Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2804

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-2020
Datum publicatie
25-11-2020
Zaaknummer
202001435/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 mei 2018 heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg geweigerd het verzoek van [appellante] in te willigen om de begunstigingstermijn, die is verbonden aan de op 26 oktober 2017 opgelegde last onder dwangsom, te verlengen. [appellante] exploiteert een inrichting voor de op- en overslag en bewerking van afvalstoffen aan de [locatie] te Brunssum. Het college heeft aan haar voor het in werking hebben van die inrichting bij besluit van 21 augustus 2014 een omgevingsvergunning verleend voor de opslag van 272 ton kunststofafval. Bij besluit van 26 oktober 2017, verzonden op 27 oktober 2017, heeft het college [appellante] een last onder dwangsom opgelegd onder meer om binnen acht maanden na de verzenddatum van het besluit ter naleving van die omgevingsvergunning brandveiligheidsvoorzieningen in het pand te treffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202001435/1/R4.

Datum uitspraak: 25 november 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Brunssum,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 22 januari 2020 in zaak nr. 18/3066 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg.

Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2018 heeft het college geweigerd het verzoek van [appellante] in te willigen om de begunstigingstermijn, die is verbonden aan de op 26 oktober 2017 opgelegde last onder dwangsom, te verlengen.

Bij besluit van 7 november 2018 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 januari 2020 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 september 2020, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. ing. J.J. Patelski, advocaat te Maastricht, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J.E. Kleijnen, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [appellante] exploiteert een inrichting voor de op- en overslag en bewerking van afvalstoffen aan de [locatie] te Brunssum. Het college heeft aan haar voor het in werking hebben van die inrichting bij besluit van 21 augustus 2014 een omgevingsvergunning verleend voor de opslag van 272 ton kunststofafval. Bij besluit van 26 oktober 2017, verzonden op 27 oktober 2017, heeft het college [appellante] een last onder dwangsom opgelegd onder meer om binnen acht maanden na de verzenddatum van het besluit ter naleving van die omgevingsvergunning brandveiligheidsvoorzieningen in het pand te treffen. De voorzieningen in kwestie zijn een bluswatervoorziening met een toevoercapaciteit van ten minste 90 m3 bluswater per uur gedurende ten minste vier uren, en daarnaast of vier brandcompartimenten of twee brandcompartimenten met een sprinklerinstallatie. [appellante] heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 oktober 2017, zodat het is onherroepelijk geworden.

    Bij brief van 4 mei 2018 heeft [appellante] het college verzocht om de aan het handhavingsbesluit verbonden begunstigingstermijn te verlengen tot 1 maart 2019, omdat het volgens haar niet mogelijk was om binnen de gestelde termijn aan de last, voor zover het betreft het aanbrengen van de voorzieningen met betrekking tot de brandveiligheid te voldoen. Het college heeft het verzoek niet ingewilligd. Volgens het college heeft [appellante] ruimschoots de tijd gehad om te voldoen aan het vergunningvoorschrift dat verplicht tot het aanbrengen van brandveiligheidsvoorzieningen en kan zij daaraan voldoen. Deze beslissing heeft het college in bezwaar gehandhaafd. Volgens de rechtbank heeft het college dat kunnen doen.

2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college bij het besluit op bezwaar van 7 november 2018 alsnog aanleiding had moeten zien voor het inwilligen van haar verzoek, omdat bij haar het vertrouwen is gewekt dat het college dat zou doen. Volgens [appellante] is haar door de gedeputeerde, die in juni 2018 portefeuillehouder handhaving was, op 13 juni 2018 mondeling toegezegd dat de dwangsomprocedure opgeschort zou worden als zij een gemotiveerde schriftelijke onderbouwing zou geven dat er meer tijd nodig was om de noodzakelijke brandveiligheidsmaatregelen te nemen. [appellante] verwijst hierbij naar een emailbericht van de gedeputeerde. Zij voert aan dat zij op 19 juni 2018 en 6 juli 2018 de gewenste onderbouwing heeft verstrekt. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, zien de verstrekte gegevens niet uitsluitend op brandveiligheidsvoorzieningen, vereist in een toekomstige situatie. Dat de gegevens ook zijn vertrekt in het kader van een aanvraag van 15 juni 2017 om omgevingsvergunning voor de uitbreiding van de opslagcapaciteit, betekent niet dat met de daarin opgenomen brandveiligheidsvoorzieningen reeds daarom de gevraagde onderbouwing niet is gegeven.

