijn gronden is toebedeeld aan de openbare ruimte voor groen en natuur in het exploitatieplangebied.

     [appellant sub 2] betoogt dat bij de vaststelling van het exploitatieplan onvoldoende inzichtelijk is gemaakt waarom voor zijn gronden een knip is gemaakt in de inbrengwaarden. Onvoldoende is onderbouwd waarom de inbrengwaarde voor een deel van zijn gronden is geraamd op € 50,00 per vierkante meter en voor een ander deel van zijn gronden op € 25,00 per vierkante meter. [appellant sub 2] heeft ter zitting aangegeven dat volgens hem bij de vaststelling van het exploitatieplan niet inzichtelijk is gemaakt waarom voor een deel van zijn gronden een aftrek van € 18,89 is toegepast op de inbrengwaarde van € 25,00. 

8.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de gehanteerde inbrengwaarden voldoende zijn onderbouwd. Hij verwijst daartoe naar de toelichting bij het exploitatieplan en het daaraan ten grondslag liggende taxatierapport van november 2018 inzake de inbrengwaarde, opgesteld door ing. M.J. Kakkenberg, verbonden aan Kerkhof& Kakkenberg Rentmeesters, en ing. W.P.A. de Beer, verbonden aan Van der Horst Taxateurs. Het taxatierapport is als bijlage 15 bij het exploitatieplan opgenomen.

8.2.    Artikel 6.13, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) luidt:

"Een exploitatieplan bevat een exploitatieopzet, bestaande uit:

1. voor zover nodig een raming van de inbrengwaarden van de gronden, welke inbrengwaarden voor de toepassing van deze afdeling worden beschouwd als kosten in verband met de exploitatie van die gronden;

(…)"

8.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 31 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY1740, onder 20.3) dient aan de in een exploitatieplan opgenomen raming van inbrengwaarden in beginsel een door een onafhankelijke deskundige uitgevoerde taxatie ten grondslag te liggen. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben niet bestreden dat de taxateurs onafhankelijke deskundige taxateurs zijn. Derhalve heeft de raad in redelijkheid het taxatierapport aan het exploitatieplan ten grondslag kunnen leggen. Dit is anders voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aannemelijk maken dat het taxatierapport naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het niet aan de raming van de inbrengwaarden ten grondslag had mogen worden gelegd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 31 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY1740, onder 20.3, en de uitspraak van 13 juli 2016 ECLI:NL:RVS:2016:1977, onder 5.4).   

8.4.    In bijlage 1 "Toelichting per perceel" bij het taxatierapport is per grondeigenaar een financiële onderbouwing gegeven van de raming van de inbrengwaarde van de betreffende gronden.

8.5.    In paragraaf 8.1 tot en met 8.6 van deze bijlage is ingegaan op de gronden van [appellant sub 1], het perceel kadastraal bekend gemeente Helmond, sectie […], nummer [A].

     In paragraaf 5.3.2 van het exploitatieplan is de ruimtegebruiksindeling per eigendom weergegeven. Daarin staat dat de totale oppervlakte van het perceel van [appellant sub 1] ad 7.149 m² is verdeeld in ongeveer 2.448 m² voor openbare ruimte (voor groen en natuur) en ongeveer 4.701 m² voor uitgeefbaar gebied (voor bedrijventerrein). Dit betekent dat in het kader van de ruimtegebruiksindeling, als opgenomen in de exploitatieopzet van het plan, ongeveer 34% van de gronden van [appellant sub 1] is aangemerkt als openbare ruimte en ongeveer 66% als uitgeefbaar gebied. De raad wijst erop dat de ruimtegebruiksindeling niet op zichzelf staat, maar volgt uit het bestemmingsplan. De Afdeling verwijst in dit verband naar hetgeen onder 4.3 van deze uitspraak is overwogen over de ruimtelijke opzet en de indeling van het plangebied en de toekenning van bestemmingen aan de daarin gelegen gronden.

Van de totale oppervlakte van het exploitatieplangebied ad 212.267 m² is ongeveer 81.819 m² aangemerkt als openbare ruimte en ongeveer 130.448 m² als uitgeefbaar gebied. Aldus is ongeveer 38,5% van het exploitatieplangebied aangemerkt als openbare ruimte en ongeveer 61,5% als uitgeefbaar gebied. Hieruit volgt dat het percentage van 34%, waarvoor in het kader van bedoelde ruimtegebruiksindeling delen van de gronden van [appellant sub 1] zijn aangemerkt als openbare ruimte, lager is dan het percentage van 38,5%, dat terzake voor het hele exploitatieplangebied aan de orde is. 

     Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat bij de vaststelling van het exploitatieplan onvoldoende inzichtelijk is gemaakt hoe voor de percelen van [appellant sub 1] de gehanteerde percentages van toerekening van zijn gronden aan het exploitatiegebied tot stand zijn gekomen of dat naar verhouding een te groot gedeelte van zijn gronden is toebedeeld aan de openbare ruimte voor het exploitatieplangebied.

     Het betoog faalt.     

8.6.    In paragraaf 9.1 tot en met 9.6 van bijlage 1 bij het taxatierapport is ingegaan op de gronden van [appellant sub 2], de percelen kadastraal bekend gemeente Helmond, sectie […], nummer [B] en nummer [C].

     De gronden met perceelnummer [B] hebben een omvang van 2.820 m². Voor een deel van die gronden met een oppervlak van 890 m² is de inbrengwaarde op basis van de gebruikswaarde geraamd op een bedrag van € 50,00 per vierkante meter. Paragraaf 9.6 vermeldt dat dit deel in het voorheen geldende bestemmingsplan " Schooten" de bestemming "Bedrijventerrein" had. Echter, gebruik als bedrijventerrein was feitelijk niet mogelijk, omdat dit perceelsdeel niet was ontsloten op de in dat plan voorziene wijze. Omdat de gronden wel juridisch bouwrijp, maar niet technisch bouwrijp waren, is de inbrengwaarde voor deze gronden geraamd op een bedrag van € 50,00 per vierkante meter.

Voor het overige deel (1.930 m²) van de gronden met perceelnummer [B] is de inbrengwaarde op basis van de complexwaarde geraamd op een bedrag van € 25,00 per vierkante meter. In paragraaf 9.6 staat dat dit deel ruwe bouwgrond betreft en dat aan dit deel in het voorheen geldende bestemmingsplan niet de bestemming "Bedrijventerrein", maar de bestemming "Natuur" was toegekend. De gebruikswaarde voor deze ruwe bouwgrond is lager dan de complexwaarde. Daarom is de inbrengwaarde geraamd op basis van de complexwaarde. De inbrengwaarde van € 25,00 per vierkante meter op basis van de complexwaarde is tot stand gekomen aan de hand van vergelijking met andere transacties met betrekking tot soortgelijke gronden.

