Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2809

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-2020
Datum publicatie
25-11-2020
Zaaknummer
202001473/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2019 heeft het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Delfland aan Dura Vermeer Infra Regionale Projecten B.V. een watervergunning verleend voor het verrichten van waterhuishoudkundige werkzaamheden ter plaatse van het perceel Rodenrijseweg 54 in Berkel en Rodenrijs. Het gaat om een watervergunning voor het aanbrengen van een stalen damwand, het afgraven van een grondlichaam, het verbreden van een boezemwatergang (Rodenrijsevaart) en het verwijderen en aanbrengen van een ophaalbrug. [appellanten] wonen aan de [locatie A], tegenover het perceel Rodenrijseweg 54, aan de andere zijde van de Rodenrijsevaart. Zij vrezen voor beschadiging van hun woning en de plaatselijke waterkering als gevolg van de te verrichten werkzaamheden, in het bijzonder het plaatsen van de stalen damwand. Zij hebben geen bezwaren tegen de verwijdering, restauratie en terugplaatsing van de brug.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2020-0274
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202001473/1/R1.

Datum uitspraak: 25 november 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland,

appellanten,

en

het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Delfland,

verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2019, verzonden op 22 januari 2020, heeft het college aan Dura Vermeer Infra Regionale Projecten B.V. (hierna: Dura Vermeer) een watervergunning verleend voor het verrichten van waterhuishoudkundige werkzaamheden ter plaatse van het perceel Rodenrijseweg 54 in Berkel en Rodenrijs.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben een nader stuk ingediend.

Bij besluit van 26 mei 2020 is het besluit van 18 december 2019 vervangen.

[appellanten] hebben daartegen hun zienswijze naar voren gebracht.

[appellanten] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 september 2020, waar [appellanten], en het college, vertegenwoordigd door W. de Quelerij, bijgestaan door mr. M.A. de Groote, advocaat te Breda, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting gehoord Dura Vermeer, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid, vertegenwoordigd door T. de Gier en mr. R. van der Sloot.

Overwegingen

Inleiding

1.    Dura Vermeer heeft op 4 april 2019 het college verzocht om een watervergunning. Bij besluit van 18 december 2019 heeft het college de gevraagde watervergunning verleend voor het aanbrengen van een stalen damwand, het afgraven van een grondlichaam, het verbreden van een boezemwatergang (Rodenrijsevaart) en het verwijderen en aanbrengen van een ophaalbrug. De watervergunning houdt volgens het college verband met de aanleg van de Rijksweg A16 tussen het knooppunt Terbregseplein en de Rijksweg A13 bij het vliegveld Zestienhoven (Rotterdam The Hague Airport). Het besluit "A16 Rotterdam" van 29 juni 2016 dat daarin voorziet, is met de uitspraak van de Afdeling van 2 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2087, onherroepelijk geworden (hierna: het tracébesluit). Tevens wordt met de beoogde verbreding van de boezemwatergang een knelpunt ter plaatse opgelost en wordt daarmee een betere doorstroming gerealiseerd.

2.    De uitvoering van de wegaanleg ligt bij Rijkswaterstaat. Voor de aanleg moet een watergang - de boezemvaart langs de Oude Bovendijk in Berkel en Rodenrijs - worden gedempt. Met de watervergunning wordt de boezemwatergang Rodenrijsevaart ter plaatse van de Rodenrijseweg 54 - vooruitlopend op de demping - verbreed, zodat het verlies van boezemwater gecompenseerd kan worden. Bij de locatie bevindt zich in de Rodenrijsevaart een zogenoemde flessenhals, die met gebruikmaking van de watervergunning zal worden opgeheven. De Rodenrijsevaart wordt verbreed tot 10 m over een lengte van 39 m. Omdat de kering bij een verbreding van de watergang versteviging nodig heeft, wordt een stalen damwand geplaatst ter hoogte van de boerderij op het perceel. Ook de ophaalbrug zal met het oog op de werkzaamheden ter plaatse worden verwijderd, gerestaureerd en teruggeplaatst.

3.    [appellanten] wonen aan de [locatie A], tegenover het perceel Rodenrijseweg 54, aan de andere zijde van de Rodenrijsevaart. Zij vrezen voor beschadiging van hun woning en de plaatselijke waterkering als gevolg van de te verrichten werkzaamheden, in het bijzonder het plaatsen van de stalen damwand. Zij hebben geen bezwaren tegen de verwijdering, restauratie en terugplaatsing van de brug.

