Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2874

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-12-2020
Datum publicatie
02-12-2020
Zaaknummer
201908433/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 oktober 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor onder meer de activiteiten bouwen en handelen in strijd met het bestemmingsplan voor de realisatie van een supermarkt en tien appartementen op percelen aan de 2e Pijnackerstraat en 3e Pijnackerstraat te Rotterdam. Het project ziet hoofdzakelijk op de percelen 2e Pijnackerstraat 13-15 en 3e Pijnackerstraat 6A-6B. De daar aanwezige voormalige schoolgebouwen worden grotendeels gesloopt. De entree van de in het nieuwe gebouw voorziene supermarkt komt op de begane grond van het hoekpand aan de Zwart Janstraat 41A en 2e Pijnackerstraat 17A. De supermarkt heeft een bruto vloeroppervlakte (hierna: bvo) van ongeveer 1.640 m2, waarvan ongeveer 1.100 m2 zal worden ingericht als winkelvloeroppervlakte (hierna: wvo). De appartementen komen boven de supermarkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201908433/1/R4.

Datum uitspraak: 2 december 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    Coop Supermarkten B.V. en Coop Vastgoed B.V., gevestigd te Velp, en Dexa Vastgoed B.V., gevestigd te Utrecht (hierna samen en in enkelvoud: Coop),

2.    [appellant sub 2] en anderen, wonend te Rotterdam,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2019 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor onder meer de activiteiten bouwen en handelen in strijd met het bestemmingsplan voor de realisatie van een supermarkt en tien appartementen op percelen aan de 2e Pijnackerstraat en 3e Pijnackerstraat te Rotterdam.

Tegen dit met toepassing van de coördinatieregeling van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) voorbereid en bekendgemaakt besluit hebben Coop en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] en anderen, [vergunninghouder] en Coop hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juli 2020, waar [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 2] en [appellant sub 2A], Coop, vertegenwoordigd door mr. J.P. Hoegee, advocaat te Nijmegen, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. A.M.H. Dellaert, zijn verschenen. Ook is [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. drs. M.C. de Smidt, advocaat te Rotterdam, en [gemachtigden], gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Met het besluit van 8 oktober 2019 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het in afwijking van het bestemmingsplan bouwen en gebruiken van een supermarktgebouw en tien appartementen.

    Het project ziet hoofdzakelijk op de percelen 2e Pijnackerstraat 13-15 en 3e Pijnackerstraat 6A-6B. De daar aanwezige voormalige schoolgebouwen worden grotendeels gesloopt. De entree van de in het nieuwe gebouw voorziene supermarkt komt op de begane grond van het hoekpand aan de Zwart Janstraat 41A en 2e Pijnackerstraat 17A. De supermarkt heeft een bruto vloeroppervlakte (hierna: bvo) van ongeveer 1.640 m2, waarvan ongeveer 1.100 m2 zal worden ingericht als winkelvloeroppervlakte (hierna: wvo). De appartementen komen boven de supermarkt.

    Aan het besluit heeft het college onder meer het stuk ‘Ruimtelijke onderbouwing realisatie supermarkt en woningen’, opgesteld door Adromi B.V., ten grondslag gelegd. In het besluit staat dat dit stuk onderdeel uitmaakt van de verleende omgevingsvergunning. In het stuk staat dat de supermarkt een zogenoemde mandjessupermarkt is, waarbij het niet mogelijk zal zijn om met een winkelwagen van en naar een geparkeerde auto te rijden voor het inladen van boodschappen. Aan het besluit heeft het college ook een door Seinpost Adviesbureau B.V. opgesteld rapport "DPO supermarkt Noorderboulevard Rotterdam" ten grondslag gelegd. Het college heeft ingebrachte zienswijzen behandeld in een zienswijzenrapport.

    Het project is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Oude Noorden". Op grond van het bestemmingsplan geldt ter plaatse grotendeels de bestemming "Maatschappelijk-1". Op gronden met deze bestemming zijn winkels en woningen niet toegestaan. Ook is het project in strijd met het bestemmingsplan "Parapluherziening parkeernormering Rotterdam" (hierna: parapluplan), omdat niet is voorzien in parkeren op het eigen terrein. Het parapluplan bevat een afwijkingsmogelijkheid. Het college heeft met toepassing van de afwijkingsmogelijkheid in het parapluplan en in afwijking van het bestemmingsplan de omgevingsvergunning verleend. Het college heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 1 respectievelijk onder 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo).

    Coop Supermarkten B.V. exploiteert op korte afstand van de locatie een supermarkt, een zogenoemde Coop Vandaag, aan de Zwart Janstraat 14-16 te Rotterdam. Coop Vastgoed B.V. is de verhuurder van het winkelpand, waarin de supermarkt wordt geëxploiteerd. Dexa Vastgoed B.V. is eigenaar en verhuurder van een aantal winkelpanden die in de nabije omgeving zijn gelegen van de locatie waarop de supermarkt en appartementen zijn voorzien. [appellant sub 2] en anderen zijn bewoners van woningen aan en rondom het Pijnackerplein, dat dichtbij de locatie ligt.

    Volgens Coop en [appellant sub 2] en anderen draagt het project niet bij aan een goede ruimtelijke ordening en heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning, gelet op de betrokken belangen, daarom niet in redelijkheid kunnen verlenen.

Ontvankelijkheid beroep van [appellant sub 2] en anderen

2.    Het college heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat een aantal omwonenden geen zienswijzen over het ontwerp van het besluit heeft ingebracht en dat het beroep, voor zover dat door deze omwonenden is ingediend, daarom niet-ontvankelijk is.

    De Afdeling stelt op grond van het verhandelde ter zitting vast dat het beroep van [appellant sub 2] en anderen zo moet worden opgevat dat het alleen is ingesteld door degenen die zienswijzen hebben ingebracht. Voor zover het beroepschrift is ondertekend door anderen moet dat slechts als steunbetuiging voor het instellen van beroep worden gezien. Het beroep is dus niet mede ingesteld door mensen die geen zienswijzen hebben ingediend, zodat voor een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in zoverre geen aanleiding bestaat.