     De gronden met perceelnummer [C] hebben een omvang van 11.100 m². Voor deze gronden is de inbrengwaarde op basis van de gebruikswaarde geraamd op een bedrag van € 8,50 per vierkante meter, waarop -rekening houdend met de vervuilde bodem ervan- een bedrag van € 1,00 in mindering is gebracht. In paragraaf 9.6 staat dat bij de raming van de inbrengwaarde voor deze gronden is uitgegaan van de gebruikswaarde, omdat de complexwaarde ervan lager is. De gronden met perceelnummer [C] hadden in het voorheen geldende bestemmingsplan de bestemming "Agrarisch" en worden ook als zodanig gebruikt. Eerder werden de gronden gebruikt als vuilstort. De vervuilde bodem staat het agrarische gebruik niet in de weg. Echter, om het voorliggende bestemmingsplan te realiseren moet, zo vermeldt paragraaf 9.6 van de bijlage, de bodem worden gesaneerd door deze te herschikken. De kosten voor het herschikken van de bodem op het perceel met nummer [C] zijn geraamd op een bedrag van € 18,89 per vierkante meter. De taxateurs hebben dit als volgt onderbouwd. De bodem van vier percelen, waaronder perceelnummer [C] van [appellant sub 2], is vervuild. De kosten voor het herschikken bedragen in totaal € 747.765,00. De percelen zijn samen groot 39.585 ha. Hieruit volgt dat deze kosten € 18,89 per vierkante meter bedragen. Deze kosten zijn in mindering gebracht op de complexwaarde per vierkante meter (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1273). Het in mindering brengen van € 18,89 per vierkante meter op de complexwaarde van € 25,00 per vierkante meter resulteert in een inbrengwaarde van € 6,11 per vierkante meter. Omdat de inbrengwaarde op basis van de gebruikswaarde van € 7,50 per vierkante meter en dus hoger is, is voor de raming van de inbrengwaarde van deze gronden uitgegaan van de geraamde gebruikswaarde ervan.

     Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat bij de vaststelling van het exploitatieplan onvoldoende inzichtelijk is gemaakt hoe voor de percelen van [appellant sub 2] de raming van de inbrengwaarden ervan tot stand is gekomen. Evenmin ziet de Afdeling in het aangevoerde aanleiding voor het oordeel dat bij de vaststelling van het exploitatieplan onvoldoende inzichtelijk is gemaakt waarom voor een deel van zijn gronden een aftrek van € 18,89 per vierkante meter is toegepast op de geraamde inbrengwaarde van € 25,00 per vierkante meter.  

     Voor zover [appellant sub 2] beoogt te betogen dat de in het taxatierapport geraamde inbrengwaarden te laag zijn en dat de raad bij de vaststelling van het exploitatieplan ten onrechte daarvan is uitgegaan, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals onder 8.3 van deze uitspraak is overwogen, is de onafhankelijkheid van de betrokken taxateurs niet in geschil en mocht de raad in beginsel van de door hen opgestelde taxatie uitgaan. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het rapport van de taxateurs, wat betreft de gehanteerde bedragen, zodanige gebreken bevat dat het niet aan de raming van de inbrengwaarden ten grondslag had mogen worden gelegd. Voor zover [appellant sub 2] beoogt te betogen dat die bedragen onjuist zijn, overweegt de Afdeling dat een dergelijk betoog de specifieke deskundigheid van de taxateurs raakt. Dit onderdeel van het taxatierapport heeft [appellant sub 2] niet gemotiveerd bestreden met een deskundig tegenadvies, waaruit zou blijken dat het taxatierapport op dit onderdeel onjuist is. Het voorgaande betekent dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de in het taxatierapport opgenomen ramingen van inbrengwaarden juist zijn.

     De Afdeling ziet in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de taxateurs de inbrengwaarden onvoldoende zorgvuldig hebben geraamd en dat het exploitatieplan daarmee in strijd met artikel 6.13, eerste lid, onder c, van de Wro is vastgesteld.

    Het voorgaande brengt de Afdeling tot de slotsom dat in het aangevoerde geen grond bestaat voor het oordeel dat het taxatierapport zodanige gebreken vertoont, dat het niet aan de vaststelling van het exploitatieplan ten grondslag had mogen worden gelegd.

     De betogen falen.

Herhalen en inlassen zienswijze

9.    Voor zover in het beroepschrift is volstaan met een herhaling van de zienswijze, overweegt de Afdeling dat door de raad in de bij de bestreden besluiten behorende zienswijzennota is ingegaan op deze zienswijze. De raad is daarbij uitgebreid ingegaan op elk onderdeel van de zienswijze en heeft deze steeds gemotiveerd weerlegd. In het beroepschrift noch ter zitting zijn redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie en proceskosten 

10.    De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn ongegrond. Uit oogpunt van proceseconomie ziet de Afdeling aanleiding in dit geval af te zien van de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep van [appellant sub 1], dat grotendeels inhoudelijk overeenkomt met het beroep van [appellant sub 2]. Daarbij is van belang dat de beoordeling van de ontvankelijkheid een diepgaand onderzoek zou vergen waarbij vanwege de ongegrondheid van het beroep geen belang bestaat.

11.    Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bestaat geen aanleiding.

Beroep Stichting

Ontvankelijkheid

12.    De raad voert aan dat de Stichting niet als belanghebbende kan worden aangemerkt, nu niet is gebleken dat de Stichting actief is in het Middengebied.

12.1.    Op grond van artikel 8:1, in samenhang gelezen met artikel 8:6 en artikel 2 van bijlage 2, van de Awb kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

     Artikel 1:2, eerste lid, luidt: "Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."

In het derde lid staat: "Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen."

12.2.    Artikel 2 van de statuten van de Stichting luidt:

"1. De stichting heeft ten doel: de duurzame instandhouding, het herstel en/of de ontwikkeling van het landschap, de ecologische en cultuurhistorische waarden van het hierna te noemen Middengebied.

2. De stichting tracht dit doel onder meer te bereiken door: signalering, coördinatie, educatie, overleg en het ontwikkelen van initiatieven dienaangaande. Signalering betreft de aantasting en ontwikkeling van de in lid 1 genoemde waarden, met het doel activiteiten te stimuleren van individuen, deelnemende en andere organisaties, overheden en andere belanghebbenden. (…)

4. Het geografische werkgebied van de stichting ligt geheel of ten dele in de gemeenten Laarbeek, Eindhoven, Geldrop, Helmond, Mierlo, Nuenen cum annexis en Son en Breugel."

12.3.    De Stichting heeft, mede onder verwijzing naar de lijst van haar activiteiten op haar website, uiteengezet dat zij ter behartiging van haar statutaire belangen naast het voeren van procedures ook feitelijke werkzaamheden verricht, al dan niet in samenwerking met andere lokale natuurbeschermingsorganisaties. De Stichting heeft ter zitting aangegeven dat haar geografische werkgebied zich uitstrekt van de westgrens van Eindhoven tot de oostgrens van Helmond, het zogenoemde Middengebied.

     Naar het oordeel van de Afdeling is de statutaire doelstelling van de Stichting voldoende territoriaal beperkt en ook toegespitst op een voldoende specifiek algemeen belang. Gelet hierop en op de feitelijke werkzaamheden die zij verricht, wordt de Stichting door het bestreden besluit rechtstreeks getroffen in een belang dat zij in het bijzonder behartigt. Dit betekent dat de Stichting belanghebbende is, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid en derde lid, van de Awb, bij het bestreden besluit. Het beroep van de Stichting is ontvankelijk.

Natuurnetwerk Brabant

13.    De Stichting vreest dat de beoogde ontwikkeling nadelige gevolgen heeft voor het Coovelsbos. De Stichting betoogt in dit verband allereerst dat het plan ten onrechte niet voorziet in het realiseren van een netwerk van verbindingszones om natuurgebieden met elkaar te verbinden. Hiertoe wijst de Stichting erop dat de raad er ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat de in verband met het plan gewijzigde begrenzing van het Natuur Netwerk Brabant (hierna: het NNB) juist tot versnippering en isolatie van het Coovelsbos leidt.