4.    Het besluit van 26 mei 2020 strekt ter vervanging van het besluit van 18 december 2019. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt het beroep tegen het besluit van 18 december 2019 geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 26 mei 2020. Bij dit besluit is de watervergunning voor het verrichten van werkzaamheden ter plaatse van het perceel Rodenrijseweg 54, onder aanvullende motivering, gehandhaafd.

Besluit van 18 december 2019 (het oorspronkelijke besluit)

5.    Ingevolge artikel 6:19, zesde lid, van de Awb staat intrekking of vervanging van het bestreden besluit niet in de weg aan vernietiging van dat besluit als de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft. Niet is gebleken dat [appellanten] nog belang hebben bij een beoordeling van hun beroep, voor zover gericht tegen het inmiddels vervangen besluit van 18 december 2019. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

Conclusie

6.    Het beroep is, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 18 december 2019, niet-ontvankelijk.

Besluit van 26 mei 2020 (het vervangende besluit)

Procedureel

7.    [appellanten] betogen dat ten onrechte geen ontwerp van het besluit van 26 mei 2020 ter inzage is gelegd en dat het voorafgaand aan de terinzagelegging ten onrechte niet aan de belanghebbenden is toegezonden. Ook is de exacte locatie van de werkzaamheden ten onrechte niet vermeld, aldus [appellanten].

7.1.    Het betoog van [appellanten] over de terinzagelegging komt erop neer dat het college ten onrechte niet opnieuw toepassing heeft gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. Ingevolge artikel 3:10, eerste lid, van de Awb is afdeling 3.4 van toepassing op de voorbereiding van besluiten indien dat bij wettelijk voorschrift bepaald is. Omdat in artikel 6:19 van de Awb niet is bepaald dat afdeling 3.4 van toepassing is op de voorbereiding van een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, hoeft zo’n besluit niet in alle gevallen voorbereid te worden met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. In het besluit van 26 mei 2020 is de verleende watervergunning voor het verrichten van werkzaamheden ter plaatse van het perceel Rodenrijseweg 54, onder aanvullende motivering, gehandhaafd. De aanvraag noch de werkzaamheden waarvoor de vergunning is verleend, zijn gewijzigd. Verder acht de Afdeling het niet aannemelijk dat [appellanten] door de gewijzigde besluitvorming in hun belangen zijn geschaad. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat afdeling 3.4 van de Awb bij de voorbereiding van het gewijzigde besluit opnieuw had moeten worden toegepast.

Het betoog faalt.

7.2.    Over het betoog dat het besluit van 26 mei 2020 onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat de exacte locatie van de werkzaamheden niet is vermeld, overweegt de Afdeling als volgt. De kennisgeving van het besluit is gepubliceerd in de Staatscourant. Het besluit en de daarop betrekking hebbende stukken konden op de in de kennisgeving vermelde locatie worden geraadpleegd. De kennisgeving is, gelet op de beschrijving van de zakelijke inhoud daarvan, voldoende duidelijk. In het besluit is de exacte locatie - de Rodenrijseweg 54 in Berkel en Rodenrijs - expliciet vermeld.

Het betoog faalt.

Toepasselijkheid Crisis- en herstelwet

8.    [appellanten] betogen dat het college in strijd met artikel 3:3 van de Awb heeft gehandeld door zijn bevoegdheid tot het verlenen van een vergunning te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor die is verleend. Zij voeren aan dat het college ten onrechte is uitgegaan van de toepasselijkheid van de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw), terwijl de werkzaamheden waarvoor de watervergunning is verleend niet zijn bepaald in het tracébesluit - in het bijzonder artikelen 7 en artikel 8 - en geen meetbare doelen dienen in het kader van dat besluit. Dit betekent volgens hen dat de verleende vergunning niet onder de werking van de Tracéwet valt en daardoor ook niet onder die van de Chw. Door de Chw van toepassing te verklaren heeft het college volgens [appellanten] mogelijk valsheid in geschrifte gepleegd en een ambtsmisdrijf begaan en daarmee gehandeld in strijd met de artikelen 225 en 365 van het Wetboek van Strafrecht.

