Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:299

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-01-2020
Datum publicatie
29-01-2020
Zaaknummer
201807314/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juli 2018 heeft de raad van de gemeente Goeree-Overflakkee het bestemmingsplan "Hazersweg 25, Ouddorp" vastgesteld. Het bestemmingsplan "Hazersweg 25, Ouddorp" maakt de herontwikkeling van het perceel mogelijk. Volgens de plantoelichting worden de woonboerderij en het wagenhuis gerestaureerd. Op de locatie van het wagenhuis voorziet het plan door middel van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - voormalig agrarisch bedrijf" in meerdere functies, zoals een bed and breakfast. Op de plek waar de schuur staat, worden zes appartementen voor senioren in de vorm van de ter plaatse thans aanwezige, maar te slopen schuur gerealiseerd. Het plan voorziet verder in de realisatie van zes grondgebonden woningen aan de zuidoostzijde van het perceel. Het plan voorziet verder in zes twee-onder-een kapwoningen of vrijstaande woningen langs de Havenweg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201807314/1/R3.

Datum uitspraak: 29 januari 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Ouddorp, gemeente Goeree-Overflakkee

en

de raad van de gemeente Goeree-Overflakkee,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Hazersweg 25, Ouddorp" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

WoonWens Wonen B.V. heeft gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid een schriftelijke uiteenzetting te geven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 november 2019, waar [appellant] en anderen, van wie [appellant], [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. M.J.E. Boudesteijn, advocaat te Rotterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. B. de Kuijper, zijn verschenen. Voorts is ter zitting WoonWens Wonen B.V., vertegenwoordigd door [appellant C], bijgestaan door mr. R.C. van Wamel, advocaat te Bergen op Zoom, gehoord.

Overwegingen

    Inleiding

1.    Op het perceel Hazersweg 25 te Ouddorp staat een voormalig boerderijcomplex. Dit complex omvat een woonboerderij met wagenhuis en een schuur. Het perceel heeft een totale oppervlakte van ongeveer 8.510 m². WoonWens Wonen B.V. wil het perceel herontwikkelen als een woningbouwlocatie.

    Uit het door het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee opgestelde raadsvoorstel voor de vaststelling van dit plan blijkt het volgende. Sinds 2008 is het perceel in eigendom van een ontwikkelaar. Het voormalige boerderijcomplex verkeert in een slechte staat doordat er geen onderhoud is gepleegd. Hoewel de afgelopen jaren diverse plannen zijn voorgelegd om de herontwikkeling mogelijk te maken, zijn deze plannen niet tot ontwikkeling gekomen. Redenen hiervoor zijn geweest een financieel niet uitvoerbaar plan of een plan met een te groot woningbouwprogramma. Het was aanvankelijk de bedoeling om het perceel in het plan "Welgelegen 2012" te betrekken. Naar aanleiding van inspraakreacties is het perceel echter buiten de in dat plan voorziene woningbouwontwikkeling gehouden.

    Het bestemmingsplan "Hazersweg 25, Ouddorp" maakt de herontwikkeling van het perceel mogelijk. Volgens de plantoelichting worden de woonboerderij en het wagenhuis gerestaureerd. Op de locatie van het wagenhuis voorziet het plan door middel van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - voormalig agrarisch bedrijf" in meerdere functies, zoals een bed and breakfast. Op de plek waar de schuur staat, worden zes appartementen voor senioren in de vorm van de ter plaatse thans aanwezige, maar te slopen schuur gerealiseerd. Het plan voorziet verder in de realisatie van zes grondgebonden woningen aan de zuidoostzijde van het perceel. Het plan voorziet verder in zes twee-onder-een kapwoningen of vrijstaande woningen langs de Havenweg.

2.    [appellant] en anderen wonen in de directe nabijheid van het perceel. Zij vrezen onder meer dat hun uitzicht op het boerderijcomplex door het plan verloren zal gaan.

Bijlage

3.    De relevante wettelijke bepalingen en planregels die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Ontvankelijkheid

3.    WoonWens Wonen B.V. heeft zich in zijn schriftelijke uiteenzetting op het standpunt gesteld dat [appellant] en anderen niet als belanghebbenden bij het bestreden besluit kunnen worden aangemerkt. Volgens hem ondervinden [appellant] en anderen geen gevolgen van enige betekenis van het plan. Daarbij wijst WoonWens Wonen B.V. op de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3634, waarin volgens hem is overwogen dat het hebben van zicht op het plangebied niet voldoende is om gevolgen van enige betekenis te kunnen ondervinden.

3.1.    Het uitgangspunt is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van de activiteit, in beginsel belanghebbende is bij de vaststelling van dat besluit. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271) dient het criterium "gevolgen van enige betekenis" als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

3.2.    [appellant] en anderen zijn naar het oordeel van de Afdeling belanghebbenden, zodat zij beroep kunnen instellen tegen het bestreden besluit. Het is niet uitgesloten dat zij feitelijke gevolgen van enige betekenis zullen ondervinden van de mogelijk gemaakte ruimtelijke ontwikkeling. [appellant] en anderen wonen namelijk in de directe nabijheid van het plangebied aan de overzijde van de Hazersweg en de Havenweg, en zij hebben daar vanaf hun percelen zicht op. De situatie van [appellant] en anderen is hiermee anders dan die van de appellant in de uitspraak van 30 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3634. Het zicht van die appellant was dermate beperkt dat een persoonlijk belang ontbrak.

    Het beroep is ontvankelijk. Dit betekent dat het beroep inhoudelijk kan worden behandeld.

Bestuurlijke lus

4.    Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Toetsingskader

5.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Intrekking

6.    Ter zitting hebben [appellant] en anderen hun beroep ingetrokken, voor dat betrekking had op de molenbiotoop.

Zienswijze

7.    [appellant] en anderen betogen dat de raad in de Nota van beantwoording zienswijzen (hierna: zienswijzennota) niet is ingegaan op hun zienswijze over de slechte staat van het voormalige boerderijcomplex, de uitstraling van de appartementen voor senioren en de voorgevelrooilijn van de woningen aan de Havenweg. Verder voeren [appellant] en anderen aan dat de raad niet is ingegaan op hun zienswijze over de Nota Ruimtelijke kwaliteit 2016, het Gebiedsprofiel Goeree-Overflakkee en de Woonvisie 2018-2024.

