Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2808

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-2020
Datum publicatie
25-11-2020
Zaaknummer
201902193/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 november 2017 heeft het college van gedeputeerde staten van Groningen [appellant], onder aanzegging van bestuursdwang, gelast om de rookontwikkeling veroorzaakt door de brand binnen de inrichting aan de [locatie] te Stadskanaal, te voorkomen, beperken en ongedaan te maken. Binnen de inrichting is op 27 november 2017 brand uitgebroken. Nadat de brandweer de brand onder controle had, heeft het college aan [appellant] een last onder bestuursdwang opgelegd. [appellant] bestrijdt dat de brandweer de brand onder controle had en is het niet eens met de opgelegde last onder bestuursdwang en de begunstigingstermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2020/8403
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201902193/1/R4.

Datum uitspraak: 25 november 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], handelend onder de naam [bedrijf A], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2017 heeft het college [appellant], onder aanzegging van bestuursdwang, gelast om de rookontwikkeling veroorzaakt door de brand binnen de inrichting aan de [locatie] te Stadskanaal, te voorkomen, beperken en ongedaan te maken.

Bij besluit van 13 maart 2018 heeft het college de kosten van de toegepaste bestuursdwang vastgesteld op € 615.376,13.

Bij besluit van 26 april 2018 heeft het college het door [appellant] tegen de opgelegde last onder bestuursdwang gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, gevoegd met zaak nr. 201902194/1/R4, ter zitting behandeld op 19 oktober 2020, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door R.E. van ’t Hof en S.C. Steenbergen, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

Inleiding

1.    Binnen de inrichting van [appellant] aan de [locatie] te Stadskanaal is op 27 november 2017 brand uitgebroken. Nadat de brandweer de brand onder controle had, heeft het college aan [appellant] een last onder bestuursdwang opgelegd. De last luidde als volgt:

"U dient rookontwikkeling veroorzaakt door de brand binnen uw inrichting te voorkomen, beperken en ongedaan te maken door uiterlijk donderdag 30 november 2017, 12:00 uur:

- een plan van aanpak aan ons te overleggen waarin is beschreven hoe u voornemens bent te gaan voldoen aan de last onder bestuursdwang, waarin in ieder geval aandacht is besteed aan waterbesparende maatregelen en een verantwoorde afvoer van de afvalstoffen, én

- opdracht te hebben gegeven aan een daartoe deskundig bedrijf dat op donderdag 30 november 2017 om 12:00 uur start met uitvoering van de navolgende werkzaamheden: resten uit de bult te (laten) nemen, de uitgenomen brandende/smeulende/verbrande resten op locatie af te (laten) koelen en vervolgens voorzien van de juiste transportbegeleidingsformulieren af te (laten) voeren (zonder risico’s voor lekkage of rookontwikkeling tijdens transport) naar een erkende ontvanger, én

- zolang als gevolg van de brand risico op rookoverlast aanwezig is, adequate brandbestrijdingsmogelijkheden aanwezig te hebben om rookoverlast te voorkomen door een externe deskundige/brandbestrijdingsorganisatie, bijvoorbeeld Falck Fire Academy, G4S of Alert Brandpreventie in te schakelen."

[appellant] bestrijdt dat de brandweer de brand onder controle had en is het niet eens met de opgelegde last onder bestuursdwang en de begunstigingstermijn.

2.    De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage van deze uitspraak.

Faillissement

3.    [appellant] is op [datum] 2019 failliet verklaard. De Afdeling zal daarom eerst beoordelen of hij de procedure kan voortzetten.

3.1.    Het beroep van [appellant] was op het moment van het faillissement al aanhangig en ingesteld door [appellant]. Na verschillende keren uitstel te hebben gevraagd, heeft de curator bij brief van 2 juli 2020 desgevraagd laten weten het beroep van [appellant] niet over te nemen. Zowel de curator als [appellant] hebben laten weten dat [appellant] zelf de procedure wenst voort te zetten. Op grond van artikel 8:22, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 27, eerste en tweede lid, van de Faillissementswet kan de procedure buiten bezwaar van de boedel worden voortgezet door [appellant].

Ontvankelijkheid

4.    Het college betoogt dat het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk is, omdat hij geen beroepsgronden heeft ingediend.