13.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat bij de voorbereiding van het plan voldoende rekening is gehouden met de gevolgen van de beoogde ontwikkeling voor de natuur. De raad verwijst in dit verband naar paragraaf 5.4 van de plantoelichting, waarin onder meer is ingegaan op de natuurcompensatieplicht, en het "Inrichtings- en beheerplan natuurcompensatie Helmond", dat als bijlage 12 bij de plantoelichting is opgenomen. Hieruit volgt volgens de raad dat het ecologisch netwerk juist wordt versterkt.

13.2.    Ten zuidwesten van het plangebied ligt het Coovelsbos. Dit bos wordt doorsneden door de Europaweg. De Schootense Loop stroomt door het plangebied. Paragraaf 5.4 van de plantoelichting vermeldt dat het plangebied niet in de nabijheid ligt van een Natura 2000-gebied. Binnen het plangebied liggen elementen, die volgens de Verordening ruimte van de provincie Noord-Brabant (hierna: de Verordening) tot het NNB behoorden. De Automotive Campus wordt gedeeltelijk aangelegd op de gronden die tot het NNB behoorden.

Op verzoek van de gemeente Helmond heeft het college van GS daarom bij besluit van 2 april 2019 de begrenzing van het NNB met toepassing van de zogenoemde "saldobenadering" in artikel 5.4 van de Verordening gewijzigd, waardoor de in het plan voorziene Automotive Campus niet meer binnen het NNB ligt.

13.3.    In de Verordening zijn algemeen verbindende voorschriften opgenomen over bestemmingsplannen voor gronden in het NNB. Met het besluit van het college van GS van 2 april 2019 is de Verordening gewijzigd, voor zover het betreft de begrenzing van het NNB.

    De Afdeling heeft in haar uitspraak van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1060, onder 22, overwogen dat, indien in een verordening een gebied is aangewezen als gebied waarvoor een bepaald verbod of gebod komt te gelden, die aanwijzing een algemeen verbindend voorschrift is. Dit geldt ook, indien de verordening aan het orgaan dat de verordening heeft vastgesteld de bevoegdheid toekent om de gebiedsaanwijzing die bij de verordening heeft plaatsgevonden te wijzigen. Indien aan een ander orgaan dan het orgaan dat de verordening heeft vastgesteld de bevoegdheid is toegekend de gebiedsaanwijzing te wijzigen, is de wijziging door dat orgaan eveneens een algemeen verbindend voorschrift. Het besluit van het college van GS tot wijziging van de begrenzing van het NNB is dan ook een algemeen verbindend voorschrift.

13.4.    Voor zover de Stichting beoogt te betogen dat het besluit van 2 april 2019 van het college van GS tot wijziging van de begrenzing van het NNB in strijd met de voorschriften uit de Verordening is vastgesteld, overweegt de Afdeling als volgt.

13.5.    De Afdeling overweegt dat het besluit van de raad tot vaststelling van het plan als zodanig niet aan artikel 5.4 van de Verordening kan worden getoetst. Die bepaling heeft namelijk betrekking op besluiten van gedeputeerde staten tot herbegrenzing van het NNB en is daarom niet rechtstreeks van toepassing op een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan. Datzelfde geldt voor de artikelen 5.6 en 5.7 van de Verordening, waarin de compensatieverplichting uit artikel 5.4 van de Verordening nader is uitgewerkt. Indien de Afdeling echter naar aanleiding van de beroepsgronden van de Stichting tot het oordeel komt dat het besluit van 2 april 2019 tot wijziging van de begrenzing van het NNB in strijd is met de voorschriften uit de Verordening, betekent dit dat de raad bij de vaststelling van het plan niet van het besluit van 2 april 2019 had mogen uitgaan en dat het plan daardoor in strijd is met artikel 5.1 van de Verordening, welk artikel wel rechtstreeks van toepassing is op een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan.

13.6.    Niet in geschil is dat de realisatie van de Automotive Campus leidt tot een aantasting van het NNB, waarvoor op grond van de Verordening compensatie nodig is. In paragraaf 5.4 van de plantoelichting en in het "Inrichtings- en beheerplan natuurcompensatie Helmond", dat als bijlage 12 bij de plantoelichting is opgenomen, is ingegaan op de natuurcompensatie.

     Uit paragrafen 2.2, 2.3 en 2.4 van het herbegrenzingsbesluit volgt dat het college van GS zich, onder verwijzing naar de reactie van de raad op de daarover ingediende zienswijzen alsook naar de plantoelichting en het hiervoor genoemde inrichtings- en beheerplan, op het standpunt heeft gesteld dat de in het bestemmingsplan opgenomen natuurcompensatiemaatregelen voldoende zijn.

     In paragraaf 5.4 van de plantoelichting staat dat ten behoeve van de realisatie van de Automotive Campus het zuidelijke bosperceel met een oppervlak van 6.920 m² geheel uit het NNB wordt verwijderd en dat het noordelijke bosperceel gedeeltelijk, ter grootte van een oppervlak van 2.939 m², uit het NNB wordt verwijderd. Het gedeelte van het noordelijke bosperceel dat behouden blijft, heeft een oppervlak van 2.296 m² en wordt heringericht. Paragraaf 5.4 vermeldt dat om de gevolgen van het verwijderen van deze NNB-bospercelen te mitigeren de raad in het plan extra ruimte heeft gereserveerd voor de bestemming "Natuur". Binnen het plangebied worden ecologische groenstructuren aangelegd, die verbonden zijn met de ecologische verbindingszone langs de Schootense Loop en die aansluiten op de groenstructuren in de omgeving. Buiten het plangebied wordt een niet-functionele ecopassage langs de Schootense Loop functioneel gemaakt, zodat de aan de noordzijde van de Europaweg aan te leggen ecologische verbindingszone wordt verbonden met de al gerealiseerde ecologische verbindingszone aan de zuidzijde van de Europaweg. Paragraaf 5.4 van de plantoelichting vermeldt verder dat, om het verlies aan bos en natuur te compenseren, gebruik is gemaakt van de zogenoemde saldobenadering in artikel 5.4 van de Verordening. De compensatie wordt uitgevoerd met toepassing van artikel 5.6 van de Verordening.

     Door het besluit tot herbegrenzing verdwijnt een deel van het NNB. Het oppervlak van de te verwijderen NNB-bospercelen bedraagt in totaal (6.920+2.939=) 9.859 m². In paragraaf 5.4 van de plantoelichting staat dat deze bospercelen een leeftijd hebben van meer dan 25 jaar, zodat op grond van artikel 5.6, tweede lid, aanhef en onder c, van de Verordening een toeslag geldt van twee-derde deel van het oppervlak dat aan bos verdwijnt. Daarom bedraagt met toepassing van de saldobenadering het te compenseren oppervlak minimaal 16.366 m².

     Uit het Inrichtings- en beheerplan natuurcompensatie Helmond en uit paragraaf 5.4 van de plantoelichting blijkt dat er binnen het plangebied voldoende ruimte is om deze NNB-compensatie te kunnen toepassen.

Een deel van de compensatie zal worden gerealiseerd op het bedrijventerrein ten noorden van de Europaweg. Deze compensatie omvat mede een uitbreiding van het NNB met ruim 0,7 ha door de aanleg van de ecologische verbindingszone langs de Schootense Loop. Deze uitbreiding sluit aan op het bestaande NNB, te weten het gedeelte van het noordelijke bosperceel dat behouden blijft.