7.1.    De zienswijze van [appellant] en anderen is door de raad samengevat en van commentaar voorzien in de zienswijzennota. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

    Het betoog faalt.

Ladder voor duurzame verstedelijking

8.    [appellant] en anderen betogen dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) en artikel 2.1.1 van de Verordening ruimte 2014 van de provincie Zuid-Holland (hierna: de Verordening ruimte), omdat volgens hen onvoldoende behoefte bestaat aan de in het plan voorziene woningbouw. Daarbij wijzen zij erop dat in de "Woonvisie Goeree-Overflakkee 2018-2024" (hierna: de Woonvisie 2018-2024) is vermeld dat behoefte bestaat aan woningen voor starters op de woningmarkt, appartementen voor senioren en (mantel)zorgwoningen. Het plan voorziet niet in dit type woningen. Het plan voorziet wel in grondgebonden woningen voor senioren, terwijl uit de Woonvisie 2018-2024 niet volgt dat hieraan behoefte bestaat.

    Ter zitting hebben [appellant] en anderen zich op het standpunt gesteld dat de voorziene woningbouw niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. In dit kader voeren zij aan dat de gronden van het plangebied tot het agrarische grasland behoorden.

8.1.    De raad stelt dat wordt voldaan aan zowel de ladder voor duurzame verstedelijking van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro als aan die van artikel 2.1.1 van de Verordening ruimte. Daartoe stelt de raad dat de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte aan de woningen is aangetoond. De raad verwijst naar pagina 10 van de zienswijzennota en hoofdstuk 4 van de plantoelichting. De raad stelt verder dat uit de Woonvisie 2018-2024 niet volgt dat alleen gebouwd mag worden voor de doelgroepen die op basis van deze woonvisie extra aandacht behoeven.

    Ter zitting heeft de raad gesteld dat de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied plaatsvindt. De raad wijst op de omstandigheid dat het plangebied volgens de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland binnen het daarin aangegeven bestaande stads- en dorpsgebied ligt.

8.2.    Niet in geschil is dat het plan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

Behoefte aan woningen

8.3.    De raad heeft voldoende onderbouwd dat er een kwantitatieve behoefte bestaat aan de voorgenomen ontwikkeling. Uit paragraaf 4.4.3 van de plantoelichting met als kopje "Woonvisie 2014-2020" volgt dat 675 woningen zijn te verdelen over de verzorgingskernen Ouddorp, Dirksland en Oude Tonge en het streekcentrum Middelharnis/Sommelsdijk. Aan de drie verzorgingskernen wordt een toename van 300 woningen toebedeeld. Voor de hand ligt volgens de plantoelichting een richtgetal van 100 per woonkern. Uit de geactualiseerde regionale Woonvisie 2018-2024, waarnaar de raad heeft verwezen in de zienswijzennota, volgt dat de totale woningbehoefte in de periode tot 2021 830 woningen bedraagt. Uit de Woonvisie 2018-2024 volgt verder dat er in de periode van 2021 tot 2031 nog ruim 900 woningen kunnen worden toegevoegd. Hoewel er een afname is van het aantal inwoners, zal door de gezinsverdunning nog een behoefte aan woningnieuwbouw blijven bestaan. De raad heeft ter zitting toelicht dat uit de nieuwe berekeningen van de provincie Zuid-Holland blijkt dat de kwantitatieve behoefte groter is geworden. Volgens de raad bestaat er geen overaanbod aan zogenaamde harde plannen voor woningbouw in Goeree-Overflakkee. De in het plan voorziene woningbouwontwikkeling van maximaal 18 woningen past daarmee volgens de raad binnen de kwantitatieve behoefte. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

8.4.    De raad heeft verder voldoende onderbouwd dat het plan in een kwalitatieve behoefte voorziet. Uit de Woonvisie 2018-2024 volgt dat de groeiende groep senioren aandacht verdient. Door de vergrijzing wordt hun aandeel in de totale woningvraag steeds groter. In paragraaf 3.1 van de plantoelichting staat dat zes appartementen en zes grondgebonden woningen voor de doelgroep senioren worden gerealiseerd. Ter zitting heeft WoonWens Wonen B.V. toegelicht dat deze woningen geschikt zijn voor senioren, omdat de appartementen toegankelijk zullen zijn met een lift en de grondgebonden woningen een parkeerplaats zullen hebben op hun eigen terrein. Uit de Woonvisie 2018-2024 volgt verder dat er ook ruimte moet zijn voor het realiseren van duurdere koopwoningen. Het plan voorziet in de bouw van zes twee-onder-een-kapwoningen of vrijstaande woningen.

    De Afdeling stelt vast dat het plan in verschillende typen woningen voorziet, te weten appartementen, grondgebonden woningen, vrijstaande woningen en twee-onder-een-kapwoningen. Uit de Woonvisie volgt niet dat alleen een bepaald type woning moet worden gerealiseerd. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de grondgebonden woningen voor senioren ook geschikt kunnen zijn voor starters. Ter zitting heeft de raad ook toegelicht dat mantelzorgwoningen vaak bijbehorende bouwwerken zijn die zonder omgevingsvergunning kunnen worden gerealiseerd op grond van artikel 2, aanhef en derde lid, en artikel 3, aanhef en eerste lid, van bijlage II behorend bij het Besluit omgevingsrecht. Overigens voorziet het plan wel in appartementen voor senioren.

    Met de gegeven toelichting heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er ook in kwalitatieve zin behoefte aan de woningen is.

Voorzien binnen bestaand stedelijk gebied

8.5.    Artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder h, van het Bro luidt:

"In dit besluit en de hierop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

h. bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur;"

8.6.    In haar overzichtsuitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, heeft de Afdeling overwogen:

"10.1    De beantwoording van de vraag of een plangebied als een bestaand stedelijk gebied in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro in samenhang met artikel 1.1.1, eerste lid, onder h, van het Bro, kan worden aangemerkt, hangt volgens de Nota van toelichting (2017) af van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving.

    Bij de beantwoording van deze vraag dient volgens de jurisprudentie van de Afdeling te worden beoordeeld of het voorgaande bestemmingsplan binnen het gebied reeds een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca mogelijk maakt, of het gebied op grond van het voorgaande plan kan worden beschouwd als bij een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur […].