4.1.    Niet in geschil is dat [appellant] tijdig pro forma beroep heeft ingesteld. Naar aanleiding van het verzoek om indienen van beroepsgronden heeft de toenmalige gemachtigde van [appellant] verwezen naar eerder naar voren gebrachte beroepsgronden. Zoals het college terecht stelt, hebben deze beroepsgronden betrekking op een andere aan [appellant] opgelegde last onder bestuursdwang, waartegen eveneens een beroepsprocedure loopt. Anders dan het college betoogt, heeft [appellant] hiermee desalniettemin beroepsgronden ingediend. Vervolgens heeft [appellant] bij brief van 7 oktober 2020 alsnog beroepsgronden met betrekking tot het besluit van 26 april 2018 ingediend.

4.2.    Behoudens in geschillen waar de wet anders bepaalt, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en, indien die termijn is gegeven, na de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, nieuwe gronden worden ingediend, zij het dat die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde zich daartegen verzet, is in het algemeen bepalend een afweging van de proceseconomie, de reden waarom de desbetreffende beroepsgrond pas in een laat stadium is aangevoerd, de mogelijkheid voor de andere partijen om adequaat op die beroepsgrond te reageren en de processuele belangen van de partijen over en weer.

4.3.    Van strijd met de goede procesorde is in dit geval geen sprake. [appellant] is op 21 mei 2019 failliet verklaard. Nadat de curator heeft laten weten het geding niet over te nemen en [appellant] de procedure zelf wenste voort te zetten, heeft [appellant] alsnog beroepsgronden ingediend. Gelet op de aard van de beroepsgronden acht de Afdeling het voor het college niet onmogelijk om adequaat op de beroepsgronden te reageren. Dit heeft het college ook niet gesteld.

4.4.    Gelet op hetgeen onder 4.1 is overwogen, bestaat geen grond om het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk te verklaren. Verder bestaat, gelet op hetgeen onder 4.3 is overwogen, geen grond voor het oordeel dat de goede procesorde zich verzet tegen de door [appellant] ingediende nieuwe beroepsgronden.

Het betoog van het college faalt.

Last onder bestuursdwang

5.    Ter zitting heeft [appellant] gesteld dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden. In dit verband voert hij aan dat de inrichting per 1 januari 2011 onder het Activiteitenbesluit milieubeheer valt en dat de door hem op 6 november 2015 aangevraagde omgevingsvergunning voor het wijzigen en uitbreiden van zijn inrichting buiten behandeling is gelaten. Volgens [appellant] is zijn inrichting geen IPPC-inrichting en kan het college van gedeputeerde staten gelet op het vorenstaande niet het bevoegd gezag zijn ten aanzien van het handhavingsbesluit. Het college had het besluit van 30 november 2017 om die reden moeten vernietigen, aldus [appellant].

5.1.    Bij besluit van 14 november 2006 heeft het college aan [appellant] een vergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend voor het opslaan en verwerken van afvalstoffen. De vergunning heeft onder meer betrekking op activiteiten uit de volgende categorieën van bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (oud): categorie 28.4, aanhef en onder a, onder 5 en 6: gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft inrichtingen voor het opslaan van de volgende afvalstoffen: van buiten de inrichting afkomstige gevaarlijke afvalstoffen en andere dan de onder 1° tot en met 5° genoemde van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1.103 m3 of meer; en categorie 28.5: gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voor zover het betreft inrichtingen voor het verdichten, scheuren, knippen of breken van schroot van ferro- of non-ferrometalen door middel van mechanische werktuigen met een motorisch vermogen of een gezamenlijk motorisch vermogen van 25 kW of meer.

Bij brief van 17 februari 2012 heeft het college [appellant] geïnformeerd over de wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het college heeft daarbij vastgesteld dat de activiteiten van [appellant] vallen onder categorie 28.4 en 28.5 van bijlage I, onderdeel C, van het Besluit omgevingsrecht (voorheen categorie 28.4 en 28.5 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer). Het college van gedeputeerde staten is op basis van het Besluit omgevingsrecht het bevoegde gezag voor deze activiteiten. Dat [appellant] op 6 november 2015 een aanvraag voor een omgevingsvergunning heeft ingediend voor het wijzigen en uitbreiden van voormelde activiteiten voor zover het betreft de hoeveelheid en het soort (gevaarlijke) afvalstoffen en dat deze aanvraag buiten behandeling is gelaten, maakt niet dat het college van gedeputeerde staten niet het bevoegd gezag is ten aanzien van de inrichting.