Het overige deel van de compensatie, ongeveer 1,2 ha, zal worden gerealiseerd op een tweetal percelen ten zuiden van de Europaweg. Deze percelen worden door de herbegrenzing toegevoegd aan het NNB, hebben in het bestemmingsplan de bestemming "Natuur" en sluiten aan op het Coovelsbos. 

Het bestemmingsplan laat aldus toe dat de compensatie kan worden gerealiseerd. In artikel 3, lid 3.8, van de planregels is een voorwaardelijke verplichting met betrekking tot ook het realiseren van deze natuurcompensatie opgenomen.

     Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college van GS zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat verwezenlijking van de in het plan voorziene Automotive Campus in combinatie met de in het bestemmingsplan voorziene natuur en de daarin ook opgenomen voorwaardelijke verplichting om de natuur te realiseren, niet leidt tot versnippering of isolatie van het Coovelsbos, maar juist tot een verbetering van de kwaliteit en kwantiteit van het NNB als geheel.

13.7.    In hetgeen de Stichting heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het herbegrenzingsbesluit in zoverre in strijd met de artikelen 5.4, 5.6 en 5.7 van de Verordening is genomen. De raad mocht dat besluit daarom ten grondslag leggen aan zijn besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.

     Het betoog faalt.

Verwijderen van twee bospercelen

14.    De Stichting betoogt verder dat de twee bospercelen, die als gevolg van het plan worden verwijderd, waardevolle bossen betreffen. Volgens de Stichting is de met het plan beoogde compensatie onvoldoende om dat verlies aan natuurwaarden te compenseren. De Stichting wijst er in dit verband op dat uit het EHS-effectenonderzoek blijkt dat de beoogde ontwikkeling leidt tot significante negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS (nu: het NNB).

14.1.    Bij de voorbereiding van het plan zijn natuuronderzoeken uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn opgenomen in het rapport "Quickscan flora en fauna effectenonderzoek EHS, Automotive Campus Helmond" (hierna: het rapport EHS-effectenonderzoek) van 30 augustus 2013 van bureau Ecoconsultancy, dat als bijlage 3 bij de plantoelichting is opgenomen, en in het rapport "Actualisatie natuuronderzoeken bestemmingsplan Automotive Campus" van 2 oktober 2018, dat als bijlage 6 bij de plantoelichting is opgenomen. In paragraaf 6.3.1 van het rapport EHS-effectenonderzoek staat dat door het beperkte oppervlak van de twee NNB-bospercelen, het versnipperde en jonge karakter van deze bospercelen en het aanplantkarakter ervan tezamen met de thans aanwezige habitat en biotoop, de huidige natuurwaarden van de bospercelen niet erg hoog zijn. In het rapport EHS-effectenonderzoek staat weliswaar dat als gevolg van het verwijderen van de twee bospercelen significante negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB te verwachten zijn, maar dat door toepassing van de saldobenadering en de herbegrenzing van het NNB, als bedoeld in de Verordening, het NNB even groot en even waardevol kan blijven of zelfs kan worden verbeterd. Uit hetgeen onder 13.6 van deze uitspraak is overwogen volgt dat de met het plan beoogde compensatie leidt tot een verbetering van de kwaliteit en kwantiteit van het NNB als geheel.

     Het betoog faalt.

Voormalige vuilstort

15.    De Stichting betoogt dat als gevolg van het plan ten onrechte de bodem ter plaatse van de voormalige vuilstort wordt geroerd, hetgeen negatieve effecten heeft op de hydrologie van het Coovelsbos. Zij stelt hiertoe dat uit hydrologisch onderzoek blijkt dat heiwerkzaamheden en afval- en grondverplaatsingen leiden tot ernstige verontreiniging van het grondwater. Volgens de Stichting is bij de voorbereiding van het plan ten onrechte geen nader onderzoek verricht naar eventuele risico’s hiervan en geen rekening gehouden met de gevolgen van het plan voor de hydrologie van het Coovelsbos. Ten onrechte heeft de raad er volgens de Stichting niet voor gekozen om de voormalige vuilstortplaats te saneren door het stortmateriaal volledig te verwijderen.

     De Stichting wijst er voorts op dat uit het Raamhergebruikplan naar voren is gekomen dat in het grondwater reeds gifstoffen aanwezig zijn. Ten onrechte is hiernaar geen nader onderzoek verricht, zo stelt de Stichting.

     De Stichting voert verder aan dat bij de voorbereiding van het plan ten onrechte geen milieueffectrapportage heeft plaatsgevonden.

15.1.    In paragraaf 4.7 van de plantoelichting en in de zienswijzennota is ingegaan op de bodemkwaliteit ter plaatse van de voormalige vuilstort. Daarin wordt onder meer verwezen naar het "Raamhergebruikplan, herinrichting voormalige vuilstortplaats Automotive Campus Helmond" (hierna: het Raamhergebruikplan), dat als bijlage 1 bij de plantoelichting is opgenomen, en het rapport "Hydrologisch onderzoek Coovelsbos" van 22 november 2013 van bureau Hanhart consult, dat als bijlage 7 bij de plantoelichting is opgenomen. In het Raamhergebruikplan is ingegaan op eerder uitgevoerde bodemonderzoeken. In het Memo "Hydrologische effecten aanleg bedrijfsterrein" van 6 oktober 2014, dat als bijlage 6 bij het Raamhergeruiksplan is opgenomen, zijn in aanvulling op het rapport van bureau Hanhart, aanbevelingen gedaan voor te nemen maatregelen inzake de bodem en het grondwaterpeil. Deze aanbevelingen zijn overgenomen in het bestemmingsplan en de uitvoering daarvan is vastgelegd in de planregels.

     In paragraaf 4.7 van de plantoelichting staat dat de voormalige vuilstortplaats is afgedekt met een deklaag van grond en dat de provincie Noord-Brabant het bevoegde gezag is voor de nazorg van de voormalige vuilstortplaats. In het verleden is uitgebreid onderzoek verricht naar de dikte en de kwaliteit van de deklaag en naar de grondwaterkwaliteit. Daaruit is gebleken dat de aanwezigheid van het stortmateriaal in de ondergrond niet leidt tot onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid of het milieu. Paragraaf 4.7 van de plantoelichting vermeldt dat er daarom momenteel geen actieve nazorg plaatsvindt, maar dat de provincie periodiek controleert of het gebruik van de voormalige stortplaats wijzigt.

     Als gevolg van het plan wijzigt de bestemming en daarmee het gebruik ter plaatse van de stort van agrarisch gebruik naar gebruik voor infrastructuur en bedrijfsterrein. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het volledig verwijderen van het stortmateriaal niet wenselijk en ook niet nodig is. De raad heeft erop gewezen dat uit hydrologisch onderzoek is gebleken dat het saneren van de voormalige vuilstortplaats door het volledig verwijderen van het stortmateriaal onwenselijk is, omdat daarbij het risico bestaat dat er een grondwaterstandverlaging optreedt in het Coovelsbos. Bij de voorbereiding van het plan is juist uitgegaan van het behouden van de bestaande grondwaterpeilen in het Coovelsbos.