Verklaring van geen bedenkingen

3.    [appellant sub 2] en anderen betogen dat het college aan zijn besluit ten onrechte geen door de raad voor het project verleende verklaring van geen bedenkingen ten grondslag heeft gelegd. Het college had er volgens hen niet van mogen uitgaan dat een dergelijke verklaring niet nodig was. Daartoe wijzen zij erop dat de aanvraag niet via de lijst van doorlopende stukken is voorgelegd aan de raad en dat de raad geen expliciet besluit heeft genomen.

3.1.    Artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo luidt:

"In bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen wordt een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. […] Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is vereist."

    Artikel 6.5 van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) luidt:

"1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft […];

2. […];

3. De gemeenteraad kan categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.

[…]."

3.2.    De raad van de gemeente Rotterdam heeft op 23 en 30 juni 2011 krachtens artikel 6.5, derde lid, van het Bor het besluit "Categorieën van gevallen waarin geen verklaring van geen bedenkingen is vereist in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)" (hierna: besluit categorieën) vastgesteld. In artikel 1, aanhef en onder 3 en 6, van het besluit categorieën is beschreven in welke gevallen geen verklaring van geen bedenkingen is vereist voor het realiseren van winkels en het bouwen voor de woonfunctie. Vast staat dat het in het bouwplan gaat om dergelijke activiteiten, zodat op grond van deze bepaling geen verklaring van geen bedenkingen was vereist. In artikel 2 van het besluit categorieën is bepaald dat toch een verklaring van geen bedenkingen is vereist indien ten minste 1/5 van de raadsleden heeft aangegeven in een dergelijk geval toch een verklaring van geen bedenkingentraject te willen doorlopen. Alle aanvragen om een omgevingsvergunning die gehonoreerd kunnen worden via artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3, van de Wabo, zullen daartoe via de lijst van doorlopende stukken aan de raadsleden worden voorgelegd, waarna de raadsleden 14 dagen de tijd hebben om een beroep te doen op deze uitzondering.

    De aanvraag van [vergunninghouder] is als stuk op 4 september 2018 aan de leden van de tijdelijke commissie RO voorgelegd. Ter zitting heeft het college te kennen gegeven dat dit de gebruikelijke gang van zaken is en dat hiermee alle raadsleden worden bereikt. De Afdeling ziet in wat [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat hiermee niet is voldaan aan het vereiste dat de aanvraag wordt voorgelegd aan de raadsleden. Nu geen van de raadsleden binnen 14 dagen te kennen heeft gegeven dat alsnog een verklaring van geen bedenkingentraject moet worden doorlopen, was voor dit project geen verklaring van geen bedenkingen vereist.

    Het betoog faalt.

Strijd met het bestemmingsplan

4.    Over het betoog van [appellant sub 2] en anderen dat de omgevingsvergunning niet kon worden verleend vanwege de strijd van het project met het bestemmingsplan, specifiek de bestemming "Maatschappelijk-1", overweegt de Afdeling dat het college de strijdigheid met deze bestemming heeft onderkend. Daarom heeft het met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3, van de Wabo omgevingsvergunning verleend voor afwijking van onder meer dit bestemmingsplan.

    Het betoog faalt.

Betrokkenheid omwonenden in de procedure

5.    [appellant sub 2] en anderen stellen dat omwonenden onvoldoende bij de ontwikkeling van het plan zijn betrokken en dat het college onvoldoende naar hen heeft geluisterd.

5.1.    Voor [vergunninghouder] bestond geen verplichting om omwonenden te betrekken bij de ontwikkeling van haar plan. Dit laat onverlet dat [vergunninghouder], zoals zij heeft gesteld, op 23 maart 2013 een eerste informatieavond voor omwonenden heeft georganiseerd. Volgens haar hebben omwonenden suggesties gedaan die hebben geleid tot aanpassing van het plan. Nadien zijn meer informatieavonden gehouden.

    De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant sub 2] en anderen verder zo dat zij stellen dat de procedure onzorgvuldig is geweest. Op grond van artikel 3.30 van de Wro was op de voorbereiding van het besluit de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing. Het college heeft, in overeenstemming met artikel 3:15 van die afdeling, de mogelijkheid geboden om over het ontwerp van het besluit zienswijzen in te dienen. De ingebrachte zienswijzen heeft het college betrokken bij het nemen van het besluit. Dat het college in de zienswijzen van [appellant sub 2] en anderen geen aanleiding heeft gezien om de omgevingsvergunning te weigeren, leidt niet tot het oordeel dat de procedure om te komen tot het besluit onzorgvuldig is geweest.

    Het betoog faalt.

Behoefte aan supermarkt en leegstand

6.    [appellant sub 2] en anderen betogen dat er geen behoefte bestaat aan een supermarkt op deze locatie. Zij stellen dat een supermarkt leidt tot toename van leegstand van kleinere winkelpanden in de omgeving van de locatie. Het winkelgebied Noorderboulevard en in het bijzonder de Zwart Janstraat kennen al veel leegstand volgens [appellant sub 2] en anderen.

    Zij brengen verder naar voren dat in het aan het besluit ten grondslag liggende onderzoek de omgeving van de wijk Oude Noorden ten onrechte niet ook is beschouwd. Zij wijzen erop dat er binnen een straal van 800 m rondom de locatie al acht supermarkten zijn. Sinds het rapport "Supermarkten in Noord" van 27 september 2012 zijn er twee supermarkten bijgekomen, waaronder die van Coop, en zijn andere supermarkten vergroot. Ten onrechte zijn in het aan het besluit ten grondslag liggende onderzoek de zogenoemde exotische supermarkten niet betrokken. Ook moet volgens [appellant sub 2] en anderen gekeken worden naar de huidige, diverse groep van bewoners uit de wijk en niet slechts naar de volgens het college te verwachten samenstelling van de buurt.

