Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2786

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2020
Datum publicatie
25-11-2020
Zaaknummer
202002789/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 augustus 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vw 2000 te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2020/2986
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202002789/1/V3.

Datum uitspraak: 23 november 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 8 april 2020 in zaak nr. 19/6966 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vw 2000 te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 12 september 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 april 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L.M. Straver, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.    De rechtbank heeft onbestreden overwogen dat de staatssecretaris onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat hij een besluit op bezwaar heeft genomen zonder de termijn die aan de vreemdeling is verleend voor het aanvullen van gronden af te wachten. Zij heeft verder overwogen dat de vreemdeling door deze onzorgvuldige handeling niet in haar belangen is geschaad.

2.    De vreemdeling heeft dit oordeel in hoger beroep niet bestreden. In haar eerste grief klaagt zij echter wel dat de rechtbank in het zorgvuldigheidsgebrek ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

3.    De Afdeling begrijpt de overweging van de rechtbank zo dat zij aanleiding heeft gezien om het besluit op bezwaar ondanks het zorgvuldigheidsgebrek in stand te laten met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat niet aannemelijk is dat de vreemdeling door dit gebrek is benadeeld. Gelet op het geconstateerde gebrek, klaagt de vreemdeling terecht dat de rechtbank de staatssecretaris had moeten veroordelen tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten.

    De eerste grief slaagt.

4.    Wat de vreemdeling in de tweede grief heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

5.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover zij daarbij heeft nagelaten de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de bij de vreemdeling met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten. De uitspraak wordt voor het overige bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 8 april 2020 in zaak nr. 19/6966, voor zover zij daarbij heeft nagelaten de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten;

III.    bevestigt die uitspraak voor het overige;

IV.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.575,00 (zegge: vijftienhonderdvijfenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

w.g. Van Laar

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2020

872.