De raad heeft er daarnaast op gewezen dat het verwijderen van het stortmateriaal leidt tot ruimtegebruik door het herstorten elders en dat het laten liggen van het stortmateriaal geen beletsel vormt voor toekomstige ontwikkelingen. Indien ten behoeve van die toekomstige ontwikkelingen werkzaamheden op of in de stort moeten plaatsvinden (bijvoorbeeld ophogen of heien), moet voorkomen worden dat er alsnog milieurisico’s ontstaan. Om die reden zijn de voorwaarden voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein ter plaatse van de voormalige stortplaats uitgewerkt en vastgelegd in de regels van het bestemmingsplan (bijvoorbeeld in artikel 3, lid 3.2.1, aanhef en onder m, lid 3.4, aanhef en onder b en c, lid 3.7, aanhef en onder k, en artikel 13, lid 13.2 en lid 13.3), in de regels van het exploitatieplan (bijvoorbeeld artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder c, en artikel 5) en in het Raamhergebruikplan.

Het Raamhergebruikplan is aan het college van GS voorgelegd bij het verzoek om ontheffing ten behoeve van het herinrichten van de voormalige vuilstortplaats tot een bedrijventerrein. Het college van GS heeft bij besluit van 9 mei 2016 positief beschikt op het verzoek. Daarbij heeft het college van GS aangegeven dat de herinrichting als opgenomen in het Raamhergebruikplan is toegestaan, omdat deze naar verwachting geen nadelige gevolgen voor het milieu zal veroorzaken, mits daarbij hetgeen daartoe in het Raamhergebruikplan en de voorschriften, verbonden aan de verleende ontheffing, is bepaald, in acht wordt genomen.

     In paragraaf 5.1 van de plantoelichting is ingegaan op het aspect hydrologie. De plantoelichting vermeldt dat uit de hydrologische onderzoeken blijkt dat ter plaatse van de voormalige stort de leemlaag reeds is doorbroken dan wel verwijderd, zodat aanleg van de beoogde bebouwing niet zal leiden tot doorbreking van de leemlaag onder de vuilstort en dat het bouwen ter plaatse daarom geen negatieve gevolgen zal hebben voor de geohydrologie van het naastgelegen bos. Dat betekent dat er voor de gronden ter plaatse van de voormalige vuilstortplaats, behalve de al in artikel 13, lid 13.2, van de regels van het bestemmingsplan en artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder c, van het exploitatieplan opgenomen bepalingen, geen extra geohydrologische maatregelen nodig zijn.

In de plantoelichting staat verder dat voor de gronden ten westen van de Schootenseloop, waar geen stort aanwezig is, wel aanvullende randvoorwaarden gelden. Hier is de aanwezige leemlaag nog niet doorbroken en moeten maatregelen erop gericht zijn om deze laag intact te houden. Deze gronden hebben de aanduiding "overige zone - hydrologie". De zone loopt tot aan de Schootenseloop, omdat deze hydrologisch gezien de grens is van het beïnvloedingsgebied voor het Coovelsbos. Voor deze zone zijn in artikel 13, lid 13.3, van de regels van het bestemmingsplan en artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder c, van het exploitatieplan aanvullende bepalingen opgenomen ter bescherming van de leemlaag.

     Gelet op het vorenstaande heeft de raad in hetgeen is aangevoerd in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien de realisering van de in het plan voorziene ontwikkeling te relateren aan een sanering van de voormalige vuilstortplaats door het stortmateriaal volledig te verwijderen. Ook ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de voorbereiding van het plan ten onrechte geen nader onderzoek heeft verricht naar en geen rekening heeft gehouden met de gevolgen van het plan voor de hydrologie van het Coovelsbos.

     Het betoog faalt.

15.2.    Over het betoog terzake van de verontreiniging van en gifstoffen in het grondwater overweegt de Afdeling als volgt. In de zienwijzennota staat daarover dat uit bodemonderzoek inderdaad is gebleken dat er enkele licht verhoogde gehalten van verontreinigde stoffen in het grondwater zijn gemeten. De raad heeft er in de zienswijzennota op gewezen dat deze stoffen ook in de omgeving, buiten de voormalige vuilstortplaats zijn gemeten en dat uit bodemonderzoek niet naar voren is gekomen dat er een verband bestaat tussen de aanwezigheid van deze stoffen in het grondwater en de aanwezigheid van de voormalige vuilstortplaats. Vermeld wordt dat het stortmateriaal uit stadsafval en niet uit bedrijfsafval bestaat. Bedrijfsafval bevat meer olie of andere verontreinigende stoffen dan stadsafval. Daarnaast geven de bodemonderzoeksresultaten geen aanleiding om aan te nemen dat er behalve stadsafval ook ander afval, zoals bijvoorbeeld bedrijfsafval, is gestort. Daarom heeft de raad zich in de zienswijzennota op het standpunt gesteld dat nader onderzoek naar de afvalsamenstelling niet nodig is. De Stichting heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

     Het betoog faalt.

15.3.    Over het betoog dat bij de voorbereiding van het plan ten onrechte geen milieueffectrapportage is opgesteld, overweegt de Afdeling als volgt.

     Het plan voorziet in de uitbreiding en ontwikkeling van een bedrijventerrein. Daarmee ziet het plan op een activiteit als genoemd in categorie 11.3 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit mer): de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein.

    De plantoelichting vermeldt dat de oppervlakte van de beoogde uitbreiding en ontwikkeling van het bedrijventerrein in totaal ongeveer 8 ha beslaat. De Afdeling stelt vast dat de activiteit daarmee beneden de drempelwaarde van 75 ha blijft, die is opgenomen in categorie 11.3 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer. Niet is gebleken dat de in het plan voorziene ontwikkelingen onderdeel uitmaken van een activiteit, die de drempelwaarde overschrijdt en waarvoor een mer-beoordeling had moeten plaatsvinden. Omdat de drempelwaarde van 75 ha niet wordt overschreden, is ten behoeve van de vaststelling van het plan krachtens het bepaalde in artikel 2, vijfde lid, van het Besluit mer een zogenoemde vormvrije mer-beoordeling uitgevoerd. Deze is opgenomen in paragraaf 4.2 van de plantoelichting. De conclusie daarin is dat de voorziene ontwikkeling geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.

     De Stichting heeft niet aangevoerd dat en waarom de gemaakte vormvrije mer-beoordeling onjuist is. Hetgeen de Stichting heeft aangevoerd geeft daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet van de juistheid van deze vormvrije mer-beoordeling heeft kunnen uitgaan. De raad heeft zich, gezien de conclusie, terecht op het standpunt gesteld dat geen mer-beoordeling en geen milieueffectrapport behoefden te worden gemaakt.

    Het betoog faalt.

Herhalen en inlassen zienswijze    

16.    De Stichting heeft zich in haar beroepschrift voor het overige beperkt tot het herhalen en inlassen van de zienswijze. In de bij de bestreden besluiten behorende zienswijzennota is ingegaan op deze zienswijze. De Stichting heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie en proceskosten

17.    Het beroep van de Stichting is ongegrond.

18.    Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van de Stichting bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.S.D. Ramrattansing, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2020

408.

 

BIJLAGE

 

Verordening ruimte

Artikel 5 Natuur Netwerk Brabant

Artikel 5.1 Bescherming Natuur Netwerk Brabant

1. Een bestemmingsplan gelegen in het Natuur Netwerk Brabant:

a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden;

b. stelt regels ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en houdt daarbij rekening met de overige aanwezige waarden en kenmerken, waaronder de cultuurhistorische waarden en kenmerken;

c. bepaalt dat zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd, de bestaande bebouwing en de bestaande planologische gebruiksactiviteit zijn toegelaten.

2. Als ecologische waarden en kenmerken als bedoeld in het eerste lid gelden de natuurbeheertypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan.

