Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2921

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-12-2020
Datum publicatie
09-12-2020
Zaaknummer
201908744/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 oktober 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg de locaties, zoals aangegeven op de bij het besluit behorende tekening, met uitzondering van de locatie aan De Vang, aangewezen als clusterplaatsen voor het plaatsen van minicontainers voor de inzameling van huishoudelijk afval voor de woningen op de percelen De Vang 1 tot en met 15 te Leidschendam. Bij afzonderlijke besluiten van 23 oktober 2019 heeft het college, opnieuw beslissend op de gemaakte bezwaren, het besluit van 16 oktober 2017 gehandhaafd met verbetering van de motivering. Bij besluiten op bezwaar van 23 oktober 2019 heeft het college, opnieuw beslissend op de door onder meer door [appellant], [appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellant D] tegen het besluit van 16 oktober 2017 gemaakte bezwaren, het besluit van 16 oktober 2017 gehandhaafd met verbetering van de motivering. Dit betekent dat de clusterplaats aan De Vang opgeheven blijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201908744/1/R1.

Datum uitspraak: 9 december 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2017 heeft het college de locaties, zoals aangegeven op de bij het besluit behorende tekening, met uitzondering van de locatie aan De Vang, aangewezen als clusterplaatsen voor het plaatsen van minicontainers voor de inzameling van huishoudelijk afval voor de woningen op de percelen De Vang 1 tot en met 15 te Leidschendam.

Bij afzonderlijke besluiten van 23 oktober 2019 heeft het college, opnieuw beslissend op de gemaakte bezwaren, het besluit van 16 oktober 2017 gehandhaafd met verbetering van de motivering.

Tegen deze besluiten hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

Bij besluiten van 20 januari 2020 heeft het college de besluiten op bezwaar van 23 oktober 2019 bekrachtigd.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 oktober 2020, waar [appellant] en anderen, bij monde van [appellant], [appellant A],

[appellant B] en [appellant C], en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Bor en mr. K. Weemstra, zijn verschenen. Ook is ter zitting [partij] gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    De toepasselijke regelgeving is opgenomen in de bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

2.    Bij eerdere besluiten op bezwaar van 15 mei 2018 heeft het college het besluit van 16 oktober 2017, voor zover daarbij de bestaande clusterplaats aan De Vang is opgeheven, herroepen, en besloten dat deze clusterplaats aan De Vang wordt hersteld.

3.    Bij uitspraak van 10 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2356, heeft de Afdeling, voor zover hier van belang, het daartegen ingestelde beroep van [partij] gegrond verklaard, de besluiten op bezwaar van 15 mei 2018 vernietigd, het college opgedragen om binnen 12 weken met inachtneming van wat daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van 16 oktober 2017 geschorst tot zes weken nadat een nieuw besluit op de gemaakte bezwaren is genomen.

4.    Bij besluiten op bezwaar van 23 oktober 2019 heeft het college, opnieuw beslissend op de door onder meer door [appellant], [appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellant D] tegen het besluit van 16 oktober 2017 gemaakte bezwaren, het besluit van 16 oktober 2017 gehandhaafd met verbetering van de motivering. Dit betekent dat de clusterplaats aan De Vang opgeheven blijft. [partij] die woont op het adres [locatie 1], in de onmiddellijke nabijheid van de opgeheven verzamellocatie, kan zich met dat besluit verenigen. [appellant] en anderen, die de bewuste verzamellocatie juist wensen te behouden, hebben daartegen beroep ingesteld.

    Het beroep van [appellant] en anderen is ingediend namens [appellant] en [appellant A], wonend aan [locatie 2], [appellant B], wonend aan [locatie 3], [appellant C], wonend aan [locatie 4] en [appellant E], wonend aan [locatie 5].