Het betoog faalt.

6.    [appellant] stelt dat het college ten onrechte een last onder bestuursdwang heeft opgelegd, omdat de brand in de bult met afval op dat moment nog niet onder controle was. Volgens [appellant] was het de taak van de brandweer om de brand verder te bestrijden. Verder stelt [appellant] dat hij is tegengewerkt in zijn pogingen om nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen.

6.1.    [appellant] heeft niet bestreden dat sprake was van een ongewoon voorval, zodat het college in zoverre bevoegd was om op grond van artikel 17.1 van de Wet milieubeheer handhavend op te treden. De brand is in de avond van 27 november 2017 ontstaan. In de nacht van 27 op 28 november 2017 hebben verschillende overleggen plaatsgevonden tussen [appellant], de brandweer en het bevoegd gezag. Uit de door [appellant] overgelegde gespreksverslagen blijkt dat de brandweer in het eerste gesprek al heeft aangegeven dat de situatie aan [appellant] kan worden overgedragen, zodra de brand onder controle is. De brandweer heeft gesteld dat de kleine bluswerkzaamheden vervolgens door een brandbestrijdingsbedrijf kunnen worden verricht. Het voorstel van [appellant] om de brandende bult met kranen uit elkaar te trekken, is in eerste instantie afgewezen, omdat daarbij de veiligheid niet kon worden gegarandeerd. Om diezelfde reden werd het omzetten van afval op eigen terrein ook niet toegestaan. Aan [appellant] is daarom gemeld dat afval uit de brandende bult moest worden afgevoerd. In het derde gesprek in voormelde nacht is aan [appellant] gemeld dat [appellant] zal worden ondersteund bij het zoeken naar brandbestrijdingsbedrijven die hem kunnen bijstaan bij het uit elkaar halen en afvoeren van de brandende bult afval. In de loop van 28 november 2017 was de brand onder controle. Omdat [appellant] de situatie niet overnam, heeft de brandweer besloten om de bult afval gecontroleerd te laten uitbranden. Vervolgens heeft het college in verband met de rookontwikkeling en het afvoeren van het afval uit de brandende bult de last onder bestuursdwang opgelegd. In hetgeen [appellant] stelt, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college de last niet had mogen opleggen.

Het betoog faalt.

7.    [appellant] stelt dat de door het college gegeven begunstigingstermijn te kort was om aan de last onder bestuursdwang te kunnen voldoen. Volgens hem had hij slechts drie uur om aan de last te voldoen en is door het college op een verzoek om verlenging van de termijn afwijzend gereageerd. Het was volgens [appellant] niet mogelijk om binnen de termijn aan de last te voldoen, omdat het door hem benaderde brandbestrijdingsbedrijf niet wilde meewerken, omdat het bedrijf al een opdracht van het college had gekregen.

7.1.    Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 16 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3891), geldt bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn als uitgangspunt dat deze termijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Een begunstigingstermijn mag ook niet wezenlijk korter worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. De begunstigingstermijn dient ertoe de overtreder in de gelegenheid te stellen de last uit te voeren zonder dat bestuursdwang wordt toegepast. Alleen in spoedeisende gevallen geldt het voorgaande niet. Van een dergelijk geval is hier echter geen sprake.