8.1.    Uit artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw, gelezen in samenhang met categorie 5.1 van Bijlage I bij deze wet, volgt dat op het tracébesluit afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing is. Dat besluit valt onder categorie "aanleg of wijziging van hoofdwegen als bedoeld in artikel 8 van de Tracéwet". Het geschil spitst zich toe op de vraag of de werkzaamheden waarvoor de vergunning is verleend, in zodanig verband staan met het tracébesluit dat die werkzaamheden onder het bereik van de Tracéwet en in het verlengde daarvan onder het bereik van de Chw vallen.

8.2.    In artikel 8, eerste lid, van het tracébesluit is bepaald dat ten behoeve van de waterhuishouding maatregelen worden genomen gericht op waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid & watersysteem als beschreven in de tabellen 7 tot en met 9. In het derde lid van artikel 8 is bepaald dat de watercompensatie wordt gerealiseerd door middel van de maatregelen als beschreven in tabel 7. In tabel 7 is in de kolom ‘maatregelen’ vermeld: "realiseren compensatie, buiten de begrenzing van het Tracébesluit, als gevolg van dempen watergang bij Oude Bovendijk". Onder ‘locatie’ is vermeld: "tussenboezem Berkel".  Onder omvang/omschrijving’ is vermeld: "verbeteren doorstroomcapaciteit".

Naar het oordeel van de Afdeling strekt de verleende watervergunning tot uitvoering van het tracébesluit en valt de watervergunning  daarmee onder het bereik van de Tracéwet. De aanvraag van de vergunning houdt immers verband met de aanleg van de A16 zoals voorzien in het tracébesluit, omdat het gaat over het in dat besluit voorziene dempen van de watergang bij de Oude Bovendijk en de watercompensatie die daarvoor moet worden geboden. Ook in het besluit van 26 mei 2020 is vermeld dat vanwege de wegaanleg een deel van de watergang bij de Oude Bovendijk moet worden gedempt, dat in hetzelfde peilgebied beperkt ruimte beschikbaar is voor watercompensatie en dat met de verleende watervergunning compensatie gerealiseerd kan worden voor de noodzakelijke demping. Ter zitting heeft het college medegedeeld dat de verleende watervergunning betrekking heeft op het afgraven van een grondlichaam, het verbreden van de boezemwatergang de Rodenrijsevaart en het aanbrengen van een stalen damwand en dat het surplus ingezet wordt ter compensatie van de noodzakelijke demping bij de Oude Bovendijk. In het tracébesluit wordt de locatie Rodenrijsevaart ter hoogte van perceel 54 weliswaar niet als zodanig genoemd maar artikel 8 van het tracébesluit in combinatie met tabel 7 verplicht tot het realiseren van compensatie voor het dempen van de watergang bij de Oude Bovendijk in de tussenboezem Berkel, waar de Rodenrijsevaart deel van uitmaakt, en wel door middel van het verbeteren van de doorstroomcapaciteit, in welk doel de voorliggende watergunning voorziet. De benodigde vergunning voor het dempen van de Oude Bovendijk wordt, zo volgt uit het tracébesluit, later afzonderlijk aangevraagd. Het verband met de wegaanleg geldt tevens voor de werkzaamheden die zijn vergund met betrekking tot de ophaalbrug, omdat deze in direct verband staat met het verbreden van de Rodenrijsevaart.

Gelet op het voorgaande is de watervergunning verleend voor de aanleg van de A16 zoals voorzien in het tracébesluit en heeft het college terecht toepassing gegeven aan artikel 20 van de Tracéwet. Nu uit artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw volgt dat afdeling 2 van deze wet van toepassing is op alle besluiten die, voor zover hier van belang, nodig zijn voor het tracébesluit, is de Chw ook van toepassing op de verleende watervergunning. Er bestaat alleen al daarom ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college heeft gehandeld in strijd met het verbod van détournement de pouvoir in artikel 3:3 van de Awb of dat de watervergunning in zoverre is verleend in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat valsheid in geschrifte is gepleegd of een ambtsmisdrijf is begaan.

Het betoog faalt.

Toetsingskader en afbakening beroepsgronden

9.    Artikel 3.1 van de Keur Delfland luidt:

"1. Het is verboden zonder vergunning van het bestuur waterstaatswerken aan te leggen of te wijzigen.

2. Het is verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszone door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden, vaste substanties of voorwerpen te laten staan, of te laten liggen, of de waterstand op een ander peil te brengen of houden dan het peil dat in het peilbesluit is vastgesteld.

