Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2907

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-12-2020
Datum publicatie
09-12-2020
Zaaknummer
201908140/1/R4
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 september 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Duiven aan het waterschap Rijn en IJssel een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van twee twee windturbines met bijbehorende opstelplaatsen, transformatorkasten en een inkoopstation op het terrein van haar rioolwaterzuivering aan de Roelofshoeveweg 4 in Duiven. De locatie is gelegen op het bedrijventerrein. [appellant] en anderen hebben bezwaren tegen het plan om twee windturbines te realiseren. Zij vrezen vooral voor de aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving van de windturbines.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2020/8415
JOM 2021/5
Milieurecht Totaal 2021/7222
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201908140/1/R4.

Datum uitspraak: 9 december 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Lathum, gemeente Zevenaar,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Duiven,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2019 heeft het college aan het waterschap Rijn en IJssel (hierna: het waterschap) een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van twee windturbines met een inkoopstation en toebehoren op de locatie nabij Roelofshoeveweg 4 in Duiven.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de STAB) heeft op verzoek van de Afdeling een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellant] en anderen, het waterschap en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 november 2020, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant en anderen], bijgestaan door mr. E.T. de Jong, advocaat te Arnhem, en het college, vertegenwoordigd door T.A.E.J. Nijs en F.H. van der Wind, bijgestaan door mr. J.N. Gerritsen, advocaat te Arnhem, zijn verschenen. Ter zitting is ook het waterschap, vertegenwoordigd door H.W. van Ziel, P. Brokke, A.M. Schakel, bijgestaan door mr. E.M.N. Noordover, advocaat te Amsterdam, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het waterschap heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het plaatsen van twee windturbines met bijbehorende opstelplaatsen, transformatorkasten en een inkoopstation op het terrein van haar rioolwaterzuivering aan de Roelofshoeveweg 4 in Duiven. De locatie is gelegen op het bedrijventerrein InnoFase. Het bedrijventerrein ligt tussen het buitengebied aan de noordkant, het bedrijventerrein Centerpoort-Noord aan de oost- en zuidkant, en de uiterwaarden van de IJssel aan de westkant. De rijksweg A12 ligt ten zuiden van de locatie voor de windmolens. Aan de oostzijde van de rioolwateringszuiveringsinstallatie, aan de overkant van de IJssel, bevinden zich de kernen Velp en Arnhem. Ten noorden van de rioolwateringszuiveringsinstallatie liggen kleinere kernen waarvan Lathum de dichtstbijzijnde is. De locatie wordt globaal omsloten door de provinciale weg N338 Westervoort-Doesburg aan de noordoostzijde en de Roelofshoeveweg aan de noord-, west- en zuidzijde.

2.    [appellant] en anderen hebben bezwaren tegen het plan om twee windturbines te realiseren. Zij vrezen vooral voor de aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgeving van de windturbines. Op de zitting hebben zij onder verwijzing naar de ingediende zienswijzen toegelicht dat zij - als natuurlijke personen - de opvattingen van vele inwoners van Lathum vertolken.

3.    Op de zitting van de Afdeling is gebleken dat een aantal gronden uit het aanvullend beroepschrift is ingetrokken.

4.    Ter plaatse gelden de bestemmingsplannen "Geluidsverkaveling bedrijventerrein InnoFase", "Thematisch bestemmingsplan geluidzone bedrijventerrein InnoFase, Duiven", "Bedrijventerrein InnoFase, Duiven" en "Archeologie". Het project is niet in overeenstemming met de regels van deze bestemmingsplannen. Om het project niettemin mogelijk te maken, heeft het college bij vergunning van deze bestemmingsplannen afgeweken.