5.    Bij besluiten van 20 januari 2020 heeft het college de besluiten op bezwaar van 23 oktober 2019 bekrachtigd door ondertekening omdat het besluit van 16 oktober 2017 door een afdelingshoofd is genomen en de besluiten op bezwaar om die reden, gelet op de binnen de gemeente toepasselijke regels voor mandaat, niet door een juridisch medewerker kon worden genomen.

Ontvankelijkheid

6.    Het college stelt dat het beroep van [appellant] en anderen, voor zover het [appellant E] betreft, niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat [appellant E] geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 16 oktober 2017.

6.1.    De Afdeling stelt vast dat [appellant E] geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 16 oktober 2017. Niet gebleken is dat hem dat niet kan worden verweten. Het beroep van [appellant] en anderen, voor zover ingesteld door [appellant E], is dan ook niet-ontvankelijk.

6.2.    Hierna wordt met [appellant] en anderen bedoeld: [appellant] en anderen, voor zover ontvankelijk.

Mandateringsgebrek

7.    [appellant] en anderen betogen dat sprake is van een mandateringsgebrek. Volgens hen zijn de besluiten op bezwaar van 23 oktober 2019 evenals het besluit van 16 oktober 2017 genomen door G.W. Toebes. Gelet hierop is het besluit op bezwaar genomen in strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Awb.

7.1.    Het besluit van 16 oktober 2017 is ondertekend met "het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leidschendam-Voorburg, namens deze R. Gussekloo Hoofd afdeling Stadsbeheer". De besluiten op bezwaar van 23 oktober 2019 zijn ondertekend met "namens burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg, de heer mr. G.W. Toebes juridisch medewerker afdeling Bedrijfsvoering". Anders dan [appellant] en anderen stellen is het besluit van 16 oktober 2017 niet, maar zijn de besluiten op bezwaar van 23 oktober 2019 wel door Toebes genomen, zodat van strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Awb, waarin staat dat het besluit op bezwaar in mandaat niet door dezelfde persoon mag worden genomen als het besluit waartegen het bezwaar is gericht, geen sprake kan zijn.

    De besluiten op bezwaar van 23 oktober 2019 zijn, zoals gezegd, wel genomen door Toebes, juridisch medewerker afdeling Bedrijfsvoering. Volgens het college zijn deze besluiten bekrachtigd omdat het besluit van 16 oktober 2017 door een afdelingshoofd is genomen en de besluiten op bezwaar van 23 oktober 2019 om die reden, gelet op de binnen de gemeente toepasselijke regels voor mandaat, niet door een juridisch medewerker konden worden genomen. De besluiten op bezwaar van 23 oktober 2019 zijn daarom met de besluiten van 20 januari 2020 bekrachtigd door het hoofd van de afdeling Bedrijfsvoering. De Afdeling is van oordeel dat het gestelde gebrek in de besluiten op bezwaar van 23 oktober 2019 kon worden hersteld op de wijze zoals het college bij de besluiten van 20 januari 2020 heeft gedaan.

7.2.    Gelet op wat in 7.1 is overwogen is het beroep tegen de besluiten op bezwaar van 23 oktober 2019 gegrond. Deze besluiten dienen te worden vernietigd. Nu het college bij besluiten van 20 januari 2020 de besluiten op bezwaar van 23 oktober 2019 heeft bekrachtigd, zal de Afdeling de overige beroepsgronden beoordelen en onderzoeken of de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten op bezwaar van 23 oktober 2019 in stand kunnen blijven.

