Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2992

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2020
Datum publicatie
16-12-2020
Zaaknummer
202001508/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2020:1491, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 januari 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eijsden-Margraten de persoonslijst van [appellant] opgeschort per 8 november 2018 wegens vertrek naar een onbekend land. Nadat [appellant] het college bij e-mailbericht van 7 oktober 2018 heeft meegedeeld dat hij per 28 september 2018 niet meer woonachtig is op het adres [locatie 1] in Cadier en Keer, heeft het college hem in een brief van 12 oktober 2018 en een e-mailbericht van dezelfde datum gevraagd om binnen één week na dagtekening van de bief door te geven wat het nieuwe woonadres was. Toen op dat verzoek geen reactie volgde, heeft een gemeentelijke toezichthouder op 7 november 2018 een controle uitgevoerd op het adres [locatie 1] in Cadier en Keer en daarbij vastgesteld dat [appellant] niet langer op dat adres woonde. Vervolgens heeft het college [appellant] bij brief van 8 november 2018 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om zijn adresgegevens als onbekend op te nemen in de brp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202001508/1/A3.

Datum uitspraak: 16 december 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te [woonplaats], (hierna in enkelvoud: [appellant])

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 20 februari 2020 in zaak nrs. 19/3260 en 19/3264 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Eijsden-Margraten.

Procesverloop

Bij besluit van 2 januari 2019 heeft het college de persoonslijst van [appellant] opgeschort per 8 november 2018 wegens vertrek naar een onbekend land.

Bij besluiten van 27 maart 2019 en 28 maart 2019 heeft het college het verzoek van [appellant] tot inschrijving in de basisregistratie personen (hierna: de brp) op een briefadres afgewezen.

Bij besluit van 31 oktober 2019 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 2 januari 2019 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij afzonderlijk besluit van 31 oktober 2019 heeft het college het bezwaar van [appellant] tegen de besluiten van 27 maart 2019 en 28 maart 2019 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 februari 2020 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door [appellant] tegen de besluiten van 31 oktober 2019 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 oktober 2020. [appellant], bijgestaan door mr. J.B.G. Gelissen, advocaat te Sittard, en het college, vertegenwoordigd door mr. N.A. Rijsterborgh, advocaat te Maastricht, hebben per videoverbinding aan de zitting deelgenomen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Nadat [appellant] het college bij e-mailbericht van 7 oktober 2018 heeft meegedeeld dat hij per 28 september 2018 niet meer woonachtig is op het adres [locatie 1] in Cadier en Keer, heeft het college hem in een brief van 12 oktober 2018 en een e-mailbericht van dezelfde datum gevraagd om binnen één week na dagtekening van de bief door te geven wat het nieuwe woonadres was. Toen op dat verzoek geen reactie volgde, heeft een gemeentelijke toezichthouder op 7 november 2018 een controle uitgevoerd op het adres [locatie 1] in Cadier en Keer en daarbij vastgesteld dat [appellant] niet langer op dat adres woonde. Vervolgens heeft het college [appellant] bij brief van 8 november 2018 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om zijn adresgegevens als onbekend op te nemen in de brp. Deze brief is verstuurd naar het laatst bekende adres van [appellant], te weten [locatie 1] in Cadier en Keer en is gepubliceerd in twee huis-aan-huisbladen en het gemeenteblad. Omdat op dit voornemen niet is gereageerd, heeft het college [appellant] in het besluit van 2 januari 2019 uitgeschreven uit de brp. Ook dit besluit is verzonden naar het adres [locatie 1] in Cadier en Keer.

    Het tegen het besluit van 2 januari 2019 door [appellant] gemaakte bezwaar is bij besluit van 31 oktober 2019 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet binnen de daarvoor gestelde termijn is ingediend en de termijnoverschrijding volgens het college niet verschoonbaar is.

    Bij besluiten van 27 maart 2019 en 28 maart 2019, welke besluiten bij besluit van 31 oktober 2019 in stand zijn gelaten, heeft het college het verzoek van [appellant] tot inschrijving op een briefadres afgewezen. Het heeft daaraan ten grondslag gelegd dat een inschrijving op een briefadres wordt geweigerd als de aanvrager een woonadres heeft en dat uit het formulier waarmee het briefadres is aangevraagd, blijkt dat [appellant] woont dan wel verblijft op het adres [locatie 2] te Brunssum.

De aangevallen uitspraak

2.    In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bezwaar tegen het besluit van 2 januari 2019 niet verschoonbaar te laat is ingediend. Volgens de rechtbank is het besluit op de juiste wijze bekendgemaakt en was het college niet verplicht dit besluit ook te verzenden naar het emailadres van [appellant]. Evenmin was het college gehouden dit besluit toe te zenden aan mr. Borger, omdat niet bekend was dat hij als gemachtigde van [appellant] in deze kwestie optrad.

    De rechtbank heeft verder overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant] ten tijde van het aanvragen van het briefadres woonde op het adres [locatie 2] te Brunssum en de aanvraag om die reden heeft kunnen afwijzen.

Partijen

3.    Anders dan het college ter zitting van de Afdeling heeft aangevoerd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het hoger beroep voor zover dat is ingesteld door [appellant A] niet-ontvankelijk is. Tegen de uitspraak van de rechtbank is op 28 februari 2020 digitaal hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, waarna het hoger beroep is doorgezonden naar de Afdeling. Op het digitale formulier zijn de voorletters en achternaam van [appellant B] en de achternaam van zijn partner, [appellant A], opgenomen. Voorts is opgenomen: "Ik dien op verzoek van mijn nieuwe advocaten al pro forma deze zaak in. De nieuwe advocaten zullen de gronden nader onderbouwen echter ik voorkom verjaring van de termijn van 6 weken hiermee." Onder deze omstandigheden en nu in bezwaar en beroep steeds is geprocedeerd door [appellant A] en [appellant B] is ook [appellant B] ontvankelijk in haar hoger beroep. 

Artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht

4.    [appellant] betoogt tevergeefs dat de uitspraak van de rechtbank in strijd is met artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) omdat daarin niet uitdrukkelijk is ingegaan op zijn verwijzing naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 31 mei 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:6656). Daargelaten dat de voorzieningenrechter van de rechtbank in die uitspraak inhoudelijk is ingegaan op het aan haar voorgelegde geschil over de uitschrijving uit de brp, terwijl in dit geval het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard en de rechtbank niet aan de inhoud van de zaak is toegekomen, geldt dat de rechtbank niet is gehouden om, indien zij oordeelt dat een beroepsgrond faalt, ieder in het kader van deze beroepsgrond aangevoerd argument gemotiveerd te weerleggen.

De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de uitschrijving

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bezwaar tegen het besluit van 2 januari 2019 verschoonbaar te laat is ingediend. Hij voert aan dat het besluit ten onrechte alleen is verzonden naar het adres [locatie 1] in Cadier en Keer, terwijl het college wist dat hij daar niet meer woonde. Volgens hem had het college kunnen weten dat [appellant] niet tijdig op de hoogte zou zijn van het besluit en moest het besluit daarom ook naar hem worden gemaild. Bovendien had het naar één van zijn gemachtigden, mr. Borger, moeten worden gestuurd, aldus [appellant].

5.1.    In artikel 2:1, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een ieder zich in het verkeer met bestuursorganen ter behartiging van zijn belangen kan laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Ingevolge artikel 3:40 van de Awb treedt een besluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen geschiedt.

    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2643), vloeit uit artikel 2:1, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (PG Awb I, p. 167), voort dat het optreden van een gemachtigde tot gevolg heeft dat het contact met een belanghebbende in beginsel via die gemachtigde verloopt en dat, indien een besluit aan de bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde wordt toegezonden, de bekendmaking op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden. Hiervoor is niet van belang of het besluit daarnaast ook aan de belanghebbende zelf is gestuurd.

5.2.    In het e-mailbericht van 7 oktober 2018 waarmee [appellant] aankondigt dat hij het adres [locatie 1]te Cadier en Keer zal verlaten, is opgenomen: "Wij hebben mr. Raymond Borger als onze advocaat waar U indien nodig contact mee kan opnemen. Mr. Borger TDH advocaten Maastricht tel 0647880788 of per mail borger@tdhadvocaten.nl te bereiken." Onder aan de mail staat "Indien u vragen heeft u kan altijd ons bellen en/of contact leggen met onze advocaat mr. Borger."

    Het college heeft naar aanleiding van deze mededeling een onderzoek verricht naar het woonadres van [appellant], maar het vervolgens op 2 januari 2019 genomen besluit is alleen naar het adres aan de Limburgerstraat gestuurd. Uit het e-mailbericht van 7 oktober 2018 had het college echter moeten begrijpen dat mr. Borger als gemachtigde van [appellant] optrad en daarom had het besluit ingevolge artikel 2:1 van de Awb gelezen in verbinding met artikel 6:11 van die wet ook aan hem moeten worden toegezonden. Nu dat niet is gedaan, is het besluit van 2 januari 2019 niet op de juiste wijze bekend gemaakt. Pas op 25 februari 2019 is een exemplaar van het besluit van 2 januari 2019 als bijlage bij een ander besluit per e-mailbericht aan mr. Borger gestuurd, zodat het op die datum alsnog bekend is gemaakt. Vervolgens heeft [appellant] op 27 maart 2019 en dus binnen zes weken bezwaar tegen het besluit van 2 januari 2019. Gelet hierop is tijdig bezwaar aangetekend en heeft het college dat bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

    Het betoog slaagt.