6.1.    Het college heeft zich bij het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat er behoefte bestaat aan een supermarkt op de locatie en dat er geen onaanvaardbare leegstand zal optreden. Het college heeft zich gebaseerd op het door Seinpost Adviesbureau B.V. opgestelde rapport "DPO supermarkt Noorderboulevard Rotterdam" (hierna: het rapport) van april 2018 dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. Het college heeft nader toegelicht dat de komst van een supermarkt bestaansrecht geeft aan andere bedrijven in de retailbranche, omdat vaak combinatiebezoeken, dat wil zeggen dat bezoekers van de supermarkt ook de nabijgelegen winkels bezoeken, worden gedaan. Het is daarom aantrekkelijk om in de nabijheid van een supermarkt te zijn gevestigd. Het college wijst er hierbij op dat de komst van een supermarkt met een volledig assortiment op deze locatie de steun van de lokale ondernemers heeft, zoals blijkt uit een adhesiebetuiging van 5 april 2019 van de Winkeliersvereniging Noorderboulevard, waarbij ruim 200 ondernemers en winkeliers zijn aangesloten.      

6.2.    De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het onderzoek dat ten behoeve van de uitvoering van het project is verricht, zoals het in dit geval uitgevoerde behoefteonderzoek, niet zodanig gebrekkig is of zodanige leemten in kennis of dusdanige onjuistheden vertoont dat de raad zich hierop niet heeft mogen baseren (zie hiervoor ook de uitspraak van 17 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1900). Hierbij acht de Afdeling van belang of een appellant voldoende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de beschrijving van de behoefte naar voren heeft gebracht (zo is overwogen in de uitspraak van 26 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2679).

6.3.    In het door Seinpost Adviesbureau B.V. opgesteld rapport "DPO supermarkt Noorderboulevard Rotterdam" wordt op grond van een ruimtelijk-economische effectstudie geconcludeerd dat een moderne, volwaardige, supermarkt ter plaatse een goede aanvulling vormt op de vele kleinschalige winkels in de Noorderboulevard.

        In het onderzoek is gekeken naar het aantal vierkante meters aan bestaand winkelaanbod en het aantal en de kwaliteit van bestaande supermarkten in het winkelgebied Oude Noorden en het stadsdeel Noord, zo blijkt uit het rapport. Anders dan [appellant sub 2] en anderen hebben betoogd, is in het onderzoek dus niet alleen naar de wijk Oude Noorden gekeken en zijn bestaande supermarkten, ook de exotische supermarkten, bij het onderzoek betrokken. Ook is in het onderzoek de frequentie van het bezoek aan het winkelgebied betrokken. In het onderzoek is verder gekeken naar de bestaande samenstelling van de wijk Oude Noorden en de koopkracht van bewoners. Er is van uitgegaan dat de aanpak van de woningvoorraad in de wijk ertoe zal leiden dat nieuwe en kapitaalkrachtige doelgroepen instromen. Geen grond bestaat voor het oordeel dat, zoals door [appellant sub 2] en anderen is betoogd, in het onderzoek niet is uitgegaan van de juiste doelgroepen. Wat is aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het aan het rapport ten grondslag liggende onderzoek ondeugdelijk is.

    In het rapport staat dat het supermarktaanbod per 1.000 inwoners met 185 m2 wvo in het stadsdeel Noord en 195 m2 wvo in het winkelgebied Oude Noorden duidelijk achterblijft ten opzichte van Nederland, dat 254 m2 wvo per 1.000 inwoners bedraagt. Dat is in het stadsdeel Noord een onderbewinkeling aan supermarktmetrage van 27%. De leegstand bedraagt 8.490 m2 wvo (ongeveer 92 panden). Hiervan had het merendeel een verspreide ligging buiten de winkelgebieden: 42 panden ofwel 4.310 m2 wvo. Het winkelgebied Oude Noorden kent 3.300 m2 wvo dagelijks aanbod (45 verkooppunten). Dit zijn bijna allemaal speciaalzaken in de food en de persoonlijke verzorging, er is slechts één kleine supermarkt van 210 m2 wvo aanwezig. Die verhouding is erg scheef.

    Volgens het rapport legitimeert het bezoekgedrag van de bewoners van de wijk de mogelijkheid om een stadssupermarkt aan de Noorderboulevard toe te voegen. Een dergelijke supermarkt speelt in op de vele klanten met een hoge bezoekfrequentie en lagere bestedingen, die dichtbij wonen en die de supermarkt te voet of met de fiets bezoeken. Toevoeging van een volwaardige supermarkt in het belangrijkste winkelgebied van het stadsdeel zal een sterke kwalitatieve impuls geven aan het voorzieningenniveau voor de consument. De effecten op de leegstand en het ondernemersklimaat zullen positief zijn, zeker in het winkelgebied Noorderboulevard zelf.  Mocht desondanks een supermarkt de deuren moeten sluiten als gevolg van de komst van de nieuwe supermarkt dan zal er geen ontwrichting in de detailhandelstructuur optreden: het zal niet zo zijn dat de consument niet meer op een aanvaardbare afstand van zijn woning kan voorzien in zijn of haar eerste levensbehoeften, aldus het rapport.

    De Afdeling overweegt dat, gelet op de bevindingen in het rapport, de behoefte aan een volwaardige supermarkt op de locatie inzichtelijk is gemaakt. [appellant sub 2] en anderen hebben onvoldoende concrete aanknopingspunten aangevoerd voor twijfel aan de juistheid of de volledigheid van de beschrijving van de behoefte in het rapport. Het college heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er behoefte bestaat aan een dergelijke supermarkt en dat onaanvaardbare leegstand in de omgeving door de komst van een volwaardige supermarkt zich niet zal voordoen.

     Het betoog faalt.

Beleid voor detailhandel

7.    [appellant sub 2] en anderen betogen dat de omgevingsvergunning is verleend in strijd met het gemeentelijke beleid op grond waarvan winkelruimte moet worden omgezet in woonruimte.     

7.1.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de omgevingsvergunning in overeenstemming met het geldende detailhandelsbeleid is verleend. Volgens het college houdt dat geldende beleid in dat de detailhandelsstructuur in het winkelgebied Oude Noorden moet worden versterkt. Daar kan een supermarkt op de locatie aan bijdragen.

7.2.    Het gemeentelijke beleid voor detailhandel is neergelegd in de nota "Detailhandel Rotterdam 2017: stedelijke ambities en spelregels voor een toekomstbestendige detailhandelsstructuur". Voor stadsdeel Noord geldt ook de nota "Gebiedskoers Noord 2017-2020". In deze nota’s wordt ervan uitgegaan dat supermarkten zich vestigen in of nabij winkelcentra en dat een moderne supermarkt naar de Noorderboulevard komt. In deze nota’s staat niet dat winkelruimte moet worden omgezet in woonruimte. Alleen al daarom ziet de Afdeling in wat [appellant sub 2] en anderen hebben gesteld geen grond voor het oordeel dat een supermarkt op de locatie in strijd is met het detailhandelsbeleid.

