Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2877

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-12-2020
Datum publicatie
02-12-2020
Zaaknummer
201905228/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2019:2542, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 mei 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [appellante] over 2016 definitief berekend en vastgesteld op nihil. [appellante] woont aan de [locatie] in Montfoort. De woning is gebouwd op door de stichting GroenWest in erfpacht uitgegeven grond. [appellante] was niet in staat de koopsom hiervan te financieren. Haar dochter en schoonzoon wel en hebben de koop gefinancierd met de afspraak dat zij na de bouw van de woning de economische eigendom zouden krijgen. Dit is op 7 november 2011 ook daadwerkelijk gebeurd. [gemachtigde B] kon geen juridisch eigenaar worden omdat hij niet aan de door de stichting GroenWest gestelde erfpacht voorwaarden (senioren doelgroep) voldeed. [appellante] heeft het juridisch eigendom, huurt de woning van [gemachtigde B] en betaalt daar ook huur voor. [appellante] en de Belastingdienst/Toeslagen verschillen van mening of het juridische eigendom van [appellante] betekent dat zij geen recht heeft op huurtoeslag over 2016 en 2018.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 08-12-2020
FutD 2020-3724
RSV 2021/81
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201905228/1/A2.

Datum uitspraak: 2 december 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 juni 2019 in zaken nrs. 18/4182 en 18/4184 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [appellante] over 2016 definitief berekend en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 22 mei 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot huurtoeslag van [appellante] over 2018 (opnieuw) berekend en vastgesteld op nihil.

Bij besluiten van 10 oktober 2018 en 15 oktober 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de door [appellante] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 juni 2019 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Partijen waren uitgenodigd voor een zitting van de Afdeling op 30 maart 2020. In verband met de uitbraak van het coronavirus en de in verband daarmee door de overheid getroffen maatregelen kon deze zitting niet doorgaan. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 oktober 2020, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en vergezeld door [gemachtigde B], en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken en mr. D.W.L.M. van Veldhuizen, zijn verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

1.    [appellante] woont aan de [locatie] in Montfoort. De woning is gebouwd op door de stichting GroenWest in erfpacht uitgegeven grond. [appellante] was niet in staat de koopsom hiervan te financieren. Haar dochter en schoonzoon (hierna in enkelvoud: [gemachtigde B]) wel en hebben de koop gefinancierd met de afspraak dat zij na de bouw van de woning de economische eigendom zouden krijgen. Dit is op 7 november 2011 ook daadwerkelijk gebeurd. [gemachtigde B] kon geen juridisch eigenaar worden omdat hij niet aan de door de stichting GroenWest gestelde erfpacht voorwaarden (senioren doelgroep) voldeed. [appellante] heeft het juridisch eigendom, huurt de woning van [gemachtigde B] en betaalt daar ook huur voor.

2.    Bij het besluit van 11 mei 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [appellante] over 2016 definitief berekend en vastgesteld op nihil. Bij het besluit van 22 mei 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot huurtoeslag van [appellante] over 2018 (opnieuw) berekend en vastgesteld op nihil. Bij de besluiten van 10 oktober 2018 en 15 oktober 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de door [appellante] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard omdat uit informatie van het kadaster is gebleken dat de woning in die jaren eigendom was van [appellante]. Uit de van toepassing zijnde regels volgt volgens de Belastingdienst/Toeslagen dat zij dan geen recht heeft op huurtoeslag.

3.    [appellante] en de Belastingdienst/Toeslagen verschillen van mening of het juridische eigendom van [appellante] betekent dat zij geen recht heeft op huurtoeslag over 2016 en 2018.

Wettelijk kader

4.    Artikel 1 van de Wet op de huurtoeslag (hierna: de Wht) luidde ten tijde van belang als volgt:

"In deze wet en de bepalingen die daarop berusten wordt verstaan onder:

[…]

c. huurder: persoon die zijn hoofdverblijf heeft in een door hem gehuurde woning […]

[…]."