De afwijzing van het verzoek om een briefadres

6.    [appellant] beschikt sinds 9 april 2019 over een briefadres in Maastricht. Desondanks heeft hij wel belang bij een oordeel op zijn hoger beroep. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:920) bestaat belang bij een beoordeling van het hoger beroep als een appellant stelt schade te hebben geleden en hij tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat hij de schade daadwerkelijk en als gevolg van het door hem bestreden besluit heeft geleden.

    In dit geval heeft [appellant] op de zitting van de Afdeling verklaard dat hij in de periode tussen de uitschrijving uit de brp en 9 april 2019 geen gebruik heeft kunnen maken van sociale voorzieningen en dat zowel zijn verzekeraar als de verstrekker van zijn persoonsgebonden budget in die periode verstrekte bedragen kunnen terugvorderen. Hiermee is tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat [appellant] schade heeft geleden als gevolg van het besluit van het college om geen briefadres van [appellant] op te nemen in de brp nu hij hierdoor langer als 'onbekend' is geregistreerd in de brp.

7.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zijn aanvraag om een briefadres heeft mogen afwijzen. Hij voert aan dat hem niet kan worden verweten dat hij op het aanvraagformulier waarmee het briefadres is aangevraagd, heeft aangegeven dat hij woont of verblijft op het adres [locatie 2] in Brunssum. Dit adres is van een recreatiepark waar [appellant] op dat moment verbleef, hetgeen impliceert dat het om een tijdelijk verblijf ging. Bovendien is nergens uit gebleken dat [appellant] gedurende drie maanden minstens twee derde van de tijd zou overnachten op dat adres. Het college had daarom volgens hem niet mogen concluderen dat hij reeds over een woonadres beschikte en had bij twijfel contact moeten opnemen.

7.1.    Artikel 1.1 van de Wet basisregistratie personen luidt:

"In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. [..]

o het woonadres:

1º het adres waar betrokkene woont, waaronder begrepen het adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand- of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;

2º het adres waar, bij het ontbreken van een adres als bedoeld onder 1, betrokkene naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derde van de tijd zal overnachten;

p. het briefadres: het adres waar voor betrokkene bestemde geschriften in ontvangst worden genomen;

q. […]"

Artikel 2.23 luidt:

"1. Indien het woonadres ontbreekt dan wel artikel 2.40 of artikel 2.41 van toepassing is, wordt op aangifte een briefadres opgenomen.

2. […]"

7.2.    Op het "aangifteformulier voor inschrijving op een briefadres in de BRP" is als derde vraag opgenomen: "Waar woont of verblijft u nu?" [appellant] heeft bij deze vraag het adres [locatie 2] in Brunssum ingevuld, zonder te vermelden dat dat een tijdelijk adres is. Ook in de zienswijze van [appellant] naar aanleiding van het voornemen van het college om een briefadres te weigeren is dat niet aangegeven. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college er onder die omstandigheden van uit kon gaan dat [appellant] gedurende drie maanden minstens twee derde van de tijd zou overnachten op het vermelde adres en dat daarom ingevolge artikel 2.23 van de Wet basisregistratie personen geen recht bestond op een briefadres. Daarbij is van belang dat [appellant] op het moment dat hij het aangifteformulier invulde geen ander adres had zodat zijn verblijf op het vermelde adres in zoverre geen overbrugging was tussen twee woonadressen Ter zitting van de Afdeling heeft [appellant] verklaard dat hij steeds op vakantieparken woonde waarbij hij telkens de maximale duur van drie weken in een huisje verbleef. Onder die omstandigheden dient dat adres, hoewel van tijdelijke aard, als woonadres te worden aangemerkt zodat geen recht bestond op een briefadres. De rechtbank is terecht tot diezelfde conclusie gekomen.

    Het betoog faalt. 

Conclusie

8.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank het beroep in zaak nr. 19/3260 ongegrond heeft verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 31 oktober 2019 waarin het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 2 januari 2019 niet-ontvankelijk is verklaard alsnog gegrond verklaren. Het bedoelde besluit van 31 oktober 2019 komt voor vernietiging in aanmerking. Het hoger beroep is voor het overige ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd voor het overige.

9.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 20 februari 2020, voor zover de rechtbank het beroep in zaak nr. 19/3260 ongegrond heeft verklaard;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zaak nr. 19/3260 gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Eijsden-Margraten van 31 oktober 2019, kenmerk Z/19/101445/383613;

V.    bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, voor het overige;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Eijsden-Margraten tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.575,00 (zegge: vijftienhonderdvijfenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van de betrokkenen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Eijsden-Margraten aan [appellant A] en [appellant B] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 439,00 (zegge: vierhonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van de betrokkenen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Duifhuizen, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2020

724.