Commissie voor bezwaarschriften

8.    [appellant] en anderen betogen dat de commissie voor bezwaarschriften (hierna: commissie) willekeurig heeft gehandeld. Zij wijzen erop dat de commissie de aanwezigen tijdens de hoorzitting willekeurige spreektijd heeft gegeven. Volgens [appellant] en anderen zijn niet alle bezwaarmakers gehoord, terwijl andere belanghebbenden, niet zijnde bezwaarmakers, wel het woord kregen. Verder voeren zij aan dat het verslag van de hoorzitting onvolledig is, omdat ingebrachte argumenten niet in het verslag zijn opgenomen en niet zijn betrokken in de overwegingen van de commissie. [appellant] en anderen wijzen er verder op dat de commissie haar eigen besliskader voor de afweging van een beperkt aantal belangen kiest. De commissie neemt de bevoegdheid van het college over de toepassing van de door de raad van de gemeente op 26 april 2016 vastgestelde "Inrichtingscriteria voor inzamelvoorzieningen in het kader van Omgekeerd Inzamelen voor de gemeente Leidschendam-Voorburg" van 28 januari 2016 (hierna: Inrichtingscriteria) zonder motivering over en wendt haar bevoegdheid aan om deze criteria ook voor bestaande situaties te laten gelden, zo stellen [appellant] en anderen.

8.1.    Ten behoeve van de besluiten op bezwaar van 23 oktober 2019 heeft het college een commissie ingesteld, die over de bezwaren heeft geadviseerd. [appellant] en anderen zijn met toepassing van artikel 7:13, derde lid, van de Awb in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Het horen heeft plaatsgevonden op 12 september 2019. Ingevolge artikel 7:7 van de Awb wordt van het horen een verslag gemaakt. De Afdeling stelt vast dat van de hoorzitting een verslag is gemaakt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2490), behoeft dit verslag geen letterlijke weergave van het horen te bevatten. Wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd, geeft geen grond voor het oordeel dat het verslag een zodanig onvolledige dan wel onjuiste weergave is van wat tijdens de hoorzitting is gezegd, dat om die reden niet zou zijn voldaan aan de eisen van artikel 7:7 van de Awb. Dat argumenten mogelijk niet in het verslag zijn opgenomen, betekent op zichzelf niet dat de commissie deze niet heeft betrokken in haar advies. [appellant] en anderen hebben verder niet aannemelijk gemaakt dat de commissie de aanwezigen tijdens de hoorzitting willekeurige spreektijd heeft gegeven. Evenmin hebben zij aannemelijk gemaakt dat niet alle bezwaarmakers zijn gehoord. Anders dan [appellant] en anderen stellen, behoort het tot de taken van de commissie om het college te adviseren bij het te nemen besluit op bezwaar. Daaronder valt ook een advies over de Inrichtingscriteria en een afweging daarover. Uit het advies en het verslag van de hoorzitting noch anderszins is van willekeur gebleken. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college het advies van de commissie niet aan de besluiten op bezwaar van 23 oktober 2019 ten grondslag heeft mogen leggen.

    Het betoog faalt.

Belangenafweging en Inrichtingscriteria

9.    De Afdeling heeft in haar eerdergenoemde uitspraak van 10 juli 2019 geoordeeld dat het college in het nieuw te nemen besluit op bezwaar opnieuw moest beoordelen of de clusterplaats aan De Vang moet worden gecontinueerd, waarbij het alle bij dat besluit betrokken belangen moest afwegen. Daarbij moest het college ook aandacht besteden aan de vraag of de Inrichtingscriteria bij de beoordeling een rol moesten spelen, aangezien in die Inrichtingscriteria zelf geen overgangsrecht is opgenomen.

10.    [appellant] en anderen kunnen zich er niet mee verenigen dat de clusterplaats aan De Vang wordt opgeheven. Zij voeren aan dat het college ten onrechte heeft geoordeeld dat de Inrichtingscriteria bij de beoordeling van de besluiten op bezwaar van 23 oktober 2019 een rol moeten spelen, terwijl het college eerst herhaaldelijk heeft aangegeven dat deze niet van toepassing zijn op de clusterplaats aan De Vang. Verder voeren [appellant] en anderen aan dat het college de Inrichtingscriteria willekeurig toepast. Zij wijzen erop dat het college voor de beoordeling van de clusterplaats aan De Vang slechts drie criteria aanhaalt, maar niet motiveert waarom het ene criterium zwaarder weegt dan het andere.