3. In afwijking van artikel 3.1, tweede lid onder a (verbod nieuwvestiging), kan een bestemmingsplan bepalen dat het oprichten van kleinschalige bebouwing en bouwwerken ten behoeve van de natuurbestemming als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, of het recreatieve medegebruik daarvan, zijn toegestaan, mits dit geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant.

4. In afwijking van artikel 3.1, tweede lid onder a (verbod nieuwvestiging), kan een bestemmingsplan bepalen dat nieuwvestiging is toegestaan, mits:

a. het een deel van het Natuur Netwerk Brabant betreft dat door bestaand stedelijk gebied loopt als bedoeld in artikel 4, en

b. de nieuwvestiging geen aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant of als de nieuwvestiging wel een aantasting van waarden geeft er voldaan wordt aan de vereisten uit artikel 5.3, artikel 5.4 of artikel 5.5.

5. Artikel 3.3, tweede lid (nieuwvestiging), is niet van toepassing.

6. In afwijking van het eerste lid, onder c, stelt de gemeenteraad binnen negen maanden een bestemmingsplan vast waarbij een natuurbestemming wordt aangewezen als de inrichting en het beheer voor natuurdoeleinden zijn verzekerd op grond van een verplichting van Gedeputeerde Staten of van een waterschapsbestuur.

7. Een bestemmingsplan dat is gelegen buiten het Natuur Netwerk Brabant en leidt tot een aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Brabant anders dan door de verspreiding van stoffen in lucht of water, strekt ertoe dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd overeenkomstig artikel 5.6 (compensatieregels).

Artikel 5.4 Wijziging van de begrenzing op verzoek met toepassing van de saldobenadering

1. Gedeputeerde Staten kunnen de begrenzing van het Natuur Netwerk Brabant op verzoek van de gemeente wijzigen in geval van een ruimtelijke ontwikkeling door toepassing van de saldobenadering.

2. Onder de saldobenadering bedoeld in het eerste lid wordt verstaan een combinatie van onderling samenhangende plannen, projecten of handelingen waarvan één of enkele afzonderlijk een negatief effect hebben op het Natuur Netwerk Brabant, maar waarvan de gecombineerde uitvoering leidt tot een verbetering van de kwaliteit of kwantiteit van het Natuur Netwerk Brabant als geheel.

3. Een verzoek om wijziging van de begrenzing, als bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een bestemmingsplan waarin een ruimtelijke visie is opgenomen op een gebied waarvan een wezenlijk deel behoort tot het Natuur Netwerk Brabant en waarbij ruimtelijke ontwikkelingen in samenhang worden bezien om een grotere kwaliteitswinst voor meerdere ruimtelijke functies, waaronder de natuur, te bereiken.

4. Een ruimtelijke visie op een gebied als bedoeld in het derde lid beschrijft in ieder geval:

a. de omvang van het gebied waarop de ruimtelijke visie betrekking heeft;

b. de doelen van de ruimtelijke visie, in het bijzonder wat betreft de verbetering van de kwaliteit en kwantiteit van het Natuur Netwerk Brabant waardoor een beter functioneren van het Natuur Netwerk Brabant ontstaat;

c. op welke wijze wordt voldaan aan de regels inzake het compenseren van verlies van ecologische waarden en kenmerken, bedoeld in artikel 5.6 (compensatieregels);

d. op welke wijze de uitvoering van de ruimtelijke visie is verzekerd.

[…].

Artikel 5.6 Compensatie

1. De op grond van de verordening verplichte compensatie vindt, naar keuze, plaats door:

a. fysieke compensatie, overeenkomstig artikel 5.7;

b. financiële compensatie, overeenkomstig artikel 5.8.

2. De omvang van de compensatie wordt bepaald door de omvang van het vernietigde of verstoorde areaal en de ontwikkeltijd van de aangetaste natuur, conform de volgende indeling:

a. natuur met een ontwikkeltijd van 5 jaar of minder: geen toeslag;

b. tussen 5 en 25 jaar te ontwikkelen natuur: toeslag van 1/3 in oppervlak;

c. tussen 25 en 100 jaar te ontwikkelen natuur: toeslag van 2/3 in oppervlak;

d. bij een ontwikkelingsduur van meer dan 100 jaar: de toeslag in oppervlak en de gekapitaliseerde kosten van het ontwikkelingsbeheer is maatwerk;

e. bij verstoring van natuur: maatwerk.

Artikel 5.7 Aanvullende regels voor fysieke compensatie

1. De fysieke compensatie vindt plaats in:

a. de niet gerealiseerde delen van het Natuur Netwerk Brabant;

b. de niet gerealiseerde ecologische verbindingszones.

2. In afwijking van het eerste lid kan fysieke compensatie ook plaatsvinden in, aansluitend op of nabij het aangetaste gebied indien een wijziging van de begrenzing plaatsvindt met toepassing van de saldobenadering als bedoeld in artikel 5.4.

3. Een bestemmingsplan als bedoeld in de artikel 5.1, zesde lid, artikel 5.3, tweede lid, artikel 5.4, tweede lid en artikel 5.5, tweede lid, borgt de uitvoering van de compensatie;

4. De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het derde lid bevat een verantwoording over:

a. de omvang van het netto verlies aan ecologische waarden en kenmerken en op welke locatie dat optreedt;

b. de locatie waar en de wijze waarop het netto verlies, genoemd onder a, wordt gecompenseerd;

c. de kwaliteit en kwantiteit van de compensatie;

d. de termijn van uitvoering;

e. de inhoud en realisatie van de voorgenomen mitigerende en compenserende maatregelen;

f. het reguliere- en ontwikkelingsbeheer.

5. De uitvoering van de fysieke compensatie wordt binnen drie jaar na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan als bedoeld in het derde lid afgerond.

6. In aanvulling op het vijfde lid, wordt indien sprake is van een aantasting van bedreigde soorten of hun leefgebied, de uitvoering van de compensatie in ieder geval afgerond op het moment dat de aantasting daadwerkelijk start.

7. In afwijking van het vijfde lid, kan indien er sprake is van een omvangrijke en zware compensatieverplichting, de uitvoering van de compensatie een termijn van maximaal tien jaar bedragen, gerekend vanaf het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan.

Artikel 11 Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone

Artikel 11.1 Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone

1. In aanvulling op hoofdstuk 3 'Structuren' strekt een bestemmingsplan ter plaatse van de aanduiding 'Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone' tot de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone met een breedte van:

a. ten minste 50 m in bestaand stedelijk gebied en zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling;

b. ten minste 25 m in alle overige gebieden.

2. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid, stelt regels voor zover dat nodig is om te voorkomen dat het gebied minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone, waarbij in ieder geval:

a. beperkingen worden gesteld aan stedelijke, agrarische en recreatieve ontwikkelingen, in het bijzonder wat betreft de daarmee verband houdende bebouwing;

b. regels ten aanzien van het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m2, anders dan een bouwwerk.

3. Na realisatie van de ecologische verbindingszone is artikel 5.1 (bescherming NNB) van overeenkomstige toepassing.

Artikel 38 Bevoegdheden van Gedeputeerde Staten

38.4 Algemene wijzigingsbevoegdheid

1. Onverlet het bepaalde in deze verordening kunnen Gedeputeerde Staten de regels van deze verordening wijzigen in het geval dat:

a. er sprake is van een kennelijke onvolkomenheid of onduidelijkheid in de tekst, mits dit geen beleidsinhoudelijke wijziging ten gevolge heeft;

b. er strijdigheid bestaat met een wet, een algemene maatregel van bestuur of anderszins een wettelijke maatregel.