5.    Bij het besluit van 24 september 2019 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen, aanleggen en handelen in strijd met een bestemmingsplan. Het college heeft daarbij artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) toegepast. Daarbij is artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) en de Coördinatieverordening gemeente Duiven (hierna: de Coördinatieverordening) op verzoek van het waterschap toegepast. Het college van gedeputeerde staten van Gelderland heeft bepaald dat de provinciale coördinatieregeling niet wordt toegepast. De raad van de gemeente Duiven heeft een verklaring van geen bedenkingen gegeven als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo.

Later aanleveren van gegevens

6.    [appellant] en anderen betogen dat het college onvoldoende aan het Bouwbesluit 2012 (hierna: het Bouwbesluit) heeft getoetst. Daarover voeren zij aan dat de gegevens die de hoofdlijn van de constructie of het constructieprincipe betreffen niet later mogen worden aangeleverd.

6.1.    De aanbesteding en keuze voor de twee identieke windturbines vindt op een later moment plaats. In de aanvragen is daarom een bandbreedte opgenomen ten aanzien van de afmetingen. Zoals de Afdeling heeft overwogen onder 257.1 van haar uitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, betekent de enkele omstandigheid dat niet aan de indieningsvereisten in het Besluit omgevingsrecht en de Regeling omgevingsrecht wordt voldaan, daargelaten of dat hier het geval is, niet dat de omgevingsvergunning om die reden niet in stand kan blijven. Het is aan het bestuursorgaan om te beoordelen of bij een aanvraag voldoende gegevens en bescheiden zijn ingediend om een besluit op de aanvraag te kunnen nemen.

In de aanvraag voor de omgevingsvergunning is in tabel 5.2 vermeld welke gegevens en stukken later bij het college zullen worden aangeleverd. Op grond van artikel 2.7 van de Regeling omgevingsrecht kan in een omgevingsvergunning worden bepaald dat gegevens uiterlijk binnen een termijn van drie weken voor de start van de uitvoering van de werkzaamheden moeten worden overgelegd. De definitief gekozen windturbinetypes zullen ontworpen en gecertificeerd zijn conform de internationale standaard voor windturbines, de NEN/EN/IEC 61400-1. In tabel 3.1 van de aanvraag zijn de bouwgerelateerde eigenschappen van de windturbines beschreven. De aanvraag wordt gedaan op basis van de maximale en minimale afmetingen voor de ashoogte, rotordiameter en de tiphoogte en de maximale dimensionering van de funderingen. De aanvraag bevat een principetekening van het fundament met een toelichting daarop. In de aanvraag zijn verder indicatieve tekeningen opgenomen van een inkoopstation. De belangrijkste onderdelen van de windturbines zijn in de aanvraag toegelicht, evenals de bouwgerelateerde eigenschappen van de windturbines. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat aannemelijk is dat aan de eisen van het Bouwbesluit wordt voldaan. De Afdeling ziet evenmin grond voor het oordeel dat het college ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 2.7 van de Regeling omgevingsrecht.

Het betoog faalt.

Participatie

7.    [appellant] en anderen betogen dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid, omdat het participatieplan niet voldoet aan de eisen van de gedragscode Acceptatie en Participatie Windenergie op Land (hierna: de gedragscode). Meer in het bijzonder voeren [appellant] en anderen aan dat zij niet zijn betrokken bij het opstellen van het participatieplan. Ook de regeling voor een financiële participatie was ten tijde van het besluit van 24 september 2019 nog niet gereed.

7.1.    Een onderdeel van de aanvraag is het door het waterschap op 30 juli 2019 vastgestelde participatieplan. In het participatieplan is beschreven op welke manier de omgeving bij het project wordt betrokken. Daarbij is een overzicht van participatieactiviteiten gegeven. In het participatieplan is tevens vermeld dat het waterschap direct omwonenden wil laten meeprofiteren van de winst.

7.2.    In de gedragscode, die door private partijen is opgesteld en ondertekend, is vermeld dat initiatiefnemers van een plan voor windenergie voorafgaand aan het ruimtelijk ordeningsproces en in overleg met het bevoegd gezag een participatieplan opstellen in samenspraak met belanghebbenden. In de gedragscode is ook vermeld dat de omvang en inhoud van het participatieplan afhankelijk is van het project en de uitkomsten van de gesprekken met de omwonenden en andere belanghebbenden.