    Verder stelt [appellante] dat de verantwoordelijk gedeputeerde op 18 juni 2018 telefonisch aan haar heeft medegedeeld dat het niet nodig was om hangende het bezwaar tegen de weigering de looptijd van de last op te schorten een verzoek om voorlopige voorziening te doen. Ook uit die mededeling mocht zij afleiden dat het bezwaar gegrond zou worden verklaard en het verzoek met betrekking tot de last alsnog zou worden ingewilligd, aldus [appellante].

2.1.    Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.

2.2.    Niet in geschil is dat er op 13 juni 2018 in een horecagelegenheid in Brunssum een gesprek heeft plaatsgevonden tussen de algemeen directeur van [appellante], een adviseur van [appellante], de burgemeester van Brunssum en gedeputeerde Geurts die op dat moment interim portefeuillehouder handhaving was. Op 18 juni 2018 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen de algemeen directeur van [appellante] en de gedeputeerde. Nadat het college [appellante] bij brief van 9 juli 2018 erover heeft geïnformeerd dat op 28 juni 2018 is geconstateerd dat de dwangsom is verbeurd, heeft de algemeen directeur de gedeputeerde op 10 juli 2018 te 16:04 uur een mail gestuurd. Daarin meldt hij dat afspraken zijn gemaakt en vraagt hij aan de gedeputeerde of de afdeling Handhaving daarover niet is geïnformeerd. De gedeputeerde heeft daarop dezelfde middag te 18:02 uur de volgende reactie gestuurd: "Ik heb aan het cluster handhaving aangegeven (toen ik nog portefeuillehouder handhaving was) dat ik de mening ben toegedaan - als jullie overtuigend aangeven wanneer de maatregelen worden getroffen die noodzakelijk zijn en met een gegronde onderbouwing vanuit de installateur waarom het niet eerder kan - de dwangsomprocedure opgeschort kan worden." Het college heeft niet betwist dat de gedeputeerde tijdens het gesprek op 13 juni 2018 gelijkluidende uitlatingen heeft gedaan tegenover de algemeen directeur van [appellante], zodat de Afdeling ervan uitgaat dat die uitlatingen zijn gedaan.

    Voor zover [appellante] heeft betoogd dat de gedeputeerde tijdens het gesprek verstrekkender uitlatingen heeft gedaan, volgt de Afdeling haar daarin niet. Met alleen de stelling dat verstrekkender uitlatingen zijn gedaan, is niet aannemelijk gemaakt dat dergelijke uitlatingen daadwerkelijk zijn gedaan. [appellante] heeft ook niet geconcretiseerd waaruit die verstrekkender uitlatingen zouden hebben bestaan. Voor zover [appellante] eerst ter zitting in hoger beroep te kennen heeft gegeven dat haar adviseur, die bij het gesprek 13 juni 2018 aanwezig was, daarover nog zou kunnen verklaren, ziet de Afdeling geen aanleiding van dit bewijsaanbod gebruik te maken. [appellante] heeft in hoger beroep reeds verklaringen ingebracht, onder andere van de adviseur over de inhoud van het telefoongesprek van 18 juli 2018. Niet valt in te zien dat als deze adviseur al iets over het gesprek van 13 juni 2018 nader kan verklaren, een dergelijke verklaring niet eerder in de procedure kon worden ingebracht.     

    Over vermeende uitlatingen over het ontbreken van noodzaak om een voorlopige voorziening te vragen, die de gedeputeerde aan [appellante] zou hebben gedaan in het telefoongesprek op 18 juni 2018, overweegt de Afdeling dat uit dergelijke uitlatingen, als die al zijn gedaan, niet kan worden afgeleid dat bij het besluit op bezwaar het verzoek van [appellante] alsnog zou worden ingewilligd.

    De gedeputeerde heeft, zo volgt uit zijn mail van 10 juli 2018, voorwaarden gesteld in de op 13 juni 2018 gedane uitlatingen over het opschorten van de dwangsomprocedure. Zo moet [appellante] overtuigend aangeven wanneer de maatregelen worden getroffen die noodzakelijk zijn, en er moet gegrond worden onderbouwd dat de maatregelen niet eerder kunnen worden getroffen. Niet in geschil is dat het aan het college is om te beoordelen of [appellante] een en ander overtuigend heeft aangegeven en gegrond heeft onderbouwd. Als de gestelde voorwaarden worden vervuld, mag de betrokkene ervan uitgaan dat de toezegging in beginsel wordt nagekomen. Anders dan het college heeft betoogd, heeft de gedeputeerde niet een voorbehoud gemaakt. Bij een voorbehoud gaat het om een voorwaardelijke omstandigheid die, als die zich voordoet, ertoe leidt dat tot de concrete toepassing van een bevoegdheid waarover de toezegging is gedaan, juist niet wordt overgegaan. Dat is hier niet aan de orde.

    [appellante] heeft aan het college op 19 juni 2018 een brief gestuurd, waarin staat welke brandveiligheidsvoorzieningen zij wil treffen. Een bluswatervoorziening met een toevoercapaciteit van 90 m3 gedurende tenminste vier uren zal uiterlijk eind augustus 2018 worden opgeleverd. Een inpandige opslag is gerealiseerd. Het realiseren van een sprinklerinstallatie stuitte echter op technische gebreken, zo staat in de brief. Er was door adviesbureau Storms inmiddels een bouwkundige oplossing, in de vorm van compartimenteringen, uitgewerkt. Volgens [appellante] zal vanwege de noodzakelijke afstemming met het bevoegd gezag de aanbesteding en de bouwkundige uitvoering van deze brandveiligheidsvoorziening een periode van meerdere maanden gemoeid zijn, zo staat in de brief. Voor zogenoemde ‘engineering’ en het realiseren van de bouwkundige werkzaamheden is een termijn nodig van zes tot zeven maanden. Bij de brief is een bijlage gevoegd met daarin een specificatie van werkzaamheden. [appellante] heeft vervolgens op 6 juli 2018 een emailbericht aan de gedeputeerde gestuurd, met daarbij een overzicht van een planning van werkzaamheden van [bedrijf]. Daarbij is ervan uitgegaan dat voor 15 augustus 2018 met het college consensus wordt bereikt over de te treffen voorzieningen.

    De rechtbank heeft overwogen dat de door [appellante] verstrekte informatie betrekking heeft op haar aanvraag van 15 juni 2017 om omgevingsvergunning voor de uitbreiding van haar inrichting en daarom niet op de brandveiligheidsvoorzieningen die op grond van de last moeten worden getroffen ter voorkoming van verbeurte van de dwangsom.

    Niet in geschil is dat de door [appellante] op 19 juni 2018 en 3 juli 2018 verstrekte gegevens informatie betreft in het kader van een aanvraag die [appellante] op 15 juni 2017 heeft gedaan voor een omgevingsvergunning voor uitbreiding van de inrichting. Die aanvraag is volgens het college op 27 februari 2018 ingetrokken.     

    In een verklaring van 25 september 2018 van een ambtenaar die betrokken was bij vergunningverlening aan [appellante], staat dat de op 15 juni 2017 ingediende aanvraag ziet op de opslag van 2.000 ton kunststoffen in één groot brandcompartiment, voorzien van een sprinklerinstallatie. De Afdeling stelt vast dat deze situatie afwijkt van de situatie waartoe de opgelegde last strekt, te weten de realisering van of vier brandcompartimenten of twee brandcompartimenten met een sprinklerinstallatie. Gelet hierop kan niet zonder meer worden geoordeeld dat de voor de opslag van 2.000 ton kunststofafval bedoelde brandveiligheidsmaatregelen ook passend zijn voor de in 2014 vergunde bedrijfssituatie. [appellante] heeft in haar hogerberoepschrift en ter zitting niet onderbouwd waarom de informatie over de op 15 juni 2017 aangevraagde bedrijfssituatie ook van betekenis is voor de in 2014 vergunde opslag van 272 ton kunststofafval, en daarmee voor de vereiste  brandveiligheidsvoorzieningen. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat met de verstrekte gegevens niet is voldaan aan de door de gedeputeerde gestelde voorwaarde dat overtuigend moet worden aangeven wanneer de maatregelen worden getroffen die noodzakelijk zijn. [appellante] mocht er dan ook, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet op vertrouwen dat na verstrekking van de gegevens op 19 juni 2018 en 3 juli 2018 de last zou worden opgeschort.

    Het betoog faalt.

3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2020

163-860.