    Het betoog faalt.

Autoparkeren

8.    [appellant sub 2] en anderen en Coop betogen dat het college niet in redelijkheid door vrijstelling te verlenen van de parkeereis, heeft kunnen afwijken van het parapluplan wat betreft parkeren.     

    [appellant sub 2] en anderen betogen dat de parkeerbehoefte van de supermarkt en woningen groter is dan waarvan het college is uitgegaan. Zij vinden het onjuist dat het college voor het berekenen van de parkeereis aansluiting heeft gezocht bij de parkeernormen die gelden voor het centrum van Rotterdam.

    Coop betoogt dat in het bestreden besluit niet is onderbouwd dat parkeren op eigen terrein onmogelijk is en dat verder niet inzichtelijk is gemaakt of de parkeerbehoefte deels of geheel in de openbare ruimte kan worden opgelost. Zij betoogt verder dat het college in strijd met het beleid niet uitvoerig heeft gemotiveerd dat sprake is van een bijzonder gemeentelijk belang en een zeer uitzonderlijk geval waarvoor vrijstelling kan worden verleend. Coop stelt daartoe onder meer dat onvoldoende rekening is gehouden met de hoge parkeerdruk in de bestaande situatie. Zij wijst erop dat de gehanteerde parkeernormen al laag zijn.

    Volgens Coop kan daarnaast een fullservice-supermarkt zonder eigen parkeergelegenheid in een gebied met al een te hoge parkeerdruk, anders dan waarvan het college is uitgegaan, geen maatschappelijke of economische meerwaarde bieden. In dit verband wijst Coop ook op een door adviesbureau BRO opgesteld rapport van 20 november 2019 en een reactie van BRO op het verweerschrift.

    Coop en [appellant sub 2] en anderen stellen dat het college wat betreft de verkeersaantrekkende werking ten onrechte ervan is uitgegaan dat de supermarkt een zogenoemde mandjessupermarkt is, terwijl de supermarkt, gelet op het vloeroppervlak een fullservice-supermarkt is. Coop stelt dat er bij het bepalen van de parkeerbehoefte ten onrechte geen rekening mee is gehouden dat door de aanleg van fietsparkeerplaatsen vier autoparkeerplaatsen komen te vervallen.

    Verder stelt Coop dat haar werknemers en klanten aanzienlijke parkeerhinder zullen ondervinden van de te verwachten parkeerdruk. Ook voert Coop aan dat het college ervan is uitgegaan dat toekomstige bewoners van de woningen geen recht hebben op een parkeervergunning, maar dat onvoldoende is geborgd dat zij geen parkeervergunning zullen aanvragen en krijgen. Zij wijst erop dat met de omgevingsvergunning niet is gewaarborgd dat met een kettingbeding in een huur- of koopovereenkomst wordt bedongen dat zij geen parkeervergunning zullen aanvragen.

8.1.    Het college heeft zich bij het bestreden besluit, nader toegelicht in het verweerschrift, op het standpunt gesteld dat kan worden afgeweken van de parkeereis voor de supermarkt en dat in parkeerhinder geen aanleiding wordt gevonden om de omgevingsvergunning niet te verlenen. Volgens het college is parkeren op het eigen terrein of in de omgeving daarvan niet mogelijk en is de bouw van de supermarkt met woningen door de gemeente uit economisch oogpunt en voor de woonomgeving bijzonder gewenst. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de parkeerdruk in de praktijk veel lager zal zijn dan is berekend met toepassing van de parkeernormen, omdat het gaat om een hoogstedelijk gebied, de supermarkt een buurtfunctie zal vervullen, klanten vooral lopend of met de fiets naar de supermarkt zullen gaan en de toekomstige bewoners van de voorziene woningen niet in aanmerking komen voor een parkeervergunning.

8.2.    Artikel 2 van het parapluplan luidt:

"De in dit bestemmingsplan opgenomen regels gelden in aanvulling op c.q. in afwijking van de regels van de ruimtelijke plannen in de gemeente Rotterdam, die op het moment van inwerkingtreding van deze herziening zijn vastgesteld, voor wat betreft het onderwerp 'parkeren', en laten de overige regels uit die onderliggende ruimtelijke plannen ongewijzigd."

    Artikel 3 luidt:

"Een omgevingsvergunning voor het bouwen, alsmede voor het laden en lossen van goederen, zoals toegestaan op grond van de onderliggende ruimtelijke plannen, wordt slechts verleend, indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de normering zoals deze is opgenomen in bijlage 1 of de rechtsopvolgers daarvan."

    Artikel 4 luidt:

"Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van de bepalingen omtrent parkeren op eigen terrein en van de parkeernormen zoals opgenomen in bijlage 1, mits voldaan wordt aan de in bijlage 1 of de rechtsopvolgers daarvan opgenomen regels en voorwaarden."

    In bijlage 1 van het parapluplan wordt verwezen naar het stuk "Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018" (hierna: de Beleidsregeling).     

    Artikel 2 van de Beleidsregeling luidt:

"1. Deze beleidsregels zijn van toepassing bij de beoordeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning, op grond van artikel 2.1 van de Wabo voor het bouwen of het gebruiken van gronden of bouwwerken.

2. Bij de omgevingsvergunning wordt, met inachtneming van hetgeen in deze beleidsregel is bepaald, een parkeereis gesteld conform de gebiedsindeling en normen bedoeld in hoofdstuk 3, en 4 van deze beleidsregel.

[…]

4. De parkeereis moet volledig op eigen terrein worden gerealiseerd."

    Artikel 6, tweede lid, luidt:

"Als een ontwikkeling uit economisch oogpunt of uit het oogpunt van milieu, hinder of woonomgeving door de gemeente bijzonder gewenst is, kan volledige vrijstelling van de parkeereis worden verleend. Deze volledige vrijstelling wordt alleen in zeer uitzonderlijke gevallen verleend en een verzoek daartoe wordt uitvoerig gemotiveerd. Voor het verkrijgen van de vrijstelling wordt in ieder geval aangetoond dat het niet mogelijk is om geheel of gedeeltelijk aan de parkeereis op eigen terrein te voldoen en dat er evenmin mogelijkheden bestaan om de parkeereis geheel of gedeeltelijke in de openbare ruimte op te lossen."