7.3.    Bij brief van 21 december 2017 met als onderwerp "principebesluit planologische medewerking […]" heeft het college aan het waterschap geschreven dat de gedragscode het uitgangspunt is voor de verdere uitwerking van het plan en dat voor financiële participatie geldt dat nadere afspraken worden gemaakt. Het college heeft zich daarmee niet gebonden aan de gedragscode en het heeft in dat verband ook geen beleid vastgesteld. De gemeenteraad heeft zich evenmin aan de gedragscode gebonden. In de verklaring van geen bedenkingen voor het project is geen eis opgenomen over (financiële) participatie. In de zienswijzennota is opgenomen dat de vraag of er sprake is van een passende vergoeding geen onderdeel is van de ruimtelijke procedure, omdat het gaat om een vrijwillige vergoeding zonder wettelijke grondslag en dat een beoordeling van de hoogte van de vergoeding in het kader van de ruimtelijke procedure niet aan de orde is.

Dat (het vaststellen van) het participatieplan niet volledig in overeenstemming is met de gedragscode, betekent niet dat het besluit van 24 september 2019 onzorgvuldig is voorbereid zoals door [appellant] en anderen wordt betoogd. In de wet is niet vastgelegd dat de gedragscode moet worden gevolgd en het college en de raad hebben zich niet gebonden aan de gedragscode of als voorwaarde gesteld dat daaraan moet worden voldaan. Het participatieplan maakt onderdeel uit van de aanvraag, maar het speelt in dit geval geen rol bij de vraag of de afwijking van het bestemmingsplan is gerechtvaardigd en of het college de gevraagde omgevingsvergunning in redelijkheid kon verlenen. Het aangevoerde geeft daarom ook geen grond voor het oordeel dat het besluit van 24 september 2019 onzorgvuldig is voorbereid.

Het betoog faalt.

Alternatieven

8.    [appellant] en anderen betogen dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid, omdat pas ná indiening van de aanvraag is onderzocht of er mogelijk alternatieve locaties zijn.

8.1.    Over de keuze van de locatie heeft het college toegelicht dat het waterschap in 2014 een verkenning heeft gedaan en dat de mogelijk meest kansrijke locaties in beeld zijn gebracht. In 2015 zijn vier locaties verder verkend: de terreinen van de rioolwaterzuivering in Etten, Duiven, Olburgen en Zutphen. Na de indiening van de aanvraag zijn alternatieve locaties verkend die door de Dorpsraad zijn aangedragen. Het gaat daarbij om gronden die niet in eigendom zijn van het waterschap. De verkenning van deze locaties heeft niet tot aanpassing van de aanvraag geleid.

Het college dient te beslissen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project, waarvoor een vergunning is aangevraagd. Indien een project op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Dat na indiening van de aanvraag mogelijke alternatieve locaties zijn onderzocht, betekent niet dat het besluit van 24 september 2019 alleen al daarom onzorgvuldig is voorbereid. Er is ook geen verplichting voor de aanvrager om belanghebbenden te laten meedenken over mogelijke locaties vóórdat een aanvraag wordt ingediend. In wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid.

Het betoog faalt.

