Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2885

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-12-2020
Datum publicatie
09-12-2020
Zaaknummer
202005477/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van onbekende datum, gepubliceerd op 3 september 2020, heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam de locatie op de hoek van het Brekelsveld en het Glanerveld, (hierna: de locatie) aangewezen voor de plaatsing van een ondergrondse restafvalcontainer. [verzoekster] woont op het adres [locatie]. De locatie waar de ORAC zal worden geplaatst, ligt in de nabijheid van haar woning. [verzoekster] is het niet eens met de aanwijzing van die locatie voor de plaatsing van een ORAC. Zij voert aan dat dit zal leiden tot geur- en geluidoverlast en gezondheidsklachten vanwege ziektekiemen. Verder vreest zij dat huisvuilzakken naast de container worden gezet als die vol is, en dat die dan niet zullen worden verwijderd door de gemeente. Tot slot heeft zij gewezen op enkele alternatieve locaties in de omgeving waar een ORAC ook zou kunnen worden geplaatst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202005477/2/R1.

Datum uitspraak: 7 december 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], wonend te Rotterdam,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van onbekende datum, gepubliceerd op 3 september 2020, heeft het college de locatie op de hoek van het Brekelsveld en het Glanerveld, (hierna: de locatie) aangewezen voor de plaatsing van een ondergrondse restafvalcontainer (hierna: ORAC).

Tegen dit besluit heeft [verzoekster] beroep ingesteld. [verzoekster] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 november 2020, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. C.W. de Jong en M. Harbers, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    [verzoekster] woont op het adres [locatie]. De locatie waar de ORAC zal worden geplaatst, ligt in de nabijheid van haar woning. [verzoekster] is het niet eens met de aanwijzing van die locatie voor de plaatsing van een ORAC. Zij voert aan dat dit zal leiden tot geur- en geluidoverlast en gezondheidsklachten vanwege ziektekiemen. Verder vreest zij dat huisvuilzakken naast de container worden gezet als die vol is, en dat die dan niet zullen worden verwijderd door de gemeente. Tot slot heeft zij gewezen op enkele alternatieve locaties in de omgeving waar een ORAC ook zou kunnen worden geplaatst.

3.    De voorzieningenrechter overweegt dat uit de rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 24 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1464, volgt dat de genoemde gevolgen onder normale omstandigheden niet aan een aanwijzing van een locatie voor de plaatsing van een ORAC in de weg hoeven staan. Daarbij is van belang dat geluid- en geurhinder door de constructie van ORAC’s en door het regelmatig legen en schoonmaken ervan zoveel mogelijk wordt voorkomen, dat de verkeersaantrekkende werking van een ORAC in het algemeen beperkt is en dat het legen van een ORAC maar van korte duur is. De Afdeling beoordeelt daarom enkel of locatiespecifieke of andere bijzondere omstandigheden het maken dat het college in die gevolgen reden had moeten zien om de locatie niet aan te wijzen voor de plaatsing van een ORAC.

    Wat [verzoekster] in haar verzoek en op de zitting naar voren heeft gebracht, heeft de voorzieningenrechter niet doen overtuigen dat de Afdeling in de bodemprocedure zal oordelen dat er locatiespecifieke omstandigheden of andere bijzondere omstandigheden zijn, op grond waarvan het college had moeten afzien van de aanwijzing van deze locatie. Over de geluidoverlast heeft het college nog nader toegelicht dat de trommel van de ORAC met rubber wordt uitgerust, om het geluid van metaal op metaal te dempen. Over eventuele geurhinder heeft het college toegelicht dat de te plaatsen ORAC met een trommelsysteem werkt, ongeveer drie maal per week wordt gelegd en doorgaans zo spoedig mogelijk na een melding van geuroverlast wordt schoongemaakt. Voorts heeft het college aangegeven dat doorgaans ook zo spoedig mogelijk na een daartoe strekkende melding bij de gemeente afval dat buiten een ORAC is geplaatst, door de gemeente wordt verwijderd. Voorts heeft het college toegelicht dat het handhavend optreedt tegen afval dat op een onjuiste wijze wordt aangeboden, en dat dienaangaande ook controles worden verricht.

    Over de andere locaties heeft het college op de zitting inzichtelijk gemaakt waarom deze niet in aanmerking komen voor de plaatsing van een ORAC. Op de voorgestelde locaties liggen leidingen in de grond, is bovengronds stedelijk groen aanwezig, is een laadpaal aanwezig, of zou de container tijdens het legen ervan over auto’s heen getild moeten worden. [verzoekster] heeft deze argumentatie niet, althans onvoldoende bestreden.

4.    Onder deze omstandigheden verwacht de voorzieningenrechter niet dat de Afdeling in de bodemprocedure zal oordelen dat het college niet in redelijkheid deze locatie heeft mogen aanwijzen voor het plaatsen van een ORAC. Om die reden ziet hij aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, griffier.

De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 7 december 2020

361.