7.2.    De brand is ontstaan in de avond van 27 november 2017. Zoals onder 6.1 is overwogen, heeft het college al in de nacht na het ontstaan van de brand aan [appellant] gemeld dat hij de situatie moest overnemen zodra de brand onder controle was. Ook is op dat moment gemeld dat het afval uit de brandende bult met behulp van een brandbestrijdingsbedrijf moest worden afgevoerd. Gelet hierop was [appellant] al ruim voor het opleggen van de last onder bestuursdwang op de hoogte van wat er van hem werd verwacht. Voor het aflopen van de begunstigingstermijn heeft [appellant] aan het college gemeld op welke manier afval uit de brandende bult zou worden genomen en zou worden gekoeld. Zoals het college terecht heeft gesteld, heeft [appellant] daarbij geen aandacht besteed aan de waterbesparende maatregelen en de verantwoorde wijze van afvoer van de afvalstoffen. Daarnaast stond in het plan van aanpak dat er een bedrijf werd benaderd om bij de werkzaamheden te assisteren. Het college heeft ter zitting gesteld dat het geen aanleiding zag voor het verlengen van de begunstigingstermijn, omdat het door [appellant] ingediende plan van aanpak onvolledig was en geen inzicht in het tijdsbestek gaf. Verder heeft het college ter zitting gesteld dat het zekerheidshalve een opdracht aan een brandbestrijdingsbedrijf had gegeven, maar dat het college zich had teruggetrokken indien tijdig zou blijken dat [appellant] zelf aan de last had kunnen voldoen. Gelet op het vorenstaande en de al verstreken tijd tussen de eerste overleggen en het opleggen van de last onder bestuursdwang heeft het college in redelijkheid een begunstigingstermijn tot 30 november 2017 om 12:00 uur kunnen stellen. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het college ten onrechte geen uitstel heeft verleend.

Het betoog faalt.

Kostenverhaal

8.    Bij besluit van 13 maart 2018 heeft het college de kosten van de toegepaste bestuursdwang vastgesteld op € 615.376,13. [appellant] heeft dit besluit bij brief van 19 april 2018 betwist. Op grond van artikel 5:31c, eerste lid, van de Awb werd het bezwaar van [appellant] tegen de last onder bestuursdwang geacht mede te zijn gericht tegen het kostenbesluit van 13 maart 2018. In het besluit op bezwaar van 26 april 2018 heeft het college echter ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 5:31c, eerste lid, van de Awb. Het beroep tegen het besluit van 26 april 2018 is om die reden gegrond en het besluit komt voor vernietiging in aanmerking voor zover er niet is beslist op de bezwaren tegen het kostenbesluit. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien door op het bezwaar van [appellant] tegen het kostenverhaalsbesluit te beslissen.

9.    [appellant] betoogt dat het college de kosten voor de toepassing van bestuursdwang ten onrechte op hem heeft verhaald, omdat het college geen bestuursdwang mocht toepassen. Ook stelt hij dat het college ten onrechte de kosten op hem heeft verhaald, omdat hij een aansprakelijkheids-verzekering heeft en het college daarom zijn verzekeraar had moeten aanschrijven.

9.1.    Zoals hierboven onder 6.1 is overwogen, heeft het college de last onder bestuursdwang kunnen opleggen. Verder geschiedt de toepassing van bestuursdwang op grond van artikel 5:25, eerste lid, van de Awb op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] naar voren brengt geen grond voor het oordeel dat het college de kosten ten onrechte op hem heeft verhaald.

Het betoog faalt.

10.    [appellant] betoogt dat de bestuursdwang geen betrekking heeft op catering, beveiliging en bewaking, zodat het college deze kosten ten onrechte op hem heeft verhaald. Ook stelt hij dat het college van verschillende facturen, waaronder die van de [bedrijf B], geen specificatie heeft toegevoegd, zodat hij niet kan controleren of de kosten onder de toegepaste bestuursdwang vallen. Verder stelt [appellant] dat het afgevoerde materiaal door het water is gehaald en direct is afgevoerd, waardoor het zeker vijf maal zwaarder is dan nodig. In verband hiermee betoogt [appellant] dat het college ten onrechte geen vrachtbrieven en weegbonnen van het afgevoerde materiaal heeft bijgevoegd.

10.1.    Het college heeft gesteld dat de kosten van catering, beveiliging en bewaking noodzakelijk zijn voor de toepassing van bestuursdwang. In dit verband stelt het college dat de bestuursdwang bestond uit het gedurende meerdere dagen achtereen verrichten van werkzaamheden die niet onderbroken dienden te worden, zodat catering noodzakelijk was. Ook de inzet van een beveiligings-/bewakingsbedrijf was noodzakelijk om te voorkomen dat onbevoegden tijdens het uitvoeren van de bestuursdwang de inrichting zouden betreden. Naar het oordeel heeft het college deze kosten terecht aangemerkt als kosten van bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:25, eerste lid, van de Awb.