[...]."

Artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet luidt: "De toepassing van deze wet is gericht op:

a. voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met

b. bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en

c. vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen."

Artikel 6.21 luidt: "Een vergunning wordt geweigerd, voor zover verlening daarvan niet verenigbaar is met de doelstellingen in artikel 2.1 of de belangen, bedoeld in artikel 6.11."

9.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:887, kent artikel 6.21 van de Waterwet een limitatieve opsomming van weigeringsgronden en is een eventuele weigering van de aangevraagde watervergunning slechts aan de orde voor zover de aanvraag niet verenigbaar is met de doelstellingen die worden genoemd in artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet. Met de Beleidsregels Graven en dempen en de Beleidsregel Veendijken is invulling gegeven aan de in artikel 2.1 van de Waterwet neergelegde doelstellingen. De Afdeling zal hierna de beroepsgronden behandelen die [appellanten] hierover hebben aangevoerd.

Gegeven de limitatieve opsomming van weigeringsgronden stelt de Afdeling vast dat de door [appellanten] aangevoerde beroepsgronden over de noodzaak van de werkzaamheden, waaronder het ontbreken van een verbetering van de doorstroomcapaciteit, alternatieven en de gestelde strijdigheid met het bestemmingsplan "Rodenrijseweg 54" en de gestelde strijdigheid met het tracébesluit geen betrekking hebben op een van die weigeringsgronden en daarom niet kunnen leiden tot vernietiging van de gevraagde watervergunning. Daarom laat de Afdeling die beroepsgronden buiten inhoudelijke bespreking. Hetzelfde geldt voor de beroepsgronden die betrekking hebben op de omgevingsvergunning van 22 juli 2019 en de ‘Bilaterale overeenkomst A16 Rotterdam Hoogheemraadschap van Delfland - Rijkswaterstaat’ van 31 mei 2018. In deze procedure liggen die vergunning en die overeenkomst immers niet ter beoordeling voor. De Afdeling kan en mag zich in dit geding slechts uitspreken over de aangevraagde watervergunning.

Strijd met beleidsregels

10.    [appellanten] betogen dat het besluit tot vergunningverlening zich niet verdraagt met de Beleidsregels Graven en dempen van december 2009. Zij voeren aan dat in artikel 3.2.3 van de Beleidsregels staat dat compensatie van een demping in het boezemstelsel wordt gegraven binnen een straal van maximaal 2,5 km gerekend vanaf de demping, terwijl de compensatie nu ten onrechte is voorzien op een grotere afstand.

In artikel 3.2.4 van de Beleidsregels Graven en dempen staat dat het zogenoemde "surplus" als compensatie mag dienen voor andere dempingen, maar volgens [appellanten] is niet voldaan aan de voorwaarden en heeft het college geen toereikende motivering gegeven.

10.1.    Artikel 3.2.3 van de Beleidsregels Graven en dempen luidt: "Het dempen van (gedeelten van) primaire boezemwateren is alleen toegestaan indien:

1. Het een omlegging van de wateren of de reconstructie van een regionale waterkering of de Maasdijk betreft.

2. De compensatie van een demping in het boezemstelsel gegraven wordt binnen een straal van maximaal 2,5 km gerekend vanaf de demping."

Artikel 3.2.4 luidt: "Indien binnen een te vergunnen project de waterbalans positief is, dus wanneer er meer wateroppervlak gegraven wordt dan gedempt - het zogenaamde ‘surplus’ - dan mag dit als compensatie dienen voor andere dempingen, mits:

1. het te dempen wateroppervlak het surplus wateroppervlak niet overschrijdt;

2. de surplusrechten binnen 3 jaar worden gebruikt. Hierna vervalt de surplusregeling. Bestaande afspraken over surplusregelingen blijven bestaan, maar worden niet meer verlengd. Voor vergunningen gedateerd vóór de inwerkingtreding van de beleidsregel waarin geen termijn is verbonden aan de surplusregeling, wordt deze termijn 3 jaar ná inwerkingtreding van de beleidsregel.

3. het gedempte water binnen hetzelfde peilgebied ligt als het surplus.

4. aan de overige beleidsregels voor dempen wordt voldaan.

5. Voor het inzetten van het surplus is een vergunning vereist en moet de vergunning met daarin het gegraven oppervlak worden gewijzigd. Het surplus mag door een ander dan de vergunninghouder worden ingezet om als compensatie te dienen. Het verzoek hiertoe moet dan mede worden ondertekend door de vergunninghouder van het gegraven surplus.

