Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2929

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-12-2020
Datum publicatie
09-12-2020
Zaaknummer
201908881/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2019:7963, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 maart 2018 heeft het college het verzoek van [appellant] om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur toegewezen en informatie aan [appellant] verstrekt. Bij brief van 14 december 2017 heeft [appellant] verzocht om openbaarmaking van alles ‘wat op enigerlei is vastgelegd’ van [persoon A] over de periode van 1 augustus 2016 tot de datum van het verzoek. Om duidelijkheid te verschaffen over de gewenste informatie heeft [appellant] als voorbeelden genoemd een opdracht van inhuren, een arbeidsovereenkomst, urenlijsten, facturen, betaalbewijzen en gegevens over het ‘speciale potje’ waar [persoon A] uit zou worden betaald. Zij was door de gemeente ingehuurd als jurist om zich toe te leggen op Wob-zaken tussen [appellant] en het college.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201908881/1/A3.

Datum uitspraak: 9 december 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Uithoorn,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 oktober 2019 in zaken nrs. 19/549 en 19/557 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn.

Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2018 heeft het college het verzoek van [appellant] om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) toegewezen en informatie aan [appellant] verstrekt.

Bij besluit van 13 december 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 oktober 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 november 2020, waar [appellant], bijgestaan door mr. A. Bakker, via een videoverbinding, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Smit, mr. A.G.C.M. Lucassen en mr. C.A. Delsing Nicolaas, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij brief van 14 december 2017 heeft [appellant] verzocht om openbaarmaking van alles ‘wat op enigerlei is vastgelegd’ van [persoon A] over de periode van 1 augustus 2016 tot de datum van het verzoek. Om duidelijkheid te verschaffen over de gewenste informatie heeft [appellant] als voorbeelden genoemd een opdracht van inhuren, een arbeidsovereenkomst, urenlijsten, facturen, betaalbewijzen en gegevens over het ‘speciale potje’ waar [persoon A] uit zou worden betaald. Zij was door de gemeente ingehuurd als jurist om zich toe te leggen op Wob-zaken tussen [appellant] en het college.

    Bij besluit van 1 maart 2018 heeft het college het Wob-verzoek van [appellant] om openbaarmaking toegewezen, waarna het college de aangetroffen informatie als bijlage bij brief van 12 maart 2018 aan [appellant] heeft verstrekt. Daaronder bevinden zich een opdrachtbevestiging aan [persoon A] en facturen.

Hoger beroep

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om aan te nemen dat meer verzochte informatie onder het college berust dan het heeft verstrekt. Daartoe verwijst hij naar een brief van 19 oktober 2016 en de dagvaarding voor een kort geding tussen het college en hem. Het in de dagvaarding door het college genoemde aantal door [persoon A] gemaakte uren komt niet overeen met de verstrekte informatie en het feit dat niet meer informatie onder het college berust. Een deel van de genoemde 28 uur kan door de verstrekte informatie niet worden verklaard.

    Ten slotte is het volgens [appellant] gelet op artikel 3 van de Archiefwet opmerkelijk dat het college stelt dat er niet meer informatie is. In artikel 3 is namelijk bepaald dat overheidsorganen verplicht zijn de onder hen berustende archiefbescheiden te bewaren.

Beoordeling

3.    Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft het college medegedeeld dat uit de opdrachtbevestiging van 12 juni 2017 moet kunnen worden afgeleid wanneer de opdracht is gegeven en dat vanaf dat moment de facturen zijn verstrekt. In de opdrachtbevestiging staat vermeld dat [persoon A] van 1 juli 2017 tot en met 4 augustus 2017 werkzaam zou zijn. Een groot deel van de facturen ziet echter op maanden voorafgaand aan 1 juli 2017. Het college heeft ter zitting bij de Afdeling medegedeeld dat kort voor de zitting nog een keer onderzoek is gedaan en dat hierbij meer door [appellant] verzochte informatie is aangetroffen dan de informatie die al is openbaargemaakt. Het gaat om vier opdrachtbevestigingen van 29 september 2016, 1 januari 2017, 1 april 2017 en 1 juli 2017. Dit verklaart de aanwezigheid van facturen waar de opdrachtbevestiging van 12 juni 2017 niet op ziet. Het college gaat deze informatie alsnog openbaar maken. Dit betekent dat het college heeft erkend dat eerder ten onrechte niet alle informatie die onder het verzoek van [appellant] valt is openbaargemaakt.

    Het betoog slaagt.

Conclusie

4.     Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit II in zaaknr. 19/557 ongegrond is verklaard. Doende wat de rechtbank zou moeten doen, zal de Afdeling het beroep tegen dat besluit van 13 december 2018 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Het college dient een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.

5.    Het college dient op hierna te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 oktober 2019 in zaken nrs. 19/549 en 19/557, voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit II in zaaknr. 19/557 ongegrond is verklaard;

II.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het onder I genoemde besluit van 13 december 2018 gegrond;

III.    vernietigt het onder I genoemde besluit van het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn van 13 december 2018, kenmerk 2018-021737;

IV.    draagt het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn op om binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen;

V.    bepaalt dat tegen het nieuw te nemen besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.100,00 (zegge: eenentwintighonderd euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 433,00 (zegge: vierhonderddrieëndertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2020

317-898.