10.2.     […] Wanneer het voorgaande plan een zodanig samenstel van bebouwing niet mogelijk maakt, of het gebied niet als behorend bij zodanig bestaand stedenbouwkundig samenstel kan worden aangemerkt, kunnen omstandigheden als bijvoorbeeld de situering van het plangebied aansluitend aan bebouwing en omgeven door een doorgaande weg, de aanduiding van het plangebied in de toepasselijke provinciale verordening als bestaand stedelijk gebied en de vermelding van het gebied in een structuurvisie, er in beginsel niet aan afdoen dat het plangebied niet voldoet aan de eisen die artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder h, van het Bro stelt om als bestaand stedelijk gebied te kunnen worden aangemerkt […]."

8.7.    Voor het plangebied gold in het voorheen geldende plan de bestemming "Agrarisch". Dit betekent dat het voorgaande bestemmingsplan binnen het gebied niet reeds een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca mogelijk maakte.

    In dit geval is het plangebied evenwel onderdeel van een gebied waar woningbouwontwikkelingen hebben plaatsgevonden. In dit verband wijst de Afdeling op de eerder vastgestelde plannen "Stad Goedereede en dorpsgebied Ouddorp 2012", "Veegplan 2018" en "Hazersweg 23, Ouddorp". Verder wordt het plangebied, dat slechts ongeveer 0,85 ha beslaat, geheel omsloten door voorziene woonbebouwing die in planologisch opzicht onherroepelijk is en feitelijk inmiddels gerealiseerd, of in aanbouw. Onder deze omstandigheden acht de Afdeling het in dit geval niet realistisch om bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, de voorheen geldende agrarische bestemming doorslaggevend te laten zijn. De Afdeling komt daarom in dit geval tot de conclusie dat de nieuwe woningen zijn voorzien binnen bestaand stedelijk gebied.

Conclusie

8.8.    Uit het voorgaande volgt dat het betoog van [appellant] en anderen dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro faalt.

Artikel 2.1.1 van de Verordening ruimte

9.    Gelet op wat onder 8.3 tot en met 8.8 is overwogen over de ladder voor duurzame verstedelijking ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 2.1.1 van de Verordening is vastgesteld.

    Het betoog faalt.

Standpuntwijziging

10.    [appellant] en anderen voeren aan dat het gemeentebestuur bij een bouwplan voor het perceel uit 2008 een ander standpunt hanteerde ten aanzien van het toestaan van woningen in de nabijheid van het boerderijcomplex. Volgens hen heeft de raad niet gemotiveerd waarom hij zijn standpunt hierover heeft gewijzigd.

10.1.    De voorzieningenrechter heeft in zijn uitspraak van 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3834, onder 5.1, het volgende overwogen: "De raad heeft erop gewezen dat het door [appellant] en anderen genoemde standpunt van het gemeentebestuur dateert van ruim tien jaar geleden. Bovendien betrof dit standpunt volgens de raad slechts een advies gericht aan de commissie voor Grondgebiedzaken van de voormalige gemeente Goedereede en kan het volgens hem in die zin niet worden aangemerkt als een formeel standpunt opgenomen in een besluit. De raad stelt verder dat de aard en de structuur van de omgeving rondom het plangebied inmiddels zijn veranderd ten opzichte van de situatie zoals die was in 2008. De raad heeft daarbij erop gewezen dat rondom het plangebied meerdere woningbouwontwikkelingen hebben plaatsgevonden." De Afdeling deelt het oordeel van de voorzieningenrechter dat geen aanleiding voor het oordeel bestaat dat de raad vanwege het in 2008 geformuleerde standpunt over woningbouw op de betrokken locatie niet in redelijkheid het plan heeft kunnen vaststellen.

    Het betoog faalt.

Stedenbouwkundige aspecten

Stedenbouwkundige visie

11.    [appellant] en anderen voeren aan dat het plan onzorgvuldig is voorbereid, omdat een stedenbouwkundige visie ontbreekt. Het ontbreken van een beeldkwaliteitsplan duidt volgens hen op een onzorgvuldige voorbereiding.

11.1.    Uit paragraaf 3.1 van de plantoelichting volgt dat de stedenbouwkundige uitgangspunten van dit plan bestaan uit de herkenbaarheid van het monumentale ensemble van een boerderijwoning met een schuur en bijgebouw(en) en het realiseren van de bebouwing langs de Havenweg in een lintstructuur. Deze uitgangspunten, die hierna aan de orde komen onder 12 tot en met 13.1, zijn afkomstig uit de Visie zuidelijke schil Ouddorp van 13 oktober 2011 (hierna: de Visie). Uit paragraaf 1.1 van de Visie volgt dat dit een stedenbouwkundige visie is, waaraan de reeds ingediende planinitiatieven getoetst kunnen worden. De Visie is een aanvulling op het Beeldkwaliteitplan Dorpskern Ouddorp.

    De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] en anderen naar voren hebben gebracht daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in zoverre onzorgvuldig heeft voorbereid.

    Het betoog faalt.

Agrarisch ensemble

12.    [appellant] en anderen betogen dat het plan ten onrechte voorziet in vrijstaande woningen en twee-onder-een-kapwoningen, omdat deze woningen volgens hen geen type woningen zijn die een agrarisch ensemble vormen.

12.1.    Over het agrarisch ensemble heeft de raad ter zitting toegelicht dat dit ensemble wordt gevormd door de woonboerderij, het wagenhuis en de schuur. Anders dan [appellant] en anderen betogen, zijn de vrijstaande woningen en twee-onder-een-kapwoningen geen onderdeel van het agrarisch ensemble. Het agrarisch ensemble wordt gevormd door het zogeheten boerderijcomplex, het samenstel van de genoemde elementen met monumentale waarden, te weten de woonboerderij, wagenhuis en schuur. Aan dit complex is in het plan de bouwaanduiding  "specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument: cultuurhistorisch waardevolle bebouwing" toegekend.

    De Afdeling overweegt dat de herkenbaarheid van dit agrarisch ensemble niet onaanvaardbaar wordt aangetast. Hierbij betrekt de Afdeling dat de woonboerderij en het wagenhuis zichtbaar blijven vanaf de Hazersweg en de Havenweg, omdat het bouwvlak langs de Havenweg niet de voorgevelrooilijn van de woonboerderij overschrijdt.  Verder acht de Afdeling van belang dat ter zitting is toegelicht dat langs de Havenweg zes woningen in plaats van zeven woningen worden gerealiseerd, wat doorzicht vanuit maar ook op het plangebied ten goede komt.

    Het betoog faalt.

Lintstructuur en de Visie

13.    [appellant] en anderen betogen dat het plan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de bestaande lintstructuur van Ouddorp. Daartoe betogen zij dat uit de zienswijzennota volgt dat woningen die zijn gebouwd in een lintstructuur aan de achterzijde direct contact hebben met het landschap. De voorziene woningen langs de Havenweg grenzen aan de achterzijde aan het appartementengebouw en aan de grondgebonden woningen, zodat volgens [appellant] en anderen geen sprake is van een direct contact met het landschap dat de lintstructuur kenmerkt.

    [appellant] en anderen betogen voorts dat het plan niet in overeenstemming is met de uitgangspunten van het gemeentelijke beleid zoals dat is verwoord in de Visie. Zij wijzen erop dat in de Visie het hele plangebied is aangemerkt als voormalig agrarisch erf. Uit de Visie volgt volgens [appellant] en anderen dat gebouwen op de voormalige agrarische erven maximaal 1,5 tot 2 bouwlagen mogen hebben, terwijl de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte voor de woningen aan de Havenweg 6 onderscheidenlijk 11 m bedragen.

13.1.    De woningen aan de Havenweg worden volgens paragraaf 3.1 van de plantoelichting gerealiseerd in een lintstructuur. In de zienswijzennota staat hierover: "Deze woningen zijn gebouwd in een lintstructuur waarmee het lineaire karakter van deze bebouwingsvorm behouden is. Bij lintbebouwing heeft de achterzijde direct contact met het landschap en de voorzijde grenst aan openbare weg of watergang. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend."

    Omdat de voorziene woningen aan de Havenweg aan de achterzijde grenzen aan de appartementen en aan de grondgebonden woningen en aan de achterzijde dus geen direct contact hebben met het landschap, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling niet deugdelijk gemotiveerd waarom de toevoeging van de hier aan de orde zijnde woningen geen onaanvaardbare afbreuk doet aan de lintstructuur als karakteristiek van het gebied. Het plan is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

    Het betoog slaagt.

13.2.    Ten aanzien van het betoog over de Visie overweegt de Afdeling als volgt. Volgens paragraaf 4.4.2 van de plantoelichting met als kopje "Visie zuidelijke schil Ouddorp (2011)" dient deze Visie als afwegingskader bij de beoordeling van nieuwe plannen. Anders dan de raad ter zitting heeft gesteld, duidt dit er niet op dat de Visie ten tijde van het bestemmingsplan achterhaald was.

    De Visie maakt onderscheid tussen een aantal specifieke gebieden, te weten het historisch kerngebied, het centrumgebied Dorpstienden, het overgangsgebied, de historische linten, de (voormalige) agrarische erven en de nieuwe linten. Voor deze gebieden zijn toetsingscriteria opgesteld. Volgens de Visie zijn de woningen aan de Havenweg onderdeel van de entiteit historische linten. Over de entiteit historische linten wordt het volgende op pagina 31 van de Visie vermeld: "De ruimtelijke kwaliteit van de bestaande historische linten dienen behouden te blijven en waar mogelijk versterkt te worden door het ontwikkelen van nieuwe kavels langs deze linten, waarbij wordt aangesloten op het karakter en de korrelgrootte van de bebouwing. De diversiteit aan bebouwing en het groene karakter van de linten zijn hierbij uitgangspunt.

[…]

Situering, massa en vorm

[…]

- de bebouwing is maximaal 1,5 bouwlaag met een kap (zadeldak);"

13.3.    Uit de hiervoor geciteerde passage uit de Visie leidt de Afdeling af dat de bebouwing langs de Havenweg maximaal mag bestaan uit 1,5 bouwlaag met een kap. Volgens paragraaf 3.1 van de plantoelichting worden langs de Havenweg zes woningen met 2 bouwlagen en een kap gerealiseerd. In dit verband is van belang dat op grond van artikel 6, lid 6.2.1, aanhef en onder g en h, van de planregels, in samenhang met de verbeelding, de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte voor de woningen aan de Havenweg 6 m onderscheidenlijk 11 m bedragen.

    Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het plan in zoverre niet past binnen de uitgangspunten van de Visie. De Afdeling ziet aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet berust op een deugdelijke motivering, voor zover dat zes woningen aan de Havenweg met een maximaal toegestane goot- en bouwhoogte van 6 m onderscheidenlijk 11 m toestaat.

    Het betoog slaagt.

Goot- en bouwhoogte

14.    [appellant] en anderen voeren aan dat de maximaal toegestane goothoogte van het appartementengebouw niet passend is in de omgeving. Daartoe betogen zij dat de goothoogtes van woningen in de aangrenzende gebieden minder dan 5 m bedragen. Daarnaast betogen [appellant] en anderen dat ook de maximaal toegestane bouwhoogtes van het appartementengebouw en de grondgebonden woningen niet passend zijn in de omgeving.

14.1.    Uit artikel 6, lid 6.2.1, aanhef en onder g en h, van de planregels, in samenhang met de verbeelding, volgen de toegestane goot- en bouwhoogtes. De maximaal toegestane goot- en bouwhoogte voor het appartementengebouw bedragen 5 m onderscheidenlijk 12 m. Het plan staat voor de grondgebonden woningen een maximaal toegestane goot- en bouwhoogte van 4 m onderscheidenlijk 9 m toe.

    Ten aanzien van de toegestane goothoogte van het appartementengebouw overweegt de Afdeling dat voor de woningen in de omgeving van het plangebied ook een goothoogte van 5 m is toegestaan. In dit verband wijst de Afdeling op de maximaal toegestane goothoogtes van de woningen behorend bij het bestemmingsplan "Hazersweg 23", de woningen behorend bij het plan "Veegplan 2018" en de woningen behorend bij het plan "Welgelegen 2012". Ook is van belang dat de maximaal toegestane goothoogte van de woonboerderij 5 m bedraagt volgens de verbeelding bij het bestemmingsplan "Stad Goedereede en dorpsgebied Ouddorp 2012". Het standpunt van de raad dat de maximaal toegestane goothoogte niet zodanig is dat deze goothoogte niet past in de omgeving van het plangebied, acht de Afdeling niet onredelijk.

    Wat betreft de maximale bouwhoogtes van het appartementengebouw en de grondgebonden woningen overweegt de Afdeling dat de maximaal toegestane bouwhoogtes van 9 en 12 m op zichzelf niet ongebruikelijk zijn in een bebouwde omgeving als hier aan de orde.

    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] en anderen in zoverre hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid deze goothoogte en bouwhoogtes heeft kunnen vaststellen.

    Het betoog faalt.

Voorgevelrooilijn

15.    [appellant] en anderen voeren aan dat de bestaande woningen aan de Havenweg een wisselende afstand kennen tot aan deze weg, terwijl het in het plan voorziene bouwvlak aan de Havenweg een dergelijke verspringing van de voorgevelrooilijn ten opzichte van deze weg niet kent. [appellant] en anderen zijn van mening dat hierdoor een eenvormige bebouwing ontstaat die niet past in het straatbeeld. Volgens hen dient de verspringing van de voorgevelrooilijn van het bouwvlak aan de Havenweg in het plan te worden opgenomen.

15.1.    De Afdeling stelt vast dat artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder d, van de planregels de ruimte biedt om een zekere mate van variatie in de situering van de woningen ten opzichte van de Havenweg aan te brengen. De Afdeling volgt de raad in zijn standpunt dat deze wijze van bestemmen in overeenstemming is met de wijze waarop de situering van andere woningen aan de Havenweg en de Wittestraat planologisch is vastgelegd. In dit verband wijst de Afdeling op de woningen aan de Wittestraat die vallen onder het plan "Stad Goedereede en dorpsgebied Ouddorp 2012" en de woningen aan de Havenweg die vallen onder het bestemmingsplan "Veegplan 2018" en onder het plan "Welgelegen 2012". Gelet hierop heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorziene voorgevelrooilijn van het bouwvlak aan de Havenweg past in het straatbeeld van die weg.

    Het betoog faalt.

Monumentale waarden

16.    [appellant] en anderen betogen dat het plan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de monumentale waarden van het boerderijcomplex.

16.1.    WoonWens Wonen B.V. heeft ter zitting aangevoerd dat het betoog van [appellant] en anderen niet kan leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit gelet op het relativiteitsvereiste zoals vervat in artikel 8:69a van de Awb. WoonWens Wonen B.V. voert ter onderbouwing van zijn standpunt aan dat de belangen van [appellant] en anderen niet zijn verweven met de belangen die de Erfgoedwet tracht te beschermen. WoonWens Wonen B.V. wijst op de uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:116, en de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 12 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2441.

16.2.    Artikel 8:69a van de Awb luidt:

"De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept".

    Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

16.3.    Waar het de door [appellant] en anderen gestelde cultuurhistorische waarden betreft, beroepen zij zich in dit verband op de normen die zijn neergelegd in de Erfgoedwet en de gemeentelijke erfgoedverordening over de bescherming van monumenten. Deze bepalingen strekken ter bescherming van het algemeen belang van het behoud van cultuurhistorische waarden. Anders dan het geval was in de uitspraken van 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:116 en van 12 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2441, beroepen [appellant]n en anderen zich niet op bepalingen in de Monumentenwet 1988 over het behoud van monumenten van archeologie.

    De individuele belangen van burgers die in of in de onmiddellijke nabijheid van een aangewezen beschermd monument wonen, bij behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving kunnen zo verweven zijn met het algemene belang dat de Erfgoedwet en de gemeentelijke erfgoedverordening beogen te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. De Afdeling is van oordeel dat het belang van [appellant] en anderen is verweven met het algemeen belang van het behoud van cultuurhistorische waarden. Hierbij betrekt de Afdeling dat de afstanden tussen de woningen van [appellant] en anderen en het boerderijcomplex met de bouwaanduiding "specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument" ongeveer 45, 60 en 69 m bedragen. Daarbij komt dat [appellant] en anderen zicht hebben op het gemeentelijke monument. Artikel 8:69a van de Awb staat naar het oordeel van de Afdeling derhalve niet aan de vernietiging van het bestreden besluit in de weg.

16.4.    Ten aanzien van het betoog dat het plan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de monumentale waarden van het boerderijcomplex, heeft de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3834, onder 4.2, het volgende overwogen: "De voorzieningenrechter stelt vast dat aan de monumentale bebouwing van het boerderijcomplex de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument" is toegekend. De raad stelt dat de monumentale waarden van het boerderijcomplex niet onaanvaardbaar zullen worden aangetast, omdat volgens hem artikel 6, leden 6.7.1 en 6.7.3 van de planregels die waarden afdoende beschermen. Gelet op de redactie van deze bepalingen, is er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen." De Afdeling deelt dit oordeel van de voorzieningenrechter dat geen aanleiding voor het oordeel bestaat dat het plan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de monumentale waarden van het boerderijcomplex.

    Het betoog faalt.

Voorwaarden afwijkingsregels

17.    [appellant] en anderen voeren aan dat de in artikel 12, lid 12.2, van de planregels opgenomen voorwaarde voor het bij omgevingsvergunning afwijken van de planregels onvoldoende objectief zijn begrensd. Zij betogen dat de term "samenhangend straat- en bebouwingsbeeld" niet duidelijk is en dat niet is toegelicht in welke gevallen sprake is van een "onevenredige aantasting" daarvan. Volgens hen is bij de voorwaarde genoemd onder artikel 12, lid 12.2, onder b, ten onrechte geen verwijzing opgenomen naar de omstandigheid dat de bebouwing van het boerderijcomplex is aangewezen als gemeentelijk monument.

17.1.    De Afdeling overweegt dat ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro bij bestemmingsplan kan worden bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels. Met deze bepaling kan het bevoegd gezag de bevoegdheid worden gegeven op ondergeschikte onderdelen van het plan af te wijken. Afwijkingsbevoegdheden dienen door voldoende objectieve normen te worden begrensd.

17.2.    Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2506, heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de term "onevenredige aantasting" een gebruikelijk criterium in bestemmingsplannen betreft, dat bepaalt dat in voorkomend geval een belangenafweging van alle betrokken belangen dient plaats vinden. Verder heeft hij overwogen dat de term "samenhangend straat- en bebouwingsbeeld" in dat kader evenmin een ongebruikelijk planologisch criterium vormt. De Afdeling ziet geen aanleiding voor een ander oordeel. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de in artikel 12, lid 12.2, van de planregels neergelegde voorwaarden onvoldoende objectief zijn begrensd.