8.3.    Het college heeft toepassing gegeven aan artikel 4 van het parapluplan door met toepassing van artikel 6, tweede lid, van de Beleidsregeling vrijstelling te verlenen van de parkeereis voor auto’s. Met die parkeereis wordt in de Beleidsregeling gedoeld op het aantal parkeerplaatsen dat ten behoeve van een bepaalde ontwikkeling gerealiseerd dient te worden. Door de vrijstelling hoeven voor het project geen parkeerplaatsen te worden gerealiseerd.

    Aan het besluit van 8 oktober 2019 heeft het college op het punt van parkeren een memo van Mobycon van 16 juli 2018 ten grondslag gelegd. Coop heeft een rapport van BRO ingebracht en een reactie van BRO op het verweerschrift van het college. [vergunninghouder] heeft een oplegnotitie van Seinpost ingebracht, waarin wordt gereageerd op de reactie van BRO.

     De omstandigheid dat de memo van Mobycon dateert van meer dan een jaar voor het besluit van het college, is onvoldoende voor het oordeel dat de daarin opgenomen gegevens onvoldoende actueel zijn en het college om die reden zijn besluit niet op de memo heeft mogen baseren. De Beleidsregeling, en daarmee de gehanteerde parkeernormen, golden ook ten tijde van het bestreden besluit. De parkeernormen in de Beleidsregeling betreffen het aantal parkeerplaatsen dat voor een functie gerealiseerd moet worden, uitgedrukt in een aantal parkeerplaatsen per eenheid, bijvoorbeeld een oppervlakte-eenheid. In de memo staat dat de supermarkt het karakter heeft van een mandjessupermarkt, maar dat vanwege de grotere bvo van de supermarkt niet bij de parkeernorm voor mandjessupermarkten is aangesloten. De parkeernorm van een reguliere supermarkt is toegepast.

    De locatie ligt volgens kaart 3.1 van de Beleidsregeling in een gebied dat is aangemerkt als gebiedstype B - Stadswijken. In tabel 4.1 van de Beleidsregeling staat dat de parkeernorm voor een supermarkt in gebiedstype B 2,5 parkeerplaats per 100 m2 bvo is. Voor een mandjessupermarkt tot 500 m2 bvo geldt volgens die tabel, ongeacht het gebiedstype, geen parkeernorm. De Afdeling stelt vast dat in de memo de parkeereis terecht is bepaald op 41 parkeerplaatsen en dat daarbij de parkeernorm voor een reguliere supermarkt in gebiedstype B is toegepast (1.623 x 2,5/100 = 40,58, afgerond 41 parkeerplaatsen). De stelling van [appellant sub 2] en anderen dat het college ten onrechte is uitgegaan van het gebiedstype voor het centrum, dat wil zeggen gebiedstype A, en de norm voor een mandjessupermarkt, is dus niet juist. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat in de memo van Mobycon de parkeereis voor de supermarkt onjuist is berekend.

8.4.    Om vrijstelling te kunnen verlenen van de parkeereis moet op grond van artikel 6, tweede lid, van de Beleidsregeling worden aangetoond dat het onmogelijk is om geheel of gedeeltelijk aan de parkeereis op eigen terrein te voldoen en dat er evenmin mogelijkheden bestaan om de parkeereis geheel of gedeeltelijke in de openbare ruimte op te lossen.

    In de ruimtelijke onderbouwing en het zienswijzenrapport staat dat de economische haalbaarheid van een ondergrondse parkeergarage is onderzocht maar niet haalbaar is. Dat komt door het hoge risico op gebouwschade van omliggende woningen. Daarbij is van belang dat gebouwen in de directe omgeving van de locatie zijn gefundeerd op houten palen en dat de monumentale gevel van het voormalige schoolgebouw aan de 2e Pijnackerstraat behouden dient te blijven. In het verweerschrift heeft het college genoemd dat als aanvullende belemmering geldt dat vanwege de smalle straten auto's de draai naar de benodigde hellingbaan niet of nauwelijks zouden kunnen maken. Een parkeerdek boven de supermarkt en woningen, zou leiden tot een extra bouwlaag, en is vanwege het zicht vanuit de woningen grenzend aan de locatie ongewenst, zo heeft het college ter zitting nog toegelicht.

    Coop heeft niet betwist dat de door het college genoemde omstandigheden zich voordoen. Het college heeft de realisering van een ondergrondse parkeergarage of een parkeerdek op de locatie of een ondergrondse parkeergarage in de nabijheid daarvan ook los daarvan onhaalbaar kunnen achten. Anders dan Coop ter zitting heeft gesteld, heeft het college bij de vraag of mogelijkheden bestaan voor parkeren op het eigen terrein ook de kosten daarvan erbij mogen betrekken. Aangezien verder geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat realisering van een bovengrondse parkeergarage in de buurt van de locatie tot de mogelijkheden behoort, heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat is aangetoond dat het niet mogelijk is om geheel of gedeeltelijk aan de parkeereis op eigen terrein te voldoen en dat er evenmin mogelijkheden bestaan om de parkeereis geheel of gedeeltelijke in de openbare ruimte op te lossen.

8.5.    Over het betoog van Coop dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het project door de gemeente bijzonder gewenst is en dat het gaat om een zeer uitzonderlijk geval, overweegt de Afdeling het volgende.

    Het college heeft zich op grond van de ruimtelijke onderbouwing en het rapport "DPO supermarkt Noorderboulevard Rotterdam" op het standpunt gesteld dat de ontwikkeling van een supermarkt, zowel maatschappelijk als economisch een impuls geeft aan de wijk. Het college is ervan uitgegaan dat het project bijdraagt aan de leefbaarheid en de veiligheid van de wijk. Een supermarkt zorgt volgens het college voor extra leefbaarheid van de wijk en voor extra werkgelegenheid. Daarnaast geeft de komst van een supermarkt ook bestaansrecht aan andere bedrijven binnen de retailbranche, omdat vaak combinatiebezoeken gedaan worden. Dit effect zorgt ook voor de aanpak van de leegstand in de Zwart Janstraat. Daarnaast worden er woningen toegevoegd aan de woningvoorraad. Gelet op het grote tekort aan woningen is ook deze ontwikkeling vanuit de gemeente zeer gewenst. Ook voor het straatbeeld zijn de woningen belangrijk. De monumentale gevels aan zowel de 2e als de 3e Pijnackerstraat blijven behouden boven de supermarkt, zo staat in het besluit.

    Vast staat dat de supermarkt een volwaardige supermarkt, een zogenoemde fullservice-supermarkt, zal zijn. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat, zoals Coop heeft betoogd onder verwijzing naar het rapport van BRO van 20 november 2019 en de reactie van BRO op het verweerschrift, een dergelijke supermarkt op de locatie alleen een maatschappelijke of economische impuls aan de buurt zal geven als de supermarkt beschikt over eigen parkeergelegenheid voor auto’s. Nog daargelaten dat in de stukken van BRO geen onderbouwing wordt gegeven van deze stelling, heeft het college het aannemelijk kunnen achten dat de supermarkt ook zonder eigen parkeergelegenheid voor auto’s klanten zal trekken en werkgelegenheid zal creëren. Het geven van bestaansrecht aan andere bedrijven binnen de retailbranche kan evenmin voorbehouden worden geacht aan een supermarkt met eigen parkeergelegenheid. Dat een supermarkt met eigen parkeergelegenheid volgens Coop zal leiden tot een sterkere klantenbinding en koopkrachttoevloeiing doet hieraan niet af.

    Met de gegeven toelichting heeft het college voldoende gemotiveerd dat het project uit economisch oogpunt en uit het oogpunt van de woonomgeving voor de gemeente bijzonder gewenst is. Het college heeft er verder van mogen uitgaan dat het gaat om een zeer uitzonderlijk geval.      

8.6.    De Afdeling zal vervolgens beoordelen of het college in dit geval in redelijkheid, gelet op de bestaande parkeersituatie, gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om volledige vrijstelling van de parkeereis te verlenen. Dit zal de Afdeling doen aan de hand van de feiten en omstandigheden die zich voordeden ten tijde van het nemen van het besluit. Alleen die feiten en omstandigheden kon het college immers bij zijn besluit betrekken. De door [appellant sub 2] en anderen gestelde omstandigheid dat ondernemers door de sinds 1 juni 2020 getroffen coronamaatregelen parkeerplaatsen mogen gebruiken voor terrassen, waardoor de parkeerdruk is toegenomen, heeft zich na het bestreden besluit voorgedaan en kan dan ook bij de beoordeling niet worden betrokken.

    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de supermarkt niet zal leiden tot een zodanige toename van de al hoge parkeerdruk in de omgeving van de locatie dat de omgevingsvergunning niet in redelijkheid kon worden verleend. Daaraan heeft het college onder meer de memo van Mobycon ten grondslag gelegd. In de memo is de parkeerbehoefte van de bestaande functies van de twee voormalige schoolgebouwen, te weten dansscholen, sportschool en woningen, vergeleken met die van de nieuwe functies supermarkt en woningen op die percelen. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college geen rekening heeft mogen houden met de bestaande behoefte aan parkeerplaatsen.

    Vast staat dat voor de realisering van het bouwplan vier bestaande autoparkeerplaatsen moeten worden verwijderd om parkeerplekken voor fietsen te realiseren. In de memo van Mobycon staat dat rekening is gehouden met het verlies van vier autoparkeerplaatsen door de herinrichting van de openbare ruimte. De Afdeling stelt vast dat de parkeerbehoefte van de supermarkt is verhoogd met vier plaatsen. Anders dan Coop heeft betoogd, is in de memo dus rekening gehouden met het verdwijnen van vier bestaande parkeerplaatsen. In de memo wordt geconcludeerd dat bij vergelijking van de berekende parkeerbehoefte in de oude en nieuwe situatie de parkeerbehoefte op zaterdagmiddag het grootste is en bestaat uit 19,1 parkeerplaatsen.

    Het college is op grond van de memo ervan uitgegaan dat in de praktijk de behoefte aan parkeerplaatsen veel kleiner is dan de met de parkeernormen berekende parkeerbehoefte. In de memo wordt ervan uitgegaan dat de locatie ligt in een winkelgebied en zich daarmee laat kwalificeren als hoogstedelijk gebied. De functie van de supermarkt is gericht op de directe buurt en de bezoekers van de winkelstraat. Bij een mandjessupermarkt is de verwachting dat klanten niet of slechts sporadisch met de auto de supermarkt bezoeken. Door het karakter van de supermarkt gecombineerd met de afwezigheid van parkeervoorzieningen en zeer schaarse ruimte voor parkeren in de openbare ruimte is het voor de automobilist niet aantrekkelijk om de boodschappen daar per auto te doen. Het winkelgebied nodigt op dit moment ook niet uit om dit met de auto te bezoeken, zo staat in de memo. Dat zal ook gelden voor de toekomstige supermarktbezoeker. Per fiets en te voet zijn de belangrijkste vervoersmiddelen binnen het gebied. Er geldt ter plaatse overdag betaald parkeren, aldus de memo.     

    Geen grond bestaat voor het oordeel dat het college, vanwege de bvo van de supermarkt van 1.623 m2, ten onrechte ervan is uitgegaan dat klanten vooral te voet of met de fiets naar de supermarkt zullen gaan. De omgevingsvergunning is verleend voor een mandjessupermarkt. In haar nadere stuk van 13 juli 2020 heeft [vergunninghouder] te kennen gegeven dat de supermarkt qua omvang en assortiment tevens een fullservice-supermarkt is. Bij de entree van de supermarkt worden palen geplaatst, zodat winkelwagens de winkel niet kunnen verlaten, aldus [vergunninghouder]. De supermarkt is gericht op veel klanten uit de buurt met een hoge bezoekfrequentie en een relatief lage besteding per bezoek. Aan het rapport en de reactie van BRO komt niet de betekenis toe die Coop daaraan toegekend wil zien. Daarin wordt er immers van uitgegaan dat de supermarkt een reguliere supermarkt is, waarbij winkelwagens de supermarkt wel kunnen verlaten, en waarbij klanten met de auto grote hoeveelheden of volumineuze boodschappen zullen doen. Daar gaat het op de locatie niet om. Het college heeft verder nog bij zijn beoordeling kunnen betrekken dat in de omgeving van de locatie mogelijkheden bestaan om met de auto inkopen te doen, zoals het Eudokiaplein of op de kop van de Bergweg en aan de Benthuizerstraat. Deze locaties zijn optimaal bereikbaar per auto en beschikken over parkeergelegenheid.