Oordeel van de rechtbank

5.    De rechtbank heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat [appellante] in 2016 en 2018 de juridische eigendom van de woning had. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich vanwege dit eigendomsrecht naar het oordeel van de rechtbank daarom terecht op het standpunt gesteld dat [appellante] geen recht op huurtoeslag heeft. Volgens de rechtbank geniet [appellante] mede krachtens een andere hoedanigheid dan huurder het genot van de woning.

Hoger beroep en beoordeling

6.    [appellante] is het met de uitspraak van de rechtbank en de besluiten van de Belastingdienst/Toeslagen op haar bezwaar niet eens. Volgens haar volgt uit het feit dat zij juridisch eigenaar is niet dat zij zonder meer geen recht heeft op huurtoeslag. Na de overdracht van de economische eigendom heeft zij geen recht op het genot en/of gebruik van de woning. Zij ontleent het gebruiksrecht van de door haar gehuurde woning aan haar huurrecht en heeft alleen in de hoedanigheid van huurder genot van de woning. Het juridisch eigendom doet hier niet aan af, omdat [appellante] door de overdracht van  de economische eigendom geen invloed kan uitoefenen op de huurprijs. Daarom heeft zij wel recht op huurtoeslag.

6.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van de Afdeling van 14 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1136, 14 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BS8812, en 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4269) is de definitie van huurder van artikel 1, aanhef en onder c, van de Wht gelijkluidend aan die in de Huursubsidiewet die aan de Wht voorafging. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II, 1996/1997, 25 090, nr. 3, blz. 28) volgt dat in navolging van vaste jurisprudentie alleen als huurder in de zin van de wet wordt aangemerkt diegene die uitsluitend als huurder en niet mede krachtens een andere hoedanigheid in het genot van de woning is. Zo heeft een juridisch (mede-)eigenaar van de woning geen recht op huursubsidie. De definitie van huurder is in de Wht niet gewijzigd en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1 van de Wht geeft verder geen aanleiding voor het oordeel dat wat betreft de toelichting van deze definitie niet bij de parlementaire geschiedenis van de Huursubsidiewet kan worden aangesloten.

6.2.    Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 7 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2707, onder 3.2) volgt uit voormelde wetsgeschiedenis dat de reden voor de omstandigheid dat een (mede-)eigenaar van de woning geen recht heeft op huursubsidie, is dat de aanvrager van huursubsidie of huurtoeslag geen invloed op de huurprijs mag kunnen uitoefenen, omdat dit tot misbruik zou kunnen leiden.

6.3.    [appellante] is juridisch eigenaar van de woning. [gemachtigde B] heeft het economisch eigendom. In de toelichting bij artikel 1, aanhef en onder c, van de Wht, zoals hiervoor onder 6.1. is weergegeven, staat dat een juridisch (mede-)eigenaar van een woning geen recht heeft op huurtoeslag. De achterliggende reden hiervan is zoals in overweging 6.2. uiteengezet het voorkomen van misbruik. Op de zitting heeft de Belastingdienst/Toeslagen toegelicht dat niet altijd met 100% zekerheid kan worden vastgesteld of de aanvrager op een of andere manier invloed heeft kunnen uitoefenen op de huurprijs. Daarom wordt bij juridisch eigendom, overeenkomstig de bedoeling van de wetgever, deze beïnvloeding verondersteld.

De Afdeling twijfelt niet aan de goede bedoelingen van [appellante] en [gemachtigde B] bij het regelen van de eigendomsverhoudingen, maar [appellante] heeft omdat zij juridisch eigenaar is van de woning geen recht op huurtoeslag. Doorslaggevend voor dit oordeel is dat [appellante] in de hoedanigheid van juridisch eigenaar invloed kan, of kon uitoefenen op de huurprijs. Reeds hierom faalt het betoog van [appellante].

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A. ten Veen en mr. H.J.M. Baldinger, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2020

85-921.