Gezondheid

9.    [appellant] en anderen betogen dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de aanwezigheid van de afvalverbrandingsinstallatie van AVR Afvalverwerking B.V. De afvalverbrandingsinstallatie verbrandt huishoudelijk afval en bedrijfsafval in drie verbrandingsovens en daarnaast wordt papierslib thermisch verwerkt. [appellant] en anderen vrezen voor gezondheidseffecten als gevolg van de combinatie van windturbines met de emissie van de afvalverbrandingsinstallatie. [appellant] en anderen betogen dat voor de onderzoeken die in opdracht van het waterschap zijn uitgevoerd, verouderde modellen zijn gebruikt en dat de conclusie dat slechts sprake is van een verwaarloosbaar effect, onjuist is. Uit het rapport van dr. H. Jonker, ir. P. van Dorp en dr. ir. R. Verzijlbergh van Whiffle Weather Finecasting B.V. ("Finescale dispersion modelling of the Duiven AVR with wind turbines: Model description and simulation set-up"; hierna: het rapport van Whiffle) blijkt dat de effecten vooral als gevolg van de wisselwerking voor de inwoners van Lathum veel ernstiger zijn dan gedacht. Gelet op de gezondheidseffecten van de windturbines in combinatie met de afvalverbrandingsinstallatie, had het college volgens [appellant] en anderen niet in redelijkheid medewerking aan het project kunnen verlenen.

9.1.    De beoogde locatie van de windturbines ligt op 300 m en 500 m van de afvalverbrandingsinstallatie. In opdracht van het waterschap is door DNV-GL onderzoek gedaan naar het effect van de windturbines op de emissie van de afvalverbrandingsinstallatie ("Effect windturbines op de emissies van AVR Duiven" van 8 februari 2017). De conclusie van dat onderzoek is dat de windturbines het verspreidingsgedrag van de pluim uit de hoge schoorsteen beïnvloeden, maar dat de bijdrage van de schoorsteenemissies aan de concentraties op leefniveau zo laag zijn dat het effect van de windturbines in absolute zin verwaarloosbaar is. Voor geur wordt geconcludeerd dat er nauwelijks een verandering zal optreden.

Op verzoek van en in overleg met omwonenden is een second opinion uitgevoerd door Witteveen+Bos ("Verspreidingsberekeningen van de emissies van de AVR Duiven" van 1 oktober 2018). Dat onderzoek bevestigt dat de rookpluim van de afvalverbrandingsinstallatie in combinatie met de windturbines geen nadelige invloed heeft op de luchtkwaliteit in de directe omgeving.

In aanvulling op deze onderzoeken zijn nieuwe berekeningen gemaakt door Erbrink Stacks Consult ("Effect windturbines op de luchtkwaliteit rond AVR Duiven" van 1 maart 2019). De resultaten hiervan zijn samengevat en beoordeeld door Witteveen+Bos ("Second opinion effect windmolens op luchtkwaliteit" van 6 maart 2019). De conclusie is dat de windturbines geen significant effect op de blootstelling in de omgeving hebben. De reden hiervoor is ook dat de bijdragen van de afvalverbrandingsinstallatie aan de concentraties in de omgeving als zodanig al uiterst gering zijn ten opzichte van de heersende achtergrondconcentraties en de geldende grenswaarden.

GGD Gelderland-Midden heeft op verzoek van onder meer omwonenden ook onderzoek gedaan naar de mogelijke gevolgen van de windturbines op de rookpluim van de afvalverbrandingsinstallatie ("Invloed windmolens AVR Duiven op luchtkwaliteit en gezondheid omwonenden" van 16 september 2019). De conclusie van de GGD is dat het effect van de windturbines op de pluim van de afvalverbrandingsinstallatie een zo geringe verslechtering is voor de luchtkwaliteit, dat er geen effect op de gezondheid van de inwoners van Lathum wordt verwacht.