    Het college heeft verder van belang geacht dat de toekomstige bewoners van de woningen en medewerkers van de winkel in beginsel geen recht hebben op een parkeervergunning. Over het betoog van Coop dat onvoldoende is geborgd dat een parkeervergunning niet wordt verleend, overweegt de Afdeling dat het college aanvragen om parkeervergunningen toetst aan het Uitvoeringsbesluit parkeren 2018. In artikel 5, eerste en achtste lid, van het Uitvoeringsbesluit parkeren 2018 is geregeld dat aan de bewoner van een gebouw of gebouwencomplex zonder een bijbehorende of toegewezen parkeervoorziening alleen een tijdelijk parkeervergunning kan worden verleend. In het achtste lid, onder a, staat dat bedoelde vergunning niet wordt verleend als er sprake is van een gebouw of gebouwencomplex waarvoor een omgevingsvergunning is verleend met gebruikmaking van een bijzonder gemeentelijk belang. Gezien deze bepaling heeft het college ervan mogen uitgaan dat aan toekomstige bewoners geen parkeervergunning zal worden verleend. Dat dit niet is vastgelegd in de omgevingsvergunning, doet er niet aan af dat toekomstige bewoners van de voorziene woningen geen recht op een parkeervergunning hebben.

    Gelet op wat hiervoor staat, is het college er met juistheid vanuit gegaan dat de supermarkt weinig autoverkeer zal aantrekken. Het college heeft verder ervan uit mogen gaan dat de supermarkt niet of nauwelijks zal leiden tot een hogere parkeerdruk. Daarbij heeft het mede mogen betrekken dat de parkeerdruk in de directe omgeving van de locatie al hoog is en autogebruik daardoor reeds beperkt zal zijn. Het college heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat volledige vrijstelling van de parkeereis kon worden verleend en dat in de parkeersituatie ter plaatse geen aanleiding bestaat om de omgevingsvergunning niet te verlenen.

    De betogen falen.

Fietsparkeren

9.    Coop betoogt dat er bij de supermarkt slechts 46 parkeerplaatsen voor fietsen zijn voorzien, terwijl er volgens de Beleidsregeling 48 parkeerplaatsen zijn vereist.

9.1.    In de door het college gehanteerde Beleidsregel staat dat voor een supermarkt de norm 2,9 fietsparkeerplaats per 100 m2 bvo is. Dat betekent dat er voor de supermarkt van 1.623 m2 bvo 47,07, afgerond 48, fietsparkeerplaatsen zijn vereist. In het bestreden besluit staat dat er 48 fietsparkeerplaatsen nodig zijn. Er zullen bij de entree van de supermarkt 24 zogenoemde fietsnietjes worden geplaats waaraan per fietsnietje twee fietsen kunnen worden geparkeerd, zo staat in het besluit.

    Het college heeft, gelet hierop, bij het besluit ervan heeft mogen uitgaan dat is voorzien in voldoende fietsparkeerplaatsen.

    Het betoog faalt.

Verkeershinder en verkeersveiligheid

10.    [appellant sub 2] en anderen betogen dat het college de omgevingsvergunning niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen, omdat een verkeersonveilige situatie zal ontstaan. De bevoorrading van de supermarkt wordt door grote vrachtwagens gedaan en deze kunnen nauwelijks door de bochten in de smalle straten en staan soms dubbel geparkeerd op straat, aldus [appellant sub 2] en anderen. Daarbij wijzen zij erop dat in de afgelopen drie jaren er al twee dodelijk ongelukken zijn geweest op de hoek van de Zwart Janstraat en de Bergweg. Zij merken op dat bij gebruik van de voorziene laad- en losplaats aan de 3e Pijnackerstraat de stoep wordt geblokkeerd, terwijl het gaat om een belangrijke fietsroute voor scholieren en er in en nabij die straat veel gezinnen met jonge kinderen wonen.

10.1.     In het zienswijzenrapport staat dat het college voor het bereiken van de laad- en losplaats aan de 3e Pijnackerstraat heeft gekeken naar een goede verkeersafwikkeling. Volgens het college is een rijroute mogelijk waarbij een vrachtauto altijd vooruit rijdt en er geen fietsers in de dode hoek terecht komen. Vrachtauto’s hoeven dan geen lastige keermanoeuvres te maken. De vrachtauto’s zullen via de Bergweg de wijk weer uitrijden. Op de 3e Pijnackerstraat zal eenrichtingsverkeer worden ingevoerd. Volgens het college is er bij de opstelplaats in de 3e Pijnackerstraat voldoende ruimte om tijdens het laden en lossen auto’s en fietsers te laten passeren. Met de exploitant van de supermarkt zullen voor de gebruiksfase nadere afspraken worden gemaakt over venstertijden voor het laden en lossen, aldus het college.

    In wat [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de uitgangspunten van het college over de feitelijke situatie en verkeersafwikkeling onjuist zijn. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college in het kader van de belangenafweging onvoldoende rekening heeft gehouden met verkeershinder en de mogelijke gevolgen voor de verkeersveiligheid, en de omgevingsvergunning in zoverre niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen.

    Het betoog faalt.

Bereikbaarheid voor hulpdiensten

11.     [appellant sub 2] en anderen betogen dat het college de omgevingsvergunning niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen, omdat de brandveiligheid van panden in de omgeving door de aanwezigheid van een supermarkt in het geding komt. Door verkeershinder, veroorzaakt door klanten van de supermarkt die een parkeerplaats zoeken, zullen die panden tijdens koopavonden en op zaterdagen niet goed bereikbaar zijn voor hulpdiensten, aldus [appellant sub 2] en anderen.

