Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2939

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2020
Datum publicatie
16-12-2020
Zaaknummer
202004880/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juli 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202004880/1/V2.

Datum uitspraak: 10 december 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 28 augustus 2020 in zaak nr. NL20.13602 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.

Bij uitspraak van 28 augustus 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. D. de Heuvel, advocaat te Papendrecht, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.    Wat de vreemdeling in hoger beroep in de grieven 1 tot en met 8 en in het eerste deel van grief 9 heeft aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank over de vogelvrijverklaring en de afvalligheid van de islam, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.    De vreemdeling heeft in grief 9 verder aangevoerd dat de rechtbank is voorbij gegaan aan het feit dat bij terugkeer in Irak sprake zal zijn van toegedichte afvalligheid van de islam. Hij heeft betoogd dat hij door zijn verwesterde levenswijze, die onder meer tot uiting komt in zijn buitenhuwelijkse relatie met een Nederlandse vrouw en hun twee kinderen die op niet-islamitische wijze worden opgevoed, door de samenleving als afvallige zal worden beschouwd. Hierdoor loopt hij een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM.

2.1    Niet is in geschil dat de vreemdeling een langdurige buitenhuwelijkse relatie heeft met een Nederlandse vrouw met een christelijke achtergrond, en dat uit die relatie in 2010 en 2011 twee kinderen zijn geboren die een niet-islamitische opvoeding krijgen. De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat alleen al deze omstandigheden maken dat hem bij terugkeer in Irak zal worden toegedicht dat hij afvallig is van de islam. Door deze beroepsgrond onbesproken te laten, heeft de rechtbank in strijd gehandeld met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb waarin staat dat uitspraak wordt gedaan op de grondslag van het beroepschrift. De grief slaagt.

3.    Het hoger beroep is gegrond. Wat de vreemdeling in grief 10 heeft aangevoerd, kan onbesproken blijven. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 28 augustus 2020 in zaak nr. NL20.13602;

III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 525,00 (zegge: vijfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, griffier.

w.g. Van Eck    w.g. Wolff

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2020

238.