9.2.    De voorlopige conclusie van Whiffle is dat, afgaande op de grondconcentraties, de turbines op de luchtkwaliteit zowel een gunstig effect als een ongunstig effect hebben. Voor Lathum maken de meeste windrichtingen geen verschil, maar als de pluim van de afvalverbrandingsinstallatie over Lathum komt dan is het ongunstig (effecten in de orde van 50%). Iets verder doordraaiend wordt de situatie volgens Whiffle gunstiger, maar dat heeft op Lathum geen effect. Hoe ongunstig het jaargemiddelde is hangt af van het voorkomen van deze windrichtingen in combinatie met de windsnelheid en de stabiliteit van de atmosfeer (dag/nacht, grondtemperatuur). De simulaties die Whiffle in het rapport tonen, zijn gedaan voor neutrale/licht stabiele weercondities. Het is volgens Whiffle belangrijk deze effecten in onderlinge samenhang te onderzoeken (door een heel jaar met actuele weersituaties te simuleren). Verder is de voorlopige conclusie dat de nabijheid van windturbines een rol speelt in de dispersieresultaten. De windturbines hebben drie afzonderlijke effecten: 1) extra generatie van turbulentie en daardoor extra menging; 2) afbuiging van de stroming als ware het een semi-permeabel object; 3) reductie van de windsnelheid achter de turbine, maar ook iets voor de turbine. Het voorspellen hoe deze drie effecten in samenhang de grondconcentraties zullen beïnvloeden, is volgens Whiffle niet eenvoudig. Het zo exact mogelijk simuleren van de turbulente atmosferische situatie, inclusief obstakels en andere omgevingsfactoren, lijkt volgens Whiffle een zinnige methode om deze effecten te bestuderen.

9.3.    Op 26 juni 2020 heeft de STAB op verzoek van de Afdeling een deskundigenbericht uitgebracht. De vraagstelling aan de STAB was om de gevolgen van de twee beoogde windturbines te beschrijven, voor zover nodig voor de behandeling van het beroep, en hierbij de gezondheidseffecten in relatie tot de nabijgelegen afvalverbrandingsinstallatie te betrekken.

De STAB heeft over de mogelijke verslechtering van de luchtkwaliteit in het deskundigenbericht opgemerkt dat de door het waterschap aangeleverde onderzoeken naar de verspreiding van de luchtverontreiniging afdoende informatie geven om te concluderen dat het verspreidingsgedrag van de pluim van de afvalverbrandingsinstallatie negatief wordt beïnvloed door de plaatsing van de windturbines. Er zal daarom sprake zijn van een geringe toename aan luchtverontreinigende stoffen in Lathum. Deze toename is echter verwaarloosbaar ten opzichte van de heersende achtergrondniveaus en er wordt nog ruim binnen de grenswaarden ter bescherming van de gezondheid van de mens gebleven. In de berekeningen is rekening gehouden met storingen van de bedrijfsvoering bij de afvalverwerkingsinstallatie. Ook de onderzoeksresultaten van de GGD Gelderland Midden leiden tot de conclusie dat de effecten voor de gezondheid verwaarloosbaar zijn.

Over het onderzoek van Whiffle heeft de STAB gesteld dat de berekeningen niet kwalitatief kunnen worden beoordeeld en vergeleken met de onderzoeken die door het waterschap zijn uitgevoerd, omdat de emissiegegevens van de afvalverbrandingsinstallatie niet in de gepresenteerde tabellen zijn verdisconteerd. De STAB leidt uit de berekeningsresultaten van Whiffle af dat bij een windrichting uit het zuidwesten een negatief effect op het pluimgedrag optreedt bij het dorp Lathum, dus in noordoostelijke richting. Bij andere windrichtingen is het pluimgedrag echter weer positief. Omdat het door Whiffle gebruikte model in eerste instantie bedoeld is voor meteorologische verspreiding en niet voor verspreiding van verontreinigende stoffen, zijn de in kaart gebrachte effecten in de figuren 4 tot en met 6 van de notitie moeilijk te duiden in relatie tot aantasting van het woon- en leefklimaat en gezondheidseffecten. Hieruit zijn volgens de STAB dan ook geen harde conclusies te trekken over het pluimgedrag ten gevolge van de geplande windturbines. Dit neemt volgens de STAB echter niet weg dat ook op grond van het rapport van Whiffle geconcludeerd kan worden dat alleen negatieve gevolgen zijn te verwachten in noordoostelijke richting. Dit komt overeen met de conclusies van het rapport van Erbrink Stacks Consult.