10.2.    Het college heeft getoetst aan de Beleidsregels Graven en dempen. In het besluit van 26 mei 2020 staat dat de beleidsregel alleen relevant is voor de werkzaamheden ter verbreding van de Rodenrijsevaart en voor het plaatsen van de damwand. Over artikel 3.2.3, tweede lid, van de Beleidsregels Graven en dempen staat in het besluit van 26 mei 2020 dat het afstandscriterium van 2,5 km geldt voor het dempen van boezemwateren en dat de verleende watervergunning niet ziet op het dempen van water in de boezemvaart.

10.3.    De Afdeling stelt vast dat de watervergunning niet is aangevraagd voor het dempen van een deel van de Oude Bovendijk, maar uitsluitend betrekking heeft op het verbreden van de vaart ter hoogte van de Rodenrijseweg 54 en wat daarvoor verder is benodigd. Dat in de aanvraag wordt toegelicht dat de vergunning wordt aangevraagd in het kader van de benodigde watercompensatie voor het project A16, maakt dit niet anders. Die toelichting is immers gegeven om, zoals hiervoor onder 8.2 is overwogen, duidelijk te maken dat de aangevraagde watervergunning strekt tot uitvoering van het tracébesluit en valt binnen het bereik van de Tracéwet. Omdat de aanvraag bepalend is voor de vraag wat het onderwerp van de vergunning is en de aanvraag hier uitsluitend ziet op het graven en niet op demping, stelt de Afdeling vast dat artikel 3.2.3 van de Beleidsregels Graven en dempen in dit geval niet van toepassing kan zijn. Dit betekent dat van strijd met het beleid in zoverre, zoals door [appellanten] gesteld, geen sprake is.

Het betoog faalt in zoverre.

10.4.    Over artikel 3.2.4 van de Beleidsregels Graven en dempen is in het besluit vermeld welk surplus zal ontstaan - namelijk 89 m² - alsook dat dit binnen drie jaar moet zijn opgebruikt. Ten behoeve van het surplus is aan de vergunning voorschrift 4.2.2, onder 3, verbonden. In overeenstemming met artikel 3.2.4 is rekening gehouden met het surplus.

Het betoog faalt.

11.     [appellanten] betogen dat de vergunning in strijd met de artikelen 2 en 3 van de Beleidsregel Veendijken is verleend.

In de eerste plaats voeren zij aan dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden in bijlage 8 bij de Beleidsregel, omdat de aan te brengen damwand afwijkt van het "standaard ontwerp vervangende waterkering in veendijk" en de vereiste beschrijving en beoordeling daarvan ontbreken. In dat verband voeren zij ook aan dat ten onrechte toepassing is gegeven aan de afwijkingsbevoegdheid in artikel 4 van de Beleidsregel Veendijken, terwijl de memo "Tweede beoordeling aanvraag verbreding Rodenrijsevaart" van 5 mei 2020 (hierna: de memo) die aan het besluit ten grondslag is gelegd gebreken bevat. Volgens hen is de memo opgesteld op basis van verouderd kaartmateriaal en een eveneens verouderd rapport uit 2011, zijn de afgraving in de directe omgeving ten behoeve van woningbouw en eventuele gevolgen van de ter plaatse uitgevoerde werkzaamheden niet betrokken in de memo en is ten onrechte niet aangetoond dat sprake is van een structurele verbetering van de veendijk.

In de tweede plaats voeren zij aan dat een uitvoerings- en monitoringsplan overeenkomstig bijlage 10 bij de Beleidsregel ontbreekt.

11.1.    Artikel 2 van de Beleidsregel Veendijken luidt:

"1. Het college van dijkgraaf en hoogheemraden verleent geen vergunning voor het verrichten van werkzaamheden en het hebben of aanbrengen van werken in, op, onder en boven de kernzone van een veendijk.

[...]."

Artikel 3 luidt: "In afwijking van artikel 2 kan het college van dijkgraaf en hoogheemraden een vergunning verlenen indien:

[...];

c. de aanvrager overeenkomstig bijlage 8 aantoont dat de door hem beoogde werkzaamheden leiden tot, of gepaard gaan met, de aanleg van een vervangende waterkering;

[...];

2. Indien het college van dijkgraaf en hoogheemraden op grond van het eerste lid, onderdelen b en c, een vergunning verleent, verbindt het college aan de vergunning het voorschrift dat de vergunde werkzaamheden ten minste worden uitgevoerd met inachtneming van het bepaalde in bijlage 10."

