Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2986

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2020
Datum publicatie
16-12-2020
Zaaknummer
201906580/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2018 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland een aanvraag van [appellant] om verlening van een ontheffing voor het verwijderen van een gedeelte van een bestaande oevervoorziening, het landinwaarts plaatsen van een oevervoorziening en het houden van een oevervoorziening in de Delftse Schie ingewilligd. [appellant] is de eigenaar van het perceel aan de [locatie] in de Delftse Schie te Rotterdam. Langs dat perceel is een oevervoorziening van ongeveer 23,5 meter. Op 13 juli 2017 heeft [appellant] een aanvraag ingediend om verlening van een ontheffing uit hoofde van de Vaarwegenverordening Zuid-Holland 2015 voor het vervangen en het houden van een oevervoorziening langs vorenbedoeld perceel. Op 22 mei 2018 is de aanvraag door de gemachtigde van [appellant] aangevuld met een constructietekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2020/8414
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201906580/1/A3.

Datum uitspraak: 16 december 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 juli 2019 in

zaak nr. 19/357 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2018 heeft het college een aanvraag van [appellant] om verlening van een ontheffing voor het verwijderen van een gedeelte van een bestaande oevervoorziening, het landinwaarts plaatsen van een oevervoorziening en het houden van een oevervoorziening in de Delftse Schie ingewilligd.

Bij besluit van 4 december 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 juli 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 september 2020, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde] en het college, vertegenwoordigd door J.M. Blazer en H.L. Barnhoorn, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Ambtshalve overwegingen: geen belang

2.    [appellant] is de eigenaar van het perceel aan de [locatie] in de Delftse Schie te Rotterdam. Langs dat perceel is een oevervoorziening van ongeveer 23,5 meter. Op 13 juli 2017 heeft [appellant] een aanvraag ingediend om verlening van een ontheffing uit hoofde van de Vaarwegenverordening Zuid-Holland 2015 voor het vervangen en het houden van een oevervoorziening langs vorenbedoeld perceel. Op 22 mei 2018 is de aanvraag door de gemachtigde van [appellant] aangevuld met een constructietekening.

2.1.    Het college heeft bij besluit van 25 juni 2018 krachtens artikel 16 van de Vaarwegenverordening Zuid-Holland 2015 de door [appellant] gevraagde ontheffing van het in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, neergelegde verbod verleend, waarbij het de afmetingen van de oevervoorziening, zoals aangegeven op door [appellant] ingediende constructietekening, heeft overgenomen. Het college heeft aldus een ontheffing verleend voor het vervangen en houden van een oevervoorziening conform de daartoe ingediende en met de constructietekening aangevulde aanvraag. Ter zitting bij de Afdeling heeft [appellant] dat ook bevestigd. [appellant] heeft nog naar voren gebracht dat zijn gemachtigde de aanvraag op 13 juli 2017 heeft ingediend en op 22 mei 2018 heeft aangevuld en gesteld dat hij het niet eens is met de inhoud daarvan. Als een indiener van een aanvraag, zoals [appellant], ervoor kiest om zich te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde, wordt in beginsel het optreden van die gemachtigde aan de indiener van de aanvraag toegerekend. Niet is gebleken van redenen om van dat uitgangspunt af te wijken, zodat ervan uit mag worden gegaan dat de ingediende en aangevulde aanvraag het standpunt van [appellant] inhoudt. Gelet op het voorgaande heeft [appellant] daarom geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep.         

3.    Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2020

689.

 

BIJLAGE

 

Vaarwegenverordening Zuid-Holland 2015

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze verordening, daarop gebaseerde regelingen en besluiten wordt verstaan onder:

[…]

i. oever: aanwezige natuurlijke overgang van water naar land of aangebrachte oeverconstructie met inbegrip van de daarvoor noodzakelijke verankering;

[…]

m. vaarstrook: dat deel van de vaarweg dat uitsluitend bestemd is voor varend verkeer.

[...]

vaarweg: voor het openbaar scheepvaartverkeer openstaand water, inclusief de oevers(-voorzieningen), vermeld op de lijsten A en B van de bij deze verordening behorende bijlagen 2 en 3;

[…]

u. veiligheidsstrook: waterstrook parallel aan de vaarstrook aan beide zijden richting oever die als buffer dient tussen varende en liggende schepen.

v. werk: elke door menselijk toedoen ontstane of te maken constructie met toebehoren.

Artikel 15 Verbodsbepalingen

1. Het is verboden:

[…]

c. in, langs, boven, onder of over een vaarweg, werken aan te brengen, te houden, te veranderen of te verwijderen;

[…]

Artikel 16 Ontheffing

1. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de verboden in artikel 15.

2. Een ontheffing geldt, voor zover niet anders is bepaald, voor degene op wiens naam zij is gesteld.

3. Aan een ontheffing kunnen door Gedeputeerde Staten voorschriften en beperkingen worden verbonden.

4. Gedeputeerde Staten kunnen ambtshalve danwel op verzoek van een ontheffinghouder een ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken indien:

a. de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat de ontheffing niet meer op de zelfde wijze zou worden verleend;

b. gebleken is dat de ontheffing is verleend op basis van door de houder onjuist verstrekte gegevens, of;

c. de aan de ontheffing verbonden voorschriften of beperkingen niet of niet voldoende worden nageleefd.