2. Onverlet het bepaalde in deze verordening kunnen Gedeputeerde Staten de begrenzing van de bij of krachtens deze verordening aangewezen gebieden (structuren) en aanduidingen wijzigen in het geval dat:

a. er sprake is van kennelijke onjuistheden in de begrenzing;

b. er strijdigheid bestaat met een wet, een algemene maatregel van bestuur of anderszins een wettelijke maatregel;

c. de begrenzing van een gebied of aanduiding niet (langer) in overeenstemming is met een bestemmingsplan dat overeenkomstig artikel 3.8, derde lid, van de wet is bekendgemaakt;

d. dit nodig is vanwege een verzoek tot wijziging van een bepaald gebied of aanduiding op grond van deze verordening.

Provinciale Milieuverordening Noord Brabant

Artikel 4.4.4

1. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de in artikel 4.4.2, eerste lid, en artikel 4.4.3, eerste lid, gestelde verboden indien het belang, dat de gesloten of voormalige stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, zich daartegen niet verzet.

2. Aan een ontheffing worden in ieder geval voorschriften verbonden die tot doel hebben:

a. de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen;

b. aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen;

c. te voorkomen dat de uitvoering van de nazorg anderszins wordt belemmerd.

3. Op de voorbereiding van een beschikking op een aanvraag om ontheffing, dan wel tot wijziging of intrekking van een ontheffing is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.

4. Het derde lid is niet van toepassing voor zover het betreft:

a. een ondergeschikte wijziging van een verleende ontheffing als bedoeld in artikel 4.4.9; of

b. een nadere uitwerking van een verleende ontheffing als bedoeld in artikel 4.4.10.

Planregels bestemmingsplan

Artikel 3 Bedrijventerrein

Lid 3.1

De voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

(…)

m. ontsluitings- en toegangswegen, fiets- en en voetpaden;

(…)

Lid 3.2.1

(…)

m. ondergronds bouwen ten behoeve van gebouwen is toegestaan, mits door middel van een onderzoek is aangetoond dit geen invloed heeft op de waterhuishouding of bodemgesteldheid in het gebied en dat dit niet betreft het gebied met de aanduiding 'overige zone-voormalige vuilstort' en 'overige zone-hydrologie'.

Lid 3.4

Naast het bepaalde in dit artikel gelden voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde alsmede het gebruik ervan en voor het gebruik van gronden de volgende regels:

(…)

b. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone-voormalige vuilstort' gelden tevens de regels zoals opgenomen in artikel 13.2;

c. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone-hydrologie' gelden tevens de regels zoals opgenomen in artikel 13.3.

Lid 3.7

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt ten minste verstaan het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor:

(…)

k. het maken of behouden van werken ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - voormalige vuilstort' zonder dat een melding is verricht zoals bedoeld in artikel 4.4.10 van de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant 2010. Indien deze verordening gedurende de planperiode wordt gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging;

Lid 3.8 Voorwaardelijke verplichting natuurcompensatie

a. binnen 3 jaar na het onherroepelijk worden van dit Chw bestemmingsplan dient de natuurcompensatie, zoals opgenomen in bijlage 3 bij deze regels, gerealiseerd te zijn;

b. deze natuurcompensatie dient duurzaam te worden beheerd en in stand te worden gehouden;

c. het gebruiken en (doen) laten gebruiken van de ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijventerrein-voorwaardelijke verplichting" aangewezen gronden en bouwwerken is alleen toegestaan wanneer wordt voldaan aan het bepaalde onder a en b.

Artikel 13 Algemene aanduidingsregels

Lid 13.2 Overige zone - voormalige vuilstort

13.2.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding "overige zone-voormalige vuilstort" zijn de in dit artikel opgenomen regels van toepassing vanwege de aanwezigheid van een voormalige vuilstort.

13.2.2 Algemene regels

Op de voor "overige zone-voormalige vuilstort" aangewezen gronden gelden voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde en het uitvoeren van werken en werkzaamheden de volgende regels:

a. er moet worden voldaan aan het Raamhergebruiksplan herinrichting vml. stortplaats Automotive Campus Helmond (Anteagroup, projectnr. 270881, 31 maart 2015, revisie 03) en aan de voorwaarden in de 'Ontheffing gebruik voormalige stortplaats' die op basis van het raamhergebruiksplan door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant is afgegeven (besluit van GS, 09-05-2016) die als bijlage bij de regels zijn opgenomen. Indien dit raamhergebruiksplan en/of de ontheffing van Gedeputeerde Staten gedurende de planperiode worden gewijzigd, wordt rekening gehouden met de wijziging;

b. de houder van de onder punt a bedoelde ontheffing zorgt - indien het belang van de bescherming van de nazorgvoorzieningen van de voormalige stortplaats dat vereist - voor de monitoring van de grondwaterkwaliteit en zo nodig voor het treffen van beheersmaatregelen. In dat verband kan het noodzakelijk zijn ter plaatse grondwateronttrekkingsmiddelen (bijvoorbeeld peilbuizen of drainage) op of in de bodem aan te brengen. De eigenaren staan het aanbrengen, het aanwezig zijn, het onderhoud, het gebruik en het verwijderen van grondwateronttrekkingsmiddelen toe;

c. het hemelwater van daken dient buiten de aanduiding 'overige zone-voormalige vuilstort' te worden geïnfiltreerd.

13.2.3 Bouwregels

Op de voor "overige zone-voormalige vuilstort" aangewezen gronden gelden voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde de volgende regels:

a. bij gebruik van paalfundering mogen alleen grondverdringende funderingspalen zonder verbrede voet worden toegepast;

b. het is verboden kruipruimtes en kelders aan te leggen, tenzij deze worden voorzien van een gasdichte ondervloer. De onderkant van de keldervloer bevindt zich niet dieper dan 14,7 m+NAP.

13.2.4 Meldingsplicht

Het is verboden te beginnen met het uitvoeren van een bouwwerk, werk of van werkzaamheden, zonder dit tenminste twee weken daarvoor te melden bij het college van burgemeester en wethouders.

a. Een melding als bedoeld in lid a wordt ondertekend en bevat tenminste:

1. Aard en omvang van het werk en/of van werkzaamheden die zullen worden verricht.

2. De aanduiding, inclusief de begrenzing, van de locatie waar het werk en/of werkzaamheden zullen worden verricht;

3. De naam en het adres van degene die het werk en/of werkzaamheden gaat verrichten en de dagtekening;

4. Een onderbouwing indien een beroep wordt gedaan op een van de uitzonderingen van de vergunningplicht zoals opgenomen in 13.2.5.3.

13.2.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

13.2.5.1 Vergunningplicht

Het is op of in deze gronden verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning aanlegactiviteit de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

a. het ontgronden, afgraven, egaliseren, diepploegen en ophogen van gronden;

b. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden en andere oppervlakteverhardingen;

c. het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen;

d. het gebruiken, storten en opslaan van meststoffen, bestrijdingsmiddelen, verontreinigde grond en/of schadelijke stoffen;

e. het aanleggen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;

f. werken en werkzaamheden die een verandering van de waterhuishouding of het grondwaterpeil tot gevolg kunnen hebben, zoals drainage, (onder)bemaling, onttrekken van grondwater;

g. het aanbrengen van verhardingen;

h. het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe ook gerekend wordt het aanleggen van drainage, diepwoelen, mengen van grond, diepploegen, boren en ontginnen.