    Daarnaast voeren [appellant] en anderen aan dat het college niet alle bij de besluiten op bezwaar van 23 oktober 2019 betrokken belangen heeft afgewogen en het belang van [partij] ten onrechte zwaarder weegt dan de belangen van andere bewoners. Zij voeren aan dat de loopafstand voor alle bewoners tot de clusterplaatsen groter wordt en dat het college zijn standpunt dat er voldoende capaciteit is, onvoldoende heeft gemotiveerd. Verder voeren [appellant] en anderen aan dat het college het belang van [appellant C] niet heeft meegewogen bij zijn besluitvorming, terwijl hij overlast ervaart door de clusterplaats aan ’t Breede Weer nabij zijn huis. Ten slotte voeren [appellant] en anderen aan dat het college de negatieve gevolgen voor de bewoners en de afvalverzamelaar als gevolg van het opheffen van de clusterplaats aan De Vang ten onrechte niet in zijn belangenafweging heeft meegewogen.

10.1.    Aan de besluiten op bezwaar van 23 oktober 2019 heeft het college, anders dan aan het besluit van 16 oktober 2017, niet meer ten grondslag gelegd dat het inzamelbedrijf heeft geadviseerd de clusterplaats aan De Vang niet meer te gebruiken omdat het inzamelvoertuig dan achteruit moet rijden. Dat er, zoals [appellant] en anderen stellen, van de afvalinzamelaar geen schriftelijk advies over het achteruitrijden bestond, ligt hier dan ook niet voor.

    Het college heeft aan de besluiten op bezwaar van 23 oktober 2019 een nieuwe motivering ten grondslag gelegd en, met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2019, daarbij betrokken de belangen van [partij] en de Inrichtingscriteria. Volgens de toelichting op de Inrichtingscriteria kunnen deze worden gebruikt voor diverse inzamelvoorzieningen, waaronder clusterplaatsen. Het college heeft toegelicht dat niet alle bestaande locaties worden getoetst aan de Inrichtingscriteria. De clusterplaats aan De Vang is wel hieraan getoetst, omdat opnieuw ter beoordeling staat of deze clusterplaats moet worden gehandhaafd of opgeheven gelet op het verzoek van [partij]. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat het college de Inrichtingscriteria niet bij zijn besluitvorming kon betrekken. Dat er geen overgangsrecht in de Inrichtingscriteria is opgenomen, maakt dit niet anders. De Inrichtingscriteria staan er, zoals het college ook heeft toegelicht, niet aan in de weg dat het college deze ook toepast in het onderhavige geval.

    Het betoog faalt in zoverre.

10.2.    Anders dan [appellant] en anderen stellen, heeft het college alle bij de besluiten op bezwaar van 23 oktober 2019 betrokken belangen afgewogen.

    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de clusterplaats aan De Vang niet voldoet aan drie in de Inrichtingscriteria opgenomen richtlijnen die betrekking hebben op beperking van overlast voor de omgeving, te weten c.1, c.2 en c.13, en dat daarom de clusterplaats aan De Vang moet worden opgeheven. Het college heeft onder verwijzing naar foto’s toegelicht dat er regelmatig containers in de tuin en beplanting van [partij] vallen (c1). Daarnaast bevindt de clusterplaats zich onder het keukenraam van [partij] (c2) op minder dan 2 m afstand tot de gevel van haar woning (c13). In aanmerking genomen genoemde foto’s is van een willekeurige toepassing van de Inrichtingscriteria, zoals [appellant] en anderen stellen, niet gebleken. Voor het oordeel dat het college de overlast-ervaring en beweringen van [partij] niet op betrouwbaarheid heeft getoetst, ziet de Afdeling, gelet op de overgelegde foto’s, geen aanleiding. Ook al is handhavend optreden tegen de wijze waarop omwonenden van de clusterplaats aan De Vang gebruik maken mogelijk, het college heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat gezien de ligging van de clusterplaats aan De Vang ten opzichte van de woning van [partij] het niet mogelijk is om aan de Inrichtingscriteria te voldoen.