9.4.    Het college heeft een reactie van Witteveen+Bos van 12 oktober 2020 op het deskundigenbericht ingediend. Deze reactie heeft geen gevolgen voor de conclusie van de STAB.

[appellant] en anderen hebben in reactie hierop herhaald dat het gehanteerde onderzoeksmodel niet geschikt is voor deze situatie. Ook hebben zij uiteengezet waarom het door Whiffle gehanteerde onderzoeksmodel wel geschikt is. Volgens [appellant] en anderen heeft het onderzoek van Whiffle aangetoond dat het Stacks+ model dat in de onderzoeken voor het waterschap is gebruikt een belangrijke consequentie van de voorgenomen plaatsing van de twee windturbines ten opzichte van de schoorsteen van de afvalverbrandingsinstallatie niet heeft meegenomen, namelijk een windtunneleffect.

Op de zitting van de Afdeling hebben partijen een toelichting gegeven op de onderzoeken. Het waterschap heeft weersproken dat het tunneleffect niet in de onderzoeken is meegenomen. [appellant] en anderen hebben gesteld dat zij de aannames van het door het waterschap gehanteerde model niet kennen.

9.5.    Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat de partij over het advies heeft aangevoerd.

In dit geval zijn door het college en het waterschap meerdere onderzoeken gedaan. De Afdeling ziet zich gesteld voor de vraag of het betoog van [appellant] en anderen, onder verwijzing naar het onderzoek van Whiffle, de uitkomsten van de rapporten van het college en het waterschap ondergraaft en wel in die mate dat dit leidt tot de conclusie dat het college vanwege de gezondheidseffecten niet in redelijkheid medewerking aan het project kon verlenen. De Afdeling beantwoordt die vraag ontkennend. De Afdeling betrekt daarbij het deskundigenbericht dat door de STAB is uitgebracht. In het bijzonder betrekt de Afdeling daarbij de opmerkingen van de STAB dat het door Whiffle gebruikte model in eerste instantie bedoeld is voor meteorologische verspreiding en niet voor verspreiding van verontreinigende stoffen, dat voor het door Whiffle gebruikte model geen goedkeuring is verleend door het ministerie voor gebruik als verspreidingsmodel voor luchtverontreinigende stoffen volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007, en dat het model nog niet is gevalideerd. De Afdeling heeft begrip voor de zorgen van [appellant] en anderen over de mogelijke effecten van de windturbines in combinatie met de afvalverbrandingsinstallatie. De Afdeling ziet in wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd echter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat getwijfeld moet worden aan de uitkomsten van de onderzoeken van het waterschap en het college. Het deskundigenbericht van de STAB onderschrijft de conclusie dat er weliswaar sprake zal zijn van een geringe toename aan luchtverontreinigende stoffen in Lathum, maar dat die toename verwaarloosbaar is ten opzichte van de heersende achtergrondniveaus. Er wordt nog ruim binnen de grenswaarden ter bescherming van de gezondheid van de mens gebleven. De conclusie van de Afdeling is dus dat er in het betoog over de gestelde gezondheidseffecten geen grond wordt gevonden voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid een omgevingsvergunning voor het project kon verlenen.

Het betoog faalt.

Conclusie

10.    [appellant] en anderen betogen dat het bestemmingsplan zich tegen de vergunningverlening verzet en dat er geen gronden aanwezig zijn die een afwijking rechtvaardigen.

10.1.    Bij zijn besluitvorming over de aanvraag van het waterschap heeft het college beleidsruimte. Indien het college van mening is dat het bouwplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, kan het er voor kiezen om zijn bevoegdheid tot afwijking van het bestemmingsplan al dan niet te gebruiken. In dat geval toetst de rechter of het college bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. De Afdeling ziet in wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid medewerking aan het project heeft kunnen verlenen.

Het betoog faalt.

Slot

11.    Het beroep is ongegrond.

12.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.C.P. Venema, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. W. den Ouden, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2020

672.