13.2.5.2 Weigeringsgrond

De genoemde werken en/of werkzaamheden zijn slechts toelaatbaar, indien en voor zover:

a. de nazorg van de voormalige stortplaats voldoende is beschermd;

b. wordt voldaan aan het Raamhergebruiksplan herinrichting vml. stortplaats Automotive Campus Helmond (Anteagroup, projectnr. 270881, 31 maart 2015, revisie 03) en aan de voorwaarden in de 'Ontheffing gebruik voormalige stortplaats' die op basis van het raamhergebruiksplan door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant is afgegeven (besluit van GS, 09-05-2016) die als bijlage bij de regels zijn opgenomen.

13.2.5.3 Uitzondering

Er is geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden nodig voor:

a. het onttrekken van grondwater indien is aangetoond dat de onttrekking geen invloed heeft op de grondwaterstroming door het stort;

b. graafwerkzaamheden dieper dan 17,4 m+NAP en niet dieper dan 14,7 m+NAP, mits:

1. uitkomend stortmateriaal en grond uit de deklaag worden gescheiden van elkaar ontgraven;

2. het vrijkomende stortmateriaal wordt afgevoerd naar een erkende verwerker;

3. de ontgraving vindt plaats door een aannemer die is erkend conform SIKB BRL 7000 en onder milieukundige begeleiding conform SIKB BRL 6000.

c. graafwerkzaamheden op definitief afgewerkte/ingerichte terreinen:

1. in cunetten: van rioleringen, kabels, leidingen en buizen, mits de ontgravingsdiepte niet verder reikt dan de onderzijde van de riolering/kabels/leidingen/buizen;

2. in overige gebieden mits de ontgravingsdiepte niet verder reikt dan: 17,4 m+NAP;

d. werkzaamheden voor de cunetten van rioleringen en kabel- en leidingstroken in het openbare gebied, mits deze vrij zijn van stortmateriaal tot minimaal 0,2 meter beneden onderzijde riool/kabels/leidingen.

13.2.6 Voorrangsbepaling

In het geval van strijdigheid van bepalingen gaan de bepalingen van dit artikel vóór de bepalingen die op grond van andere artikelen voor desbetreffende gronden van toepassing zijn.

Lid 13.3 Overige zone - hydrologie

13.3.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding "overige zone-hydrologie" zijn de in dit artikel opgenomen regels van toepassing vanwege de aanwezigheid van een hydrologisch aandachtsgebied: het ten westen van het plangebied gelegen Coovels Bos.

13.3.2 Algemene regels

Op de voor "overige zone-hydrologie" aangewezen gronden gelden voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde en het uitvoeren van werken en werkzaamheden de volgende regels:

a. kabels en leidingen mogen niet dieper dan 15,5 m+NAP worden aangebracht om doorsnijding van de eerste leemlaag te voorkomen. Indien deze dieper worden aangebracht, moet door onderzoek worden geverifieerd dat de eerste leemlaag niet wordt doorsneden;

b. Graafwerkzaamheden mogen niet dieper dan 15,5 m+NAP plaatsvinden om doorsnijding van de eerste leemlaag te voorkomen. Indien de graafwerkzaamheden dieper plaatsvinden, moet door onderzoek worden geverifieerd dat de eerste leemlaag niet wordt doorsneden;

c. het hemelwater van daken dient binnen de aanduiding "overige zone - hydrologie" geinfiltreerd te worden.

13.3.3 Bouwregels

Op de voor "overige zone-hydrologie" aangewezen gronden gelden voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde de volgende regels:

a. gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde mogen alleen worden gebouwd mits is aangetoond dat dit geen invloed heeft op de hydrologie, dit is in ieder geval zo bij het gebruik van grondverdringende funderingspalen zonder verbrede voet;

b. kruipruimtes en kelders mogen niet dieper dan 15,5 m+NAP worden aangelegd om doorsnijding van de eerste leemlaag te voorkomen. Indien deze dieper worden aangelegd, moet door onderzoek worden geverifieerd dat de eerste leemlaag niet wordt doorsneden.

13.3.4 Voorrangsbepaling

In het geval van strijdigheid van bepalingen gaan de bepalingen van dit artikel vóór de bepalingen die op grond van andere artikelen voor desbetreffende gronden van toepassing zijn.

Exploitatieplan

Artikel 4

Eisen voor de werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van het uitgeefbaar gebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en de inrichting van de openbare ruimte

4.1. Het bouwrijp maken van het uitgeefbaar gebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en de inrichting van de openbare ruimte vindt plaats volgens de eisen als opgenomen in: a. de kwaliteitsomschrijving, en

b. voor zover het bouwrijp maken van het uitgeefbaar gebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en de inrichting van de openbare ruimte plaatsvindt binnen de zone voormalige vuilstort, de aanvulling kwaliteitsomschrijving-zone voormalige vuilstort, en

c. voor zover het bouwrijp maken van het uitgeefbaar gebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en de inrichting van de openbare ruimte plaatsvindt binnen de zone hydrologie, de aanvulling kwaliteitsomschrijving-zone hydrologie, en overeenkomstig het in artikel 5 bedoelde bestek waarmee door burgemeester en wethouders ingevolge artikel 5.1 is ingestemd.

Artikel 5

Bestekken

5.1. Voor de uitvoering van werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van uitgeefbaar gebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en de inrichting van de openbare ruimte wordt een bestek opgesteld, dat ter schriftelijke instemming aan burgemeester en wethouders dient te worden voorgelegd. Een bestek dient te voldoen aan de eisen die daartoe zijn opgenomen in:

a. de kwaliteitsomschrijving en

b. voor zover het bouwrijp maken van het uitgeefbaar gebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en de inrichting van de openbare ruimte plaatsvindt binnen de zone voormalige vuilstort, de aanvulling kwaliteitsomschrijving-zone voormalige vuilstort, en

c. voor zover het bouwrijp maken van het uitgeefbaar gebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en de inrichting van de openbare ruimte plaatsvindt binnen de zone hydrologie, de aanvulling kwaliteitsomschrijving-zone hydrologie.

Een bestek dient ten minste de omvang te hebben van het schaalniveau van:

a. het ontwikkelveld waarbinnen de voorgenomen uitvoering van het bouwrijp maken van uitgeefbaar gebied is voorzien, en

b. het deelgebied openbare ruimte waarbinnen de voorgenomen aanleg van nutsvoorzieningen en/of de inrichting van de openbare ruimte is voorzien.

5.2. De instemming met een bestek wordt geweigerd, indien:

a. het bestek in strijd is met de kwaliteitsomschrijving, en/of de aanvulling kwaliteitsomschrijvingzone voormalige vuilstort en/of de aanvulling kwaliteitsomschrijving-zone hydrologie;

b. het bestek niet voldoet aan het in artikel 5.1 omschreven schaalniveau;

c. voor zover het bestek betrekking heeft op werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van uitgeefbaar gebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en de inrichting van de openbare ruimte binnen de zone voormalige vuilstort en voor die werken en werkzaamheden een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 13.2.5.1 van de regels van het bestemmingsplan is vereist, het bestek in strijd is met de verleende omgevingsvergunning.

5.3. Het is verboden te starten met de aanleg van de in artikel 5.1 bedoelde werken en werkzaamheden voordat de instemming op het bestek als bedoeld in artikel 5.1 heeft plaatsgevonden.

5.4. Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na ontvangst van het in artikel 5.1 bedoelde bestek of met het bestek wordt ingestemd. Zij kunnen de in de vorige volzin bedoelde termijn eenmaal verlengen met acht weken.