    Verder heeft het college toegelicht dat door het opheffen van de clusterplaats aan De Vang, bewoners moeten uitwijken naar één van de vier clusterplaatsen aan ’t Breede Weer. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat ten aanzien van [appellant] en anderen aan de in de Inrichtingscriteria genoemde loopafstanden tot één van die andere clusterplaatsen wordt voldaan. In de Inrichtingscriteria, onder a.4 ("Een goede bereikbaarheid en toegankelijkheid voor bewoners"), is als richtlijn een loopafstand van 75 m opgenomen. De Afdeling stelt vast dat binnen de afstand van 75 m tot de woningen van [appellant] en anderen in ieder geval twee tot vier clusterplaatsen staan.

    Het college heeft onder verwijzing naar foto’s toegelicht dat na de opheffing van de clusterplaats aan De Vang, het gebruik van de clusterplaatsen aan 't Breede Weer meerdere malen is geobserveerd. Hieruit komt hetzelfde beeld naar voren, te weten dat twee clusterplaatsen het drukst bezet zijn en dat twee clusterplaatsen meer dan voldoende ruimte bieden, aangezien één clusterplaats altijd leeg is en de andere halfleeg. Gelet op deze toelichting van het college en de overgelegde foto’s, is de Afdeling van oordeel dat het college zijn standpunt dat er na opheffing van de clusterplaats aan De Vang nog voldoende capaciteit is bij één van de andere clusterplaatsen, voldoende heeft gemotiveerd.

    [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de door hen gestelde geluidoverlast, ondanks de afstanden van hun woningen tot één van de clusterplaatsen aan ’t Breede Weer, zodanig is dat het college niet in redelijkheid kon besluiten tot opheffing van de clusterplaats aan De Vang. Evenmin hebben zij aannemelijk gemaakt dat als de clusterplaats aan De Vang is opgeheven, sprake zal zijn van een verkeersonveilige situatie omdat de minicontainers langer over de rijweg moeten worden verplaatst. Voor zover [appellant] en anderen ter zitting hebben aangevoerd dat er door het opheffen van de clusterplaats aan De Vang een tekort is aan parkeerplaatsen, wat leidt tot een hogere parkeerdruk, en dat de toegankelijkheid van de andere clusterplaatsen verslechterd wordt, overweegt de Afdeling dat niet gebleken is dat daardoor zo veel parkeermogelijkheden verloren gaan dat ook om die reden het college niet tot opheffing van de clusterplaats aan De Vang mocht overgaan. Evenmin is gebleken dat het college onder de in deze overweging opgenomen omstandigheden meer gewicht had moeten toekennen aan de toegenomen overlast die [appellant C] stelt te ervaren. [appellant] en anderen hebben niet onderbouwd dat de toename van het aantal containers op de clusterplaats tegenover de woning van [appellant C] door het wegvallen van de clusterplaats aan De Vang leidt tot een onaanvaardbaar gebruik van die clusterplaats. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat, anders dan de situatie bij [partij], tussen de woning van [appellant C] en de clusterplaats tegenover zijn woning zijn tuin en een weg zijn gelegen.

    Het betoog faalt in zoverre.

10.3.    De beroepsgrond van [appellant] en anderen dat de loopafstand voor andere bewoners groter wordt en dat de afvalverwerker negatieve gevolgen zal ondervinden, omdat deze een langere verwerkingstijd nodig heeft, houden geen verband met hun eigen belangen, maar met de belangen van andere bewoners die mogelijk op een grotere afstand van de clusterplaatsen wonen en de belangen van de afvalverwerker. Deze beroepsgronden kunnen, gelet op artikel 8:69a van de Awb, er daarom niet toe leiden dat de besluiten op bezwaar van 23 oktober 2019 om die reden worden vernietigd. De Afdeling ziet dan ook af van een inhoudelijke bespreking van deze beroepsgronden.