    Het betoog faalt.

17.3.    Voor zover [appellant] en anderen betogen dat in artikel 12, lid 12.2, van de planregels ten onrechte geen verwijzing is opgenomen naar de omstandigheid dat de bebouwing van het boerderijcomplex is aangewezen als gemeentelijk monument, overweegt de Afdeling als volgt. Aan de monumentale bebouwing van het boerderijcomplex is de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument" toegekend. Op grond van artikel 10, tweede lid, onder a, van de Erfgoedverordening van de gemeente Goeree-Overflakkee is het verboden om een gemeentelijk monument zonder vergunning van het bevoegd gezag af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen. De bebouwing van het boerderijcomplex wordt derhalve in het licht van de monumentale waarde beschermd door de gemeentelijke Erfgoedverordening. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid wat dit aspect betreft geen nadere regeling in artikel 12, lid 12.2, van de planregels hoeven op te nemen.

    Het betoog faalt.

Artikel 6, lid 6.7.3, sub c, van de planregels

18.    [appellant] en anderen betogen dat artikel 6, lid 6.7.3, sub c, van de planregels niet duidelijk is. In deze bepaling wordt volgens hen gesproken over het opstellen van een rapport als voorwaarde voor het geheel of gedeeltelijk slopen van de in artikel 6, lid 6.7.1, van de planregels bedoelde bouwwerken, maar onduidelijk is welke uitkomst het desbetreffende rapport moet hebben, aldus [appellant] en anderen.

18.1.    De Afdeling overweegt dat artikel 6, lid 6.7.3, sub c, van de planregels voldoende duidelijk is geformuleerd. Deze bepaling strekt tot het in een rapport feitelijk weergeven van de desbetreffende monumentale waarden, de bouwkundige staat, de kosten van renovatie en de waarde van het pand voor en na eventuele renovatie. In de planregels hoeft niet te worden geregeld welke gevolgen aan het desbetreffende rapport moeten worden verbonden.

    Het betoog faalt.

Welstandsnota

19.    [appellant] en anderen betogen dat het plan in strijd met de op 13 oktober 2016 vastgestelde Nota Ruimtelijke Kwaliteit (hierna: de Welstandsnota) van de gemeente Goeree-Overflakkee is vastgesteld. Volgens hen is onvoldoende rekening gehouden met de stedenbouwkundige voorwaarden uit de Welstandsnota.

19.1.    De voorzieningenrechter heeft in zijn uitspraak van 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3834, overwogen dat het in de Welstandsnota neergelegde beleid niet is bedoeld voor het opstellen van bestemmingsplannen, maar voor de toetsing van een individuele bouwaanvraag. De Afdeling ziet geen grond om tot een ander oordeel te komen. Gelet hierop kan aan de Welstandsnota niet de betekenis worden toegekend die [appellant] en anderen daaraan toegekend wensen te zien.

    Het betoog faalt.

Uitzicht

20.    [appellant] en anderen voeren aan dat de realisatie van het plan voor hen een verlies van uitzicht op de monumentale bebouwing van het boerderijcomplex zal betekenen. De belemmering van het uitzicht zal volgens hen worden verergerd door de mogelijkheden die het Besluit omgevingsrecht en het plan bieden met betrekking tot het oprichten van bijbehorende bouwwerken.

20.1.    Onder het vorige bestemmingsplan was aan het perceel de bestemming "Agrarisch" en één bouwvlak toegekend en gold voor de woonboerderij een maximumgoothoogte van 5 m. In de feitelijke situatie zijn de maximale bouwmogelijkheden uit het vorige bestemmingsplan niet volledig benut. Gelet hierop valt niet uit te sluiten dat de bouwmogelijkheden in het plan feitelijk zullen leiden tot een aantasting van het uitzicht.

    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het uitzicht van [appellant] en anderen vanuit hun woningen niet zodanig wordt belemmerd dat de raad daaraan een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen. Hierbij betrekt de Afdeling dat er geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht. Daarbij komt dat in de omgeving van het plangebied woningbouwontwikkelingen hebben plaatsgevonden waardoor al sprake is van een bebouwde omgeving met een zekere dichtheid. Hoewel het bouwen van vergunningvrije aan- en bijgebouwen buiten de aangegeven bouwvlakken kan leiden tot een vermindering van het zicht op het boerderijcomplex, is van belang dat het Besluit omgevingsrecht beperkingen stelt aan de oprichting van dergelijke bouwwerken.

    Verder neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad de belangen van [appellant] en anderen in zijn belangenafweging heeft betrokken. Zo hebben [appellant] en anderen in hun zienswijze naar aanleiding van het ontwerpplan naar voren gebracht dat aan de gronden op de hoek van de Hazersweg en de Havenweg ten onrechte de bestemming "Tuin" is toegekend. Uit de zienswijzennota volgt dat hiermee rekening is gehouden. Het plan kent de bestemming "Groen" toe aan de gronden op de hoek van de Hazersweg en de Havenweg. Het gebied houdt hiermee volgens paragraaf 4.4.2 van de plantoelichting haar open karakter.

    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in het betoog van [appellant] en anderen geen aanleiding voor het oordeel dat de voorziene bebouwing leidt tot een zodanige aantasting van het uitzicht van [appellant] en anderen dat de raad het plan in zoverre niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

    Het betoog faalt.

Bouwkundige staat boerderijcomplex en belangenafweging

21.    [appellant] en anderen betogen dat het plan een prikkel schept om monumenten niet te onderhouden. Daarbij wijzen zij op de omstandigheid dat de bouwkundig slechte staat van het boerderijcomplex het gevolg is van verwaarlozing door de eigenaar en dat de projectontwikkelaar als gevolg hiervan achttien extra woningen op het perceel mag realiseren, aldus [appellant] en anderen.

21.1.    De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het bestemmingsplan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte.

21.2.    De raad stelt dat hij ervoor heeft gekozen om een zwaarwegend gewicht toe te kennen aan het herontwikkelen van de locatie en waar mogelijk het behouden van een monumentaal boerderijcomplex. De Afdeling acht dit niet onredelijk en neemt daarbij in aanmerking dat uit de zienswijzennota volgt dat de afgelopen jaren aan de gemeente diverse plannen met uiteenlopende activiteiten zijn voorgelegd, maar geen hiervan tot ontwikkeling is gekomen. Redenen hiervoor zijn geweest een financieel niet haalbaar plan of een plan met een te groot woningbouwprogramma. In dit verband is van belang dat het ongemoeid laten van het perceel zal leiden tot verdere verpaupering en uiteindelijk tot het niet meer kunnen behouden van het boerderijcomplex. Verder is vermeld in de zienswijzennota dat voor een rendabele exploitatie aan het plan meer woningen moeten worden toegevoegd. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid een zwaarwegend gewicht mogen toekennen aan het herontwikkelen van de locatie en waar mogelijk het behouden van een monumentaal boerderijcomplex.

    Het betoog faalt.

Parkeren

22.    [appellant] en anderen voeren aan dat onvoldoende in het plan is geborgd dat voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein zullen worden gerealiseerd. Zij vrezen dat de gronden op de hoek van de Hazersweg en de Havenweg met de bestemming "Groen" als parkeervoorziening worden ingericht, omdat de bestemming "Groen" volgens artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder e, van de planregels parkeervoorzieningen toestaat.

22.1.    De raad stelt dat het plan voldoende waarborgen biedt dat de gronden met de bestemming "Groen" daadwerkelijk als openbaar gebied worden ingericht. De benodigde parkeervoorzieningen moeten op de gronden met de bestemming "Wonen" en "Tuin" worden gerealiseerd. Verder wijst de raad op artikel 10, lid 10.3, van de planregels, waaruit volgt dat in geval van nieuwbouw of functiewijziging waarbij de parkeerbehoefte toeneemt, op eigen terrein dient te worden voorzien in de benodigde parkeerbehoefte.

22.2.    Uit paragraaf 3.2 van de plantoelichting volgt dat voor de berekening van de parkeerbehoefte is aangesloten bij de normen in de publicatie nr. 317 van het CROW "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" (hierna: de CROW-publicatie). Daarbij is ervan uitgegaan dat het plangebied in een "weinig stedelijk" gebied ligt, wat niet is betwist. Uit de berekening volgt dat de ontwikkelingen waarin het plan voorziet, leiden tot een parkeerbehoefte van 40 parkeerplaatsen. Volgens de plantoelichting zullen voor het plan in totaal 45 parkeerplaatsen worden gerealiseerd, zodat kan worden voldaan aan de parkeerbehoefte. De raad heeft ter zitting toegelicht dat, anders dan in de plantoelichting is vermeld, ten behoeve van het plan geen 45 maar 42 parkeerplaatsen worden gerealiseerd, waarmee wordt voldaan aan de normen uit de CROW-publicatie. Het plangebied biedt weliswaar voldoende ruimte voor het realiseren van deze parkeerplaatsen buiten de gronden met de bestemming "Groen", maar het plan maakt het wel mogelijk dat op deze gronden parkeervoorzieningen worden gecreëerd, terwijl in de plantoelichting over de gronden op de hoek van de Hazersweg en de Havenweg met de bestemming "Groen" is vermeld dat deze worden ingericht als kleine boomgaard met hoogstam fruitbomen.

22.3.    Ter zitting heeft de raad aangegeven dat hij kan instemmen met het laten vervallen van de in artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder e, van de planregels geformuleerde mogelijkheid dat de gronden met de bestemming "Groen" als parkeervoorziening kunnen worden ingericht. De Afdeling overweegt dat de raad met het bestreden besluit niet heeft geregeld wat hij gelet op hetgeen ter zitting aan de orde is geweest en in de plantoelichting is beschreven, beoogd heeft te regelen. De Afdeling overweegt derhalve dat het bestreden plan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid, zodat het besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Awb.

    In zoverre slaagt het betoog.

Gebiedsprofiel Goeree-Overflakkee

23.    [appellant] en anderen voeren aan dat het plan in strijd met het op 27 november 2012 door het college van gedeputeerde staten vastgestelde "Gebiedsprofiel Goeree-Overflakkee" (hierna: het gebiedsprofiel) is vastgesteld.

23.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1066), moet het gebiedsprofiel worden beschouwd als provinciaal beleid. De raad is bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet gebonden aan provinciaal beleid, maar moet hiermee wel rekening houden.

    In paragraaf 4.2.3 van de plantoelichting is ingegaan op het gebiedsprofiel. Blijkens de plantoelichting is de ambitie voor Ouddorp om voort te bouwen op de karakteristieke lintstructuur van het dorp en het kleinschalige schurvelingenlandschap. Daarbij is van belang dat wordt ingezet op het behoud en de versterking van het historisch centrum en de karakteristieke linten. Onder het kopje "Spiegeling planontwikkeling aan gebiedsprofiel Goeree-Overflakkee" is vermeld dat het agrarisch bouwperceel wordt getransformeerd naar wonen, waarbij de bestaande boerderijwoning met wagenhuis wordt gerestaureerd. De ontwikkeling houdt rekening met de maat, schaal, beleefbaarheid en functie van het noordelijk gelegen centrum. Onder het kopje "Conclusie" is vermeld dat de woningen landschappelijk worden ingepast, zodat per saldo de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft. Hiermee wordt volgens de plantoelichting een bijdrage geleverd aan een strategie van "behoud, herstel en ontwikkeling": behoud en herstel van een karakteristieke boerderijwoning met wagenhuis, zonder daarmee "het gebied op slot te zetten" door 18 woningen in een groene omgeving toe te voegen in de woonkern. De herontwikkeling van deze inbreidingslocatie is in overeenstemming met de uitgangspunten van het ambitiebeeld van het gebiedsprofiel, aldus de plantoelichting.

    Gelet op het voorgaande heeft de raad het gebiedsprofiel in zijn belangenafweging betrokken en heeft het daarmee in voldoende mate rekening gehouden.

    Het betoog faalt.

Financiële uitvoerbaarheid

24.    [appellant] en anderen hebben zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het plan financieel niet uitvoerbaar is, omdat de sloop van de schuur niet is toegestaan op grond van artikel 6, lid 6.7.1, van de planregels, terwijl de plantoelichting ervan uit gaat dat de schuur zal worden gesloopt.

24.1.    In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financiële uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd.