Artikel 4 luidt: "Het college van dijkgraaf en hoogheemraden handelt overeenkomstig dit besluit, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met dit besluit te dienen doelen."

11.2.    Met de aangevraagde verbreding zal aan de kant van het perceel Rodenrijseweg 54 worden gewerkt in een veendijk. In artikel 2 van de Beleidsregel Veendijken is als hoofdregel  opgenomen dat niet wordt gewerkt in veendijken. Uit artikel 3, eerste lid, onder c, volgt dat de gevraagde watervergunning in afwijking van artikel 2 kan worden verleend als wordt voldaan aan de eisen zoals opgenomen in bijlage 8 van de Beleidsregel Veendijken. Om een stabiele waterkering te waarborgen, wordt een damwand als vervangende waterkering aangebracht voordat er ontgravingswerkzaamheden plaatsvinden. Bij een mogelijke inzakking of verschuiving van het grondlichaam, kan de damwand de waterkerende functie overnemen. Om in die situatie een waterdichte aansluiting tussen de damwand en de naastgelegen waterkering te garanderen is een overgangsconstructie vereist. Bijlage 8 schrijft een aansluitconstructie voor aan beide zijden van de damwand, bestaande uit een verlenging van minimaal 5 m onder een hoek van 30 graden.

In het besluit staat dat met gebruikmaking van artikel 4 wordt afgeweken van het beleid, omdat volgens het college niet volledig aan de eisen in bijlage 8 hoeft te worden voldaan. Het college heeft deze afwijking van het beleid gemotiveerd aan de hand van de memo. Daarin staat dat de aansluitconstructie bedoeld is om lekkages langs de damwand te voorkomen, maar dat een dergelijke constructie in dit geval niet nodig is, omdat het maaiveld achter de beoogde damwand voldoende hoog is gelegen en het grondlichaam achter de damwand voldoende stabiel is. Hierdoor zijn risico’s op binnenwaarts bezwijken en achterloopsheid niet aanwezig. Volgens het college is strikte toepassing van de Beleidsregel Veendijken niet nodig, omdat aan het doel van het beleid - waarborgen van de veiligheid - wordt voldaan.

11.3.    De Afdeling ziet in hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de memo zodanige gebreken bevat dat deze niet aan het besluit van 26 mei 2020 ten grondslag mocht worden gelegd. Anders dan [appellanten] stellen, is de memo niet gebaseerd op verouderde gegevens. Het college heeft onder verwijzing naar de memo toegelicht dat iedere 12 jaar wordt beoordeeld of regionale waterkeringen voldoen aan de gestelde veiligheidsnorm, dat deze waterkering is beoordeeld in 2011 en dat daaruit bleek dat het risico van het bezwijken van het grondlichaam achter de damwand niet aanwezig is. Omdat het besluit van 26 mei 2020 nog binnen deze termijn van 12 jaar valt, ziet de Afdeling niet in waarom de memo niet mede gebaseerd kon worden op genoemd advies uit 2011. Bovendien volgt uit de memo dat voor de beoordeling van de aangevraagde werkzaamheden ter plaatse niet alleen wordt verwezen naar het advies uit 2011, maar dat nader is toegelicht dat het bij de Rodenrijsevaart 54 gaat om een grondlichaam dat niet zal wegzakken ofwel niet binnenwaarts zal bezwijken, omdat het om een hooggelegen deel gaat en de veendijk geen op zichzelf staand dijklichaam is, maar stevig is aangeheeld. De Afdeling ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat na de totstandkoming van deze memo zodanige ontwikkelingen hebben plaatsgevonden dat moet worden getwijfeld aan de representativiteit van het daarin neergelegde onderzoek. Het college heeft ter zitting nader toegelicht dat de door [appellanten] bedoelde afgraving ten behoeve van woningbouw weliswaar niet is betrokken in de memo, maar dat gelet op de conclusies uit de memo wordt voldaan aan de gestelde veiligheidsnorm en nader onderzoek niet noodzakelijk is. Daarbij is van belang dat uit de memo blijkt dat zelfs bij droogte sprake is van een robuuste dijk en dat kans op wegzakken of achterloopsheid niet bestaat. Over eventuele gevolgen door de werkzaamheden ter plaatse is toegelicht dat het gebruik van de weg beperkt zal zijn, dat deze werkzaamheden overeenkomen met zwaar wegverkeer en dat de daardoor veroorzaakte overlast beperkt zal zijn. In hetgeen [appellanten] naar voren hebben gebracht ziet de  Afdeling geen concrete aanknopingspunten om aan de juistheid van deze toelichting te twijfelen.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat het college onder verwijzing naar de memo toereikend heeft gemotiveerd waarom niet volledig aan de eisen in bijlage 8 van deze beleidsregel hoeft te worden voldaan. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college dan ook in redelijkheid kunnen besluiten gebruik te maken van de afwijkingsbevoegdheid in artikel 4 van de Beleidsregel Veendijken. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat het college bij zijn afweging heeft betrokken dat een strikte naleving van het beleid onevenredige gevolgen zal hebben voor de aanvrager, zoals extra kosten, en dat voldoende rekening is gehouden met de belangen van [appellanten]. In het besluit is over hun belangen overwogen dat bij het vasthouden aan de in de Beleidsregel Veendijken voorgeschreven constructie de werkzaamheden langer zullen duren en dus ook langer overlast zullen veroorzaken, en dat de kans op schade voor omwonenden groter is, omdat er een grotere damwand moet worden ingetrild.