10.4.    Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft het college in redelijkheid de clusterplaats aan De Vang kunnen opheffen.

    Het betoog faalt.

Conclusie

11.    Gelet op wat in 7.2 is overwogen, is het beroep tegen de besluiten op bezwaar van 23 oktober 2019 gegrond, zodat die besluiten dienen te worden vernietigd. De Afdeling zal evenwel bepalen dat de rechtsgevolgen van die besluiten geheel in stand blijven.

12.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep tegen de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg van 23 oktober 2019, kenmerken 2012198/2358057, 2012198/2357665, 2012198/2358065 en 2012198/2358074, niet-ontvankelijk, voor zover dit is ingesteld door [appellant E];

II.    verklaart het beroep tegen de onder I genoemde besluiten, voor zover ontvankelijk, gegrond;

III.    vernietigt de onder I genoemde besluiten;

IV.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van de onder I genoemde besluiten geheel in stand blijven;

V.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 174,00 (zegge: honderdvierenzeventig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. Schueler, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2020

374-877.

 

BIJLAGE

 

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 6:13

Geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.

Artikel 7:7

Van het horen wordt een verslag gemaakt.

Artikel 7:11

1 Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

2 Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.

Artikel 7:13, derde lid

Het horen geschiedt door de commissie. De commissie kan het horen opdragen aan de voorzitter of een lid dat geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan.

Artikel 8:69a

De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Artikel 10:3, derde lid

Mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift of op een verzoek als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, wordt niet verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen.

Afvalstoffenverordening Leidschendam-Voorburg 2016

Artikel 7, eerste lid

Burgemeester en wethouders stellen regels over de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk door de inzameldienst worden ingezameld, over de frequentie van de inzameling van elk van deze bestanddelen, en over de locaties van deze inzameling bij of nabij elk perceel.

Artikel 10

1 Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door burgemeester en wethouder te stellen regels over het gebruik van:

a. inzamelmiddelen voor het aanbieden ter inzameling bij een perceel;

b. inzamelvoorzieningen voor het aanbieden ter inzameling nabij een perceel.

2. Het is verboden om een inzamelmiddel na afloop van de tijden, bedoeld in artikel 9, buiten een perceel te laten staan.

[…]

Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Leidschendam-Voorburg

Artikel 4

Op grond van artikel 7, eerste lid en artikel 10 van de verordening worden de volgende inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen voorgeschreven:

a. bij eengezinswoningen:

- restafval: indien aanwezig met verzamelcontainers. Indien niet aanwezig, middels minicontainers.

- GFT-afval, papier en karton en Plastic, Metaal en Drankverpakkingen (PMD) met minicontainers. Indien niet aanwezig, middels verzamelcontainers.

[…]

Inrichtingscriteria voor inzamelvoorzieningen in het kader van Omgekeerd Inzamelen voor de gemeente Leidschendam-Voorburg van 28 januari 2016

[…]

a. Een goede bereikbaarheid en toegankelijkheid voor bewoners

[…]

4. De maximale loopafstand tot een inzamelvoorziening voor GFT, PMD en OPK is 75 meter.*

* Bij niet grondgebonden woningen wordt de loopafstand gemeten vanaf de dichtstbijzijnde in- of uitgang en bij grondgebonden woningen wordt de loopafstand gemeten vanaf de dichtstbijzijnde erfgrens.

[…]

c. beperking van overlast voor de omgeving

1 Er mag bij aanleg en gebruik van de inzamelvoorziening geen schade aan eigendommen van derden ontstaan.

2 De voorziening bevindt zich niet voor een deur en ook niet onder een raam of balkon van een woonhuis.

[…]

13 De afstand van het hart van de inzamelvoorziening tot de gevel van een woning is zo groot mogelijk maar minimaal 2 meter.

[…]