    De Afdeling overweegt dat op grond van artikel 6, lid 6.7.3, van de planregels een vergunning kan worden verleend voor het geheel of gedeeltelijk slopen van de in artikel 6, lid 6.7.1, van de planregels bedoelde bouwwerken indien wordt voldaan aan een van de voorwaarden genoemd in artikel 6, lid 6.7.3, van de planregels. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan financieel niet uitvoerbaar is.

    Het betoog faalt.

Conclusie

25.    Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling de raad opdragen om binnen 20 weken na verzending van deze tussenuitspraak alsnog:

- met inachtneming van wat is overwogen onder 13.1 toereikend te motiveren waarom de toevoeging van de woningen aan de Havenweg geen onaanvaardbare afbreuk doet aan de lintstructuur als karakteristiek van het gebied, dan wel een gewijzigd of nieuw besluit te nemen;

- met inachtneming van wat is overwogen onder 13.3 waarom wordt afgeweken van de Visie, voor zover het plan zes woningen aan de Havenweg met een maximaal toegestane goot- en bouwhoogte van 6 m onderscheidenlijk 11 m toestaat, dan wel een gewijzigd of nieuw besluit te nemen;

- met inachtneming van wat is overwogen onder 22.3, artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder e, van de planregels aan te passen;

- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Afdeling 3.4 van de Awb hoeft bij de voorbereiding van een gewijzigd of nieuw besluit niet opnieuw te worden toegepast.

Proceskosten

26.     In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Goeree-Overflakkee op:

- om binnen 20 weken na de verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming van wat is overwogen onder 25, de daar omschreven gebreken in het besluit van de raad van de gemeente Goeree-Overflakkee van 12 juli 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Hazersweg 25, Ouddorp" te herstellen, en

- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. H.C.P. Venema, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.

w.g. Helder    w.g. Lap

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2020

288-926.

 

BIJLAGE

 

Wet ruimtelijke ordening

Artikel 3.6

1. Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels:

[…]

c. bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels;

[…].

Besluit ruimtelijke ordening

Artikel 1.1.1

1. In dit besluit en de hierop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

h. bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur;

[…].

Artikel 3.1.6

[…]

2. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

[…].

Verordening ruimte 2014 van de provincie Zuid-Holland

Artikel 2.1.1

Lid 1 Stedelijke ontwikkelingen

Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen:

a.  de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening;

b.  indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.

[…].

Erfgoedverordening Goeree-Overflakkee 2015

Artikel 10

[…]

2. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:

a. een gemeentelijk monument als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

[…].

Planregels bij het bestemmingsplan "Hazersweg 25, Ouddorp"

Artikel 3 Groen

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[…]

e. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

[…]

Artikel 6 Wonen

6.2. Bouwregels

6.2.1 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen als genoemd in 6.1 gelden de volgende regels:

a. hoofdgebouwen worden binnen het op de verbeelding opgenomen het bouwvlak gebouwd;

[…];

d. de voorgevel van hoofdgebouwen wordt in of maximaal 3 m achter de naar de weg gekeerde grens van het bouwvlak gebouwd;

[…];

g. de goothoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven op de verbeelding met de aanduiding ‘maximum goothoogte’;

h. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven op de verbeelding met de aanduiding ‘maximum bouwhoogte’;

[…].

6.7 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk

6.7.1 Verbod

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument’ is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag over te gaan tot het geheel of gedeeltelijk slopen van bouwwerken met monumentale en/of cultuurhistorische waarden.

[…].

6.7.3 Toelaatbaarheid

Het geheel of gedeeltelijk slopen van de in 6.7.1 bedoelde bouwwerken is slechts toelaatbaar indien voldaan wordt aan één van de volgende voorwaarden:

a. het betreft delen van een pand of bijgebouwen, die op zichzelf niet als monumentaal vallen aan te merken, en door sloop daarvan vindt geen onevenredige aantasting plaats van de hoofdvorm van het gebouw;

b. de hoofdvorm van het gebouw is niet te handhaven vanwege de slechte bouwkundige staat;

c. op basis van een hiertoe opgesteld rapport dient door een terzake deskundige de betreffende monumentale waarden, de bouwkundige staat, de kosten van renovatie en de waarde van het pand voor en na eventuele renovatie, onderbouwd te worden.

Artikel 10 Algemene gebruiksregels

10.3 Parkeren

a. In het geval van nieuwbouw of functiewijziging waarbij de parkeerbehoefte toeneemt, dient op eigen terrein te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid om de toename van de parkeerbehoefte op te vangen overeenkomstig het bepaalde in de ASVV 2012 van de CROW (publicatie 317) of nadien door het bevoegd gezag vastgestelde beleidsregel.

[…].

Artikel 12 Algemene afwijkingsregels

12.1 Afwijkingen

Het bevoegd gezag kan - tenzij op grond van Hoofdstuk 2 reeds afwijking mogelijk is- bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor:

a. de in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages;

b. de regels, en toestaan dat het bouwvlak in geringe mate wordt overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft tot een maximale afmeting van 3 m;

c. de regels ten aanzien van de (bouw)hoogte van andere bouwwerken, en toestaan dat de bouwhoogte van andere bouwwerken wordt vergroot:

1. ten behoeve van de bouw van waarschuwings- en/of communicatiemasten tot maximaal 50 m;

2. ten behoeve van een vlaggenmast, speelvoorzieningen, een kunstwerk, beeldende kunst en dergelijke tot maximaal 15 m;

3. ten behoeve van de bouw van overige andere bouwwerken tot maximaal 10 m;

4. het oprichten van transformatorhuisjes, gemaalgebouwtjes en andere nutsgebouwtjes met een inhoud van ten hoogste 100 m³ en een goothoogte van ten hoogste 3 m;

5. de situering en de begrenzing van bouwpercelen dan wel bouwvlakken, indien bij de uitvoering van het plan mocht blijken dat verschuivingen in verband met de ingekomen aanvragen nodig zijn ter uitvoering van een plan, mits de oppervlakte van het betreffende bouwperceel, dan wel bouwvlak, met niet meer dan 10% zal worden gewijzigd.

12.2 Voorwaarden voor afwijken

De onder 12.1 genoemde omgevingsvergunningen kunnen uitsluitend verleend worden mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;

b. de cultuurhistorische waarde van het beschermde stads- en dorpsgezicht;

[…].