11.1.    Gelet op wat in overweging 8.6 staat, heeft het college ervan mogen uitgaan dat parkeerhinder zich nagenoeg niet zal voordoen en dat de bereikbaarheid van panden in de omgeving door de supermarkt niet zodanig zal verslechteren dat het college de omgevingsvergunning om die reden niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Het aantal klanten dat met de auto de supermarkt zal bezoeken is immers beperkt.

    Het betoog faalt.

Geluidhinder

12.    [appellant sub 2] en anderen hebben betoogd dat bij het bevoorraden van de supermarkt door vrachtwagens met koelmotoren en het rijden van deze vrachtwagens door de wijk aanzienlijke geluidhinder zal worden veroorzaakt. Zij wijzen erop dat de geluidsnormen van het Activiteitenbesluit milieubeheer zullen worden overtreden.

12.1.    Aan het besluit heeft het college een door Van Kooten Akoestisch advies opgesteld rapport "Bouwplan supermarkt en woningen 2e en 3e Pijnackerstraat in Rotterdam" van 11 oktober 2017 ten grondslag gelegd. In het rapport zijn de resultaten van een akoestisch onderzoek opgenomen.

     Volgens het rapport kan bij vrachtwagens (manoeuvreren en dichtslaan portieren) niet worden voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en moet gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om door middel van maatwerkvoorschriften een hogere geluidsbelasting toe te staan. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat met toepassing van deze maatwerkvoorschriften de supermarkt een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de bestaande en nieuw te realiseren woningen niet in de weg staat. Het college heeft in geluidhinder, veroorzaakt door het laden en lossen van vrachtwagens, in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om de omgevingsvergunning niet te verlenen. Het gaat om een drukke woonwijk in de stad en de laad- en losactiviteiten zullen zich niet voortdurend voordoen.

    In het rapport staat verder dat bij vrachtauto’s die van en naar de opstelplaats rijden, de voorkeurswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening nergens wordt overschreden. In geluidhinder van die vrachtauto’s heeft het college geen aanleiding hoeven zien voor het standpunt dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet is gegarandeerd en dat de omgevingsvergunning niet kan worden verleend.     

    Het betoog faalt.

Zwerfafval

13.    [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen, omdat een supermarkt leidt tot een toename van klein en groot zwerfafval. Zij zouden graag zien dat een voorschrift aan de vergunning wordt verbonden dat afvalcontainers moeten worden geplaatst.

13.1.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet verwacht dat de komst van de supermarkt zal leiden tot een toename van zwerfafval. Hij heeft er in dat kader op gewezen dat de supermarkt zelf zorgdraagt voor het bedrijfsafval en dat er in de supermarkt ook prullenbakken en een innamepunt voor lege flessen komen. Het college ziet daarom geen aanleiding voor het voorschrijven van extra vuilcontainers. Voor zover er toch zwerfafval zal optreden, wijst het college erop dat dan een verzoek om handhaving kan worden gedaan.

    Gelet op de gegeven toelichting, heeft het college in zwerfafval in redelijkheid geen aanleiding moeten zien om de omgevingsvergunning niet te verlenen.

    Het betoog faalt.

Compensatie bomen

14.    [appellant sub 2] en anderen betogen dat het college bij het bestreden besluit ten onrechte niet heeft beslist over compensatie van twee bomen die op de percelen stonden en gekapt zijn.

14.1.    De door het college verleende omgevingsvergunning ziet niet op kap van twee bomen. In zijn verweerschrift heeft het college te kennen gegeven dat op 6 april 2017 omgevingsvergunning is verleend voor de kap van bomen op het perceel 3e Pijnackerstraat 6a en dat er in die omgevingsvergunning geen herplantplicht is opgenomen. Het college heeft terecht geen aanleiding gezien om aan de thans aan de orde zijnde vergunning een voorschrift te verbinden over compensatie van de kap van twee bomen.

    [vergunninghouder] heeft overigens te kennen gegeven dat ter plaatse van een nabij de locatie gelegen buurttuin twee bomen ter compensatie van het verlies aan groen in de wijk zullen worden geplant.

    Het betoog faalt.

Vleermuizen

15.    [appellant sub 2] en anderen betogen dat in de oude panden op de percelen dwergvleermuizen verblijven en dat er geen dwingende redenen van groot openbaar belang zijn om desondanks op de percelen een supermarkt te realiseren. Zij verzoeken het college geduld te betrachten totdat de dwergvleermuizen die aanwezig zijn in de oude panden op de percelen, zijn overgevlogen naar vleermuizenkasten aan de Zwart Janstraat.

15.1.    Op 25 juni 2018 heeft de Omgevingsdienst Haaglanden op grond van de Wet natuurbescherming ontheffing verleend voor het opzettelijk verstoren, beschadigen en vernielen van nest- en rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis. Aan deze ontheffing zijn algemene en specifieke voorschriften verbonden waaronder de verplichting voor de ontheffinghouder om de start van de werkzaamheden schriftelijk te melden en daarbij het ecologisch werkprotocol over te leggen. Reeds omdat voorafgaand aan het besluit van 8 oktober 2019 ontheffing is verleend, heeft het college in de aanwezigheid van dwergvleermuizen geen aanleiding hoeven zien om de omgevingsvergunning niet te verlenen.

    Het betoog faalt.

Gemeenschapsgeld

16.    [appellant sub 2] en anderen betogen dat de gemeente Rotterdam ten onrechte gemeenschapsgeld heeft gebruikt om de panden op de percelen te kopen en vervolgens aan een projectontwikkelaar te verkopen.

16.1.    Dit betoog richt zich niet tegen het besluit van 8 oktober 2019, waarbij het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning heeft verleend. Het betoog kan daarom niet leiden tot het oordeel dat dat besluit niet in stand kan blijven.

    Het betoog faalt.

Verwijzing naar zienswijze

17.    Coop heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de door haar over het ontwerp van het besluit bij het college ingebrachte zienswijze. Het college is in het zienswijzenrapport ingegaan op deze zienswijze. Coop heeft in het beroepschrift of op de zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van haar zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Daarom bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.

    Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

18.    De beroepen zijn ongegrond.

19.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2020

163-947.