Het betoog faalt.

11.4.    In artikel 3, tweede lid, van de Beleidsregel Veendijken is bepaald dat voldaan moet worden aan het bepaalde in bijlage 10. In die bijlage zijn voorwaarden opgenomen voor de uitvoering en monitoring van werkzaamheden in een veendijk. In het besluit van 26 mei 2020 staat dat naar aanleiding van de ingediende zienswijze aan de vergunning voorschriften zijn verbonden ten behoeve van de veiligheid van de waterkering. In voorschrift 4.3.1, onder 8, staat dat de uitvoering en monitoring van de werkzaamheden plaatsvindt met inachtneming van bijlage 10 van de Beleidsregel Veendijken. Naar het oordeel van de Afdeling is met dit voorschrift voldoende gewaarborgd dat de werkzaamheden zullen worden uitgevoerd conform bijlage 10. Anders dan [appellanten] ziet de Afdeling niet dat een uitvoerings- en monitoringsplan al ten tijde van de besluitvorming had moeten worden opgesteld.

Het betoog faalt.

Schade en schaderegeling

12.    [appellanten] vrezen voor schade aan hun perceel en woning in vorm van verschuiving of verzakking van de plaatselijke veendijk als gevolg van de werkzaamheden en in het bijzonder door het plaatsen van de damwand. Onder verwijzing naar een brief van QuattroExpertise voeren zij aan dat risico op trillingsschade bestaat. Volgens hen heeft het college met deze belangen ten onrechte geen rekening gehouden.

Daarnaast betogen [appellanten] dat het college in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb heeft gehandeld, omdat in de watervergunning een adequate schaderegeling ontbreekt. In dat verband wensen zij dat in de vergunning moet worden opgenomen dat Rijkswaterstaat de komende 25 jaar verantwoordelijk is voor de afhandeling en uitbetaling van schade binnen een termijn van 12 weken.

12.1.    Voor zover het betoog betrekking heeft op de bij de besluitvorming te verrichten belangenafweging, overweegt de Afdeling - onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 9.1 is overwogen - dat de door [appellanten] genoemde belangen geen betrekking hebben op waterstaatkundige belangen, zodat dat geen reden kan zijn om een watervergunning te weigeren. Wat betreft de door van Leent en Grijpink gewenste schaderegeling overweegt de Afdeling met verwijzing naar  de uitspraken van 8 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3609, en 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1272, dat de bepalingen van de Waterwet noch enige andere wettelijke bepaling grondslag bieden om aan een watervergunning een voorschrift te verbinden dat aan anderen dan de vergunninghouder een verplichting oplegt.

Het betoog faalt.

Conclusie

13.    Het beroep, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 26 mei 2020, is ongegrond.

Proceskosten

14.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. Wel ziet de Afdeling aanleiding te gelasten dat het college aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 18 december 2019, niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 26 mei 2020, ongegrond;

III.    gelast dat het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Delfland aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 178,00 (zegge: honderdachtenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2020

374-909.