10.2.    Over de specificatie van de kosten heeft het college onweersproken gesteld dat deze kosten zijn gespecificeerd op de factuur van RENEWI. Verder heeft het college gesteld dat het nat maken van het afval noodzakelijk was om ervoor te zorgen dat de rookvorming zou worden beëindigd. Hierdoor was het onoverkomelijk dat het afval zwaarder zou worden dan in een droge toestand. Om het gewicht zo beperkt mogelijk te houden, heeft de kraanmachinist het nat gemaakte afval uitgeknepen. Hierdoor is de gewichtstoename volgens het college beperkt gebleven tot maximaal 0,3 in plaats van de door [appellant] gestelde 5,0. Het gewicht van het afgevoerde afval staat gespecificeerd op de factuur van RENEWI. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college van een onjuiste hoeveelheid afval is uitgegaan of ter zake onjuist heeft gehandeld.

10.3.    [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de onder 10.1 en 10.2 vermelde kosten onredelijk hoog zijn. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat deze kosten onjuist zijn vastgesteld.

Het betoog faalt.

11.    Voor zover [appellant] betoogt dat de mogelijkheid tot kostenverhaal is verjaard, overweegt de Afdeling dat hij in deze heeft verwezen naar de verjaringstermijn voor dwangsomvorderingen waarvoor op grond van artikel 5:35 van de Awb een verjaringstermijn van één jaar geldt. Voor het kostenverhaal inzake de toegepaste bestuursdwang geldt op grond van artikel 4:104 van de Awb een verjaringstermijn van vijf jaar. Deze termijn wordt op grond van artikel 4:111, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb verlengd met de tijd dat [appellant] in staat van faillissement verkeert. Er is derhalve geen sprake van verjaring. Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

12.    Gelet op hetgeen onder 8 is overwogen, is het beroep gegrond. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar tegen het kostenbesluit van 13 maart 2018 ongegrond te verklaren en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

13.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Groningen van 26 april 2018, kenmerk 2018-024.951/17/A.25, voor zover het college niet op het bezwaar tegen het besluit tot kostenverhaal heeft beslist;

III.    verklaart het bezwaar tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van 13 maart 2018, kenmerk 2018-002844/11/A.12, ongegrond;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van het college van gedeputeerde staten van Groningen van 26 april 2018, kenmerk 2018-024.951/17/A.25, voor zover dat is vernietigd;

V.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Groningen tot vergoeding van bij [bedrijf A] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.050,00 (zegge: duizendvijftig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    gelast dat het college van gedeputeerde staten van Groningen aan [bedrijf A] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 345,00 (zegge: driehonderdvijfenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.T. de Jong, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2020

628.

 

BIJLAGE

 

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:104, eerste lid

De rechtsvordering tot betaling van een geldsom verjaart vijf jaren nadat de voorgeschreven betalingstermijn is verstreken.

Artikel 4:111

1. De verjaringstermijn van de rechtsvordering tot betaling aan een bestuursorgaan wordt verlengd met de tijd gedurende welke de schuldenaar na de aanvang van die termijn uitstel van betaling heeft.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien:

[…]

b. de schuldenaar in staat van faillissement verkeert;

[…]

Artikel 5:25, eerste lid

De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

Artikel 5:35

In afwijking van artikel 4:104 verjaart de bevoegdheid tot invordering van een verbeurde dwangsom door verloop van een jaar na de dag waarop zij is verbeurd.

Artikel 6:6

Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:

a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of

b. het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15,

mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Artikel 8:22, eerste lid

In geval van faillissement of surséance van betaling of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen zijn de artikelen 25, 27 en 31 van de Faillissementswet van overeenkomstige toepassing.

Faillissementswet

Artikel 27

1. Indien de rechtsvordering tijdens de faillietverklaring aanhangig en door de schuldenaar ingesteld is, wordt het geding ten verzoeke van de verweerder geschorst, ten einde deze gelegenheid te geven, binnen een door de rechter te bepalen termijn, de curator tot overneming van het geding op te roepen.

2. Zo deze aan die oproeping geen gevolg geeft, heeft de verweerder het recht ontslag van de instantie te vragen; bij gebreke daarvan kan het geding tussen de gefailleerde en de verweerder worden voortgezet, buiten bezwaar van de boedel.

[…]

Wet milieubeheer

Artikel 17.1, eerste lid

Indien zich in een inrichting een ongewoon voorval voordoet of heeft voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, treft degene die de inrichting drijft, onmiddellijk de maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd, om herhaling of de gevolgen van dat voorval te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken.