Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2771

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2020
Datum publicatie
18-11-2020
Zaaknummer
202000279/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 februari 2018 heeft de burgemeester van Amsterdam de exploitatievergunning van [coffeeshop] voor de duur van een week ingetrokken en de coffeeshop voor een week geschrapt van de lijst van inrichtingen waar de verkoop van softdrugs wordt gedoogd. [appellante] exploiteert [coffeeshop] in Amsterdam. Daartoe heeft de burgemeester haar op 22 oktober 2014 een exploitatievergunning verleend. Aan de exploitatievergunning is een gedoogverklaring verbonden. Eén van de voorwaarden van de gedoogverklaring (hierna: gedoogvoorwaarden) is dat [appellante] geen reclame mag maken voor de coffeeshop. Op 19 oktober 2017 is geconstateerd dat aan een lantaarnpaal een reclamebord was bevestigd van [coffeeshop]. Het reclamebord was op verzoek van [appellante] geplaatst door NPB Media B.V. (hierna: NPB), die voor de gemeente Amsterdam de lichtmastreclames regelt. Voorafgaand aan de plaatsing heeft NPB aan [appellante] meegedeeld dat de gemeente Amsterdam akkoord was. Dit bleek onjuist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/619
ABkort 2020/577
AB 2021/31 met annotatie van C.L.G.F.H. Albers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202000279/1/A3.

Datum uitspraak: 18 november 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante] en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante]), gevestigd te Amsterdam,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 december 2019 in zaak nr. 18/6353 in het geding tussen:

[appellante]

en

de burgemeester van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2018 heeft de burgemeester de exploitatievergunning van [coffeeshop] voor de duur van een week ingetrokken en de coffeeshop voor een week geschrapt van de lijst van inrichtingen waar de verkoop van softdrugs wordt gedoogd (hierna: de gedooglijst).

Bij besluit van 6 september 2018 heeft de burgemeester het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 december 2019 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 september 2019 vernietigd voor zover zich dat richt op het schrappen van de gedooglijst, het bezwaar voor zover zich dat richt op het schrappen van de gedooglijst niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de uitspraak in de plaats komt van het vernietigde deel van het besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 augustus 2020, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. L.W. Tellegen, advocaat te Amsterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. R. Nomden en mr. A. Post, zijn verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

1.    [appellante] exploiteert [coffeeshop] in Amsterdam. Daartoe heeft de burgemeester haar op 22 oktober 2014 een exploitatievergunning verleend. Aan de exploitatievergunning is een gedoogverklaring verbonden. Eén van de voorwaarden van de gedoogverklaring (hierna: gedoogvoorwaarden) is dat [appellante] geen reclame mag maken voor de coffeeshop.

2.    Op 19 oktober 2017 is geconstateerd dat aan een lantaarnpaal een reclamebord was bevestigd van [coffeeshop]. Het reclamebord was op verzoek van [appellante] geplaatst door NPB Media B.V. (hierna: NPB), die voor de gemeente Amsterdam de lichtmastreclames regelt. Voorafgaand aan de plaatsing heeft NPB aan [appellante] meegedeeld dat de gemeente Amsterdam akkoord was. Dit bleek onjuist.

3.    Ingevolge het Stappenplan overtreding van de gedoogvoorwaarden door een inrichting waarin het aanbieden en de verkoop van softdrugs wordt gedoogd (hierna: Stappenplan) wordt na een tweede overtreding van de gedoogvoorwaarden, waarvan hier sprake was, de exploitatievergunning voor een week ingetrokken en wordt de coffeeshop voor een week geschrapt van de gedooglijst. De burgemeester heeft hiertoe besloten. Hij vindt het de eigen verantwoordelijkheid van [appellante] om aan de gedoogvoorwaarden te voldoen. Mocht [appellante] nogmaals de gedoogvoorwaarden overtreden, dan kan de burgemeester overgaan tot de volgende stap in het Stappenplan. Dit besluit heeft de burgemeester in bezwaar gehandhaafd.

Aangevallen uitspraak

4.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de beslissing om de coffeeshop te schrappen van de gedooglijst een beslissing over gedogen is en dat dit daarom geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en hiermee ook niet is gelijk te stellen. Nu in dit geval ook geen risico bestaat op nadelige strafrechtelijke gevolgen kon [appellante] hiertegen geen bezwaar maken en beroep instellen, aldus de rechtbank. Ze heeft om die reden het besluit van 6 september 2018 in zoverre vernietigd en het bezwaar van [appellante] voor zover dit daarop ziet niet-ontvankelijk verklaard.

    De rechtbank heeft vervolgens het intrekken van de exploitatievergunning beoordeeld en geoordeeld dat de burgemeester dit besluit in redelijkheid heeft mogen nemen. De mededeling van NPB dat de gemeente Amsterdam akkoord was, betekende niet dat de burgemeester heeft ingestemd met de reclame. [appellante] mocht hier ook niet gerechtvaardigd op vertrouwen, omdat het op haar weg had gelegen om bij de burgemeester navraag te doen. Dat tegen andere coffeeshops die reclame maakten mogelijk niet is opgetreden, maakt niet dat het besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. De burgemeester hoeft namelijk een eventueel in het verleden gemaakte fout niet te herhalen, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

Is bezwaar en beroep mogelijk tegen het schrappen van de gedooglijst?

5.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de beslissing om de coffeeshop te schrappen van de gedooglijst geen besluit is. Het schrappen van de gedooglijst is gelijk te stellen aan het intrekken van een gedoogverklaring en is gekoppeld aan en verknocht met het intrekken van de exploitatievergunning, waartegen wel bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan worden ingesteld. Als één van beide ontbreekt, mag de coffeeshop niet open. Van haar kan niet worden verwacht dat zij handhaving uitlokt om een tweede rechtsweg ten aanzien van het schrappen van de gedooglijst te creëren. Dit is onevenredig bezwarend, zeker omdat er op de overtreding die ze zou moeten begaan om een tweede rechtsweg te creëren, namelijk het verkopen van softdrugs zonder op de gedooglijst te staan, celstraf staat, aldus [appellante].

5.1.    De rechtbank heeft zich voor haar oordeel gebaseerd op jurisprudentie van de Afdeling. In de uitspraak van 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1356, heeft de Afdeling overwogen dat de intrekking van een gedoogverklaring slechts in enkele uitzonderingsgevallen met een besluit wordt gelijkgesteld, omdat alleen in uitzonderlijke gevallen van de gedoogde niet kan worden gevergd om door voortzetting van de overtreding een voor bezwaar vatbaar handhavingsbesluit uit te lokken. De rechtbank heeft ook verwezen naar de enige uitzondering die tot op heden is aangenomen in de uitspraak van 9 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP7160. In die zaak over de intrekking van een gedoogverklaring voor een coffeeshop riskeerde de betrokkene een grotere kans op ontneming van zijn vrijheid dan een exploitant van een niet-gedoogde coffeeshop in het algemeen loopt bij het verhandelen van softdrugs. Vanwege deze grotere kans op vrijheidsontneming is geoordeeld dat van de exploitant niet kon worden gevergd de overtreding voort te zetten om een handhavingsbesluit uit te lokken waartegen rechtsmiddelen konden worden aangewend.

5.2.    De onder 5.1 besproken jurisprudentie ziet op beslissingen over alleen de gedoogverklaring. In dit geval is in één beslissing besloten de coffeeshop van de gedooglijst te schrappen en de exploitatievergunning in te trekken, beide voor de duur van één week, vanwege één en dezelfde overtreding van de gedoogvoorwaarden. Alleen al omdat de exploitatievergunning tijdelijk is ingetrokken, is het voor [appellante] tijdens die week niet toegestaan om softdrugs te verkopen in [coffeeshop]. Als zij dit wel zou doen, zou zij immers een ander verbod overtreden, namelijk het verbod om te exploiteren zonder exploitatievergunning. Als achteraf bij de beoordeling door de bestuursrechter blijkt dat de exploitatievergunning ten onrechte tijdelijk is ingetrokken, blijft staan dat [appellante] gedurende die week nog steeds geen softdrugs had mogen verkopen, omdat de coffeeshop die week niet op de gedooglijst stond. Zoals door de burgemeester is verklaard, zijn alle drie de onderdelen, dus de exploitatievergunning, de gedoogverklaring en de plaatsing op de gedooglijst, nodig om softdrugs te mogen verkopen in [coffeeshop] zonder bestuursrechtelijk negatieve gevolgen. Er bestaat in dit geval een onlosmakelijke samenhang tussen de beoordeling van het schrappen van de gedooglijst en de beoordeling van het intrekken van de exploitatievergunning. Een gelijktijdige beoordeling is daarom noodzakelijk. Van [appellante] kan niet worden gevergd dat zij het verbod op het exploiteren zonder exploitatievergunning overtreedt om een handhavingsbesluit met betrekking tot het schrappen van de gedooglijst uit te lokken of om zich voor het schrappen van de gedooglijst tot de civiele rechter te wenden. [appellante] stelt dan ook terecht dat de bestuursrechter in dit geval bevoegd is een oordeel te geven over het gehele besluit waarbij de exploitatievergunning is ingetrokken en de coffeeshop van de gedooglijst is geschrapt.

5.3.    Het betoog slaagt.

Tussenconclusie

6.    Het hoger beroep is gegrond. De rechtbank heeft ten onrechte het beroep gegrond verklaard omdat de burgemeester het bezwaar tegen het schrappen van de gedooglijst niet-ontvankelijk zou moeten verklaren. In het vervolg van deze uitspraak zal het schrappen van de gedooglijst bij de beoordeling worden betrokken.

Is het besluit een herstelsanctie?

7.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het intrekken van de exploitatievergunning een herstelsanctie is. Het besluit heeft een leedtoevoegend karakter en richt zich niet op herstel van de rechtstoestand zoals deze was voor de plaatsing van de lichtmastreclame. De reclame was immers al verwijderd. Het besluit is daarbij pas enkele maanden na de constatering van de overtreding ingegaan. Het leedtoevoegende karakter zit hem ook in de dreiging dat wanneer er overtredingen worden begaan er steeds zwaardere maatregelen zullen worden genomen en in de financiële gevolgen die het heeft. Er is sprake van een criminal charge, zeker in combinatie met het schrappen van de gedooglijst, aldus [appellante].

7.1.    Het EHRM heeft in het arrest Engel en anderen tegen Nederland, van 8 juni 1976, ECLI:NL:XX:1976:AC0386, §82, drie criteria geformuleerd voor de bepaling of sprake is van een criminal charge. Ten eerste is van belang de classificatie van de sanctie naar nationaal recht, ten tweede de aard van de overtreding - mede bezien in relatie tot het doel van de sanctie - en ten derde de aard en de zwaarte van de sanctie. De laatste twee criteria zijn niet cumulatief: het voldoen aan één van deze criteria kan in bepaalde gevallen al leiden tot de conclusie dat van een criminal charge sprake is. Daarnaast kunnen het tweede en derde criterium in samenhang bezien zo’n conclusie rechtvaardigen.

7.2.    Naar nationaal recht wordt het tijdelijk intrekken van een exploitatievergunning in het algemeen aangemerkt als een herstelsanctie (vergelijk de uitspraak van 7 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3265). Het tijdelijk schrappen van de gedooglijst hangt in dit geval samen met het tijdelijk intrekken van de exploitatievergunning en wordt daarom ook aangemerkt als een herstelsanctie.

    Het doel van het intrekken van de exploitatievergunning, en ook van het daarmee samenhangende schrappen van de gedooglijst, is bescherming van de openbare orde, bestrijding van laakbaar gedrag van een exploitant en herstel van de rechtstoestand. Het besluit is niet gericht op het toevoegen van geïndividualiseerd concreet nadeel. De periode tussen constatering van de aanwezigheid van de reclame en het besluit is niet zodanig lang, dat het doel van de sancties niet meer bereikt kon worden of al bereikt was. De aard van de overtreding, mede bezien in relatie tot het doel van de sancties, wijst niet in de richting van een bestraffende sanctie.

    Bij het beoordelen van de aard en de zwaarte van de sancties is van belang of de maatregel zodanig zwaar is dat deze daardoor als bestraffend moet worden beschouwd. De zwaarte van de sancties wordt beoordeeld aan de hand van objectieve maatstaven; hoe de betrokkene de sancties subjectief ervaart is hierbij in het algemeen niet van belang. In dit geval gaat het om twee sancties die feitelijk hetzelfde bereiken, namelijk dat voor de duur van één week de coffeeshop dicht moet blijven. Hiertoe is overgegaan na een tweede overtreding van de gedoogvoorwaarden binnen de daarvoor geldende verjaringstermijn. In het Stappenplan is geregeld dat na iedere volgende overtreding van de gedoogvoorwaarden een zwaardere sanctie wordt opgelegd. Dit is bedoeld als prikkel om naleving van de gedoogvoorwaarden te bevorderen en niet, zoals [appellante] stelt, als leedtoevoeging. De intrekking van de exploitatievergunning en het schrapen van de gedooglijst hebben voor [appellante] financiële gevolgen gehad. Dit is inherent aan dit besluit. [appellante] heeft niet onderbouwd wat de financiële gevolgen waren. Er bestaat geen aanleiding om de intrekking van de exploitatievergunning alleen op basis van de aard en de zwaarte van de sanctie als een bestraffende sanctie aan te merken. In dit verband wijst de Afdeling erop dat het EHRM in andere dan rijbewijszaken geen bestraffend karakter heeft aangenomen alleen op grond van de aard en de zwaarte van de sanctie.

    Ook het tweede en derde criterium in samenhang bezien leiden niet tot het oordeel dat de twee sancties als een bestraffende sanctie zijn aan te merken.

7.3.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het tijdelijk intrekken van de exploitatievergunning een herstelsanctie is. Ook het, daarmee samenhangende, schrappen van de gedooglijst leidt niet tot het oordeel dat het besluit een bestraffende sanctie is.

7.4.    Het betoog faalt.

Mocht [appellante] ervan uitgaan dat er toestemming was?

8.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen toestemming was voor de reclame. Op de website van de gemeente Amsterdam wordt zonder voorbehoud NPB aangewezen als het orgaan dat voor de gemeente Amsterdam de vergunningen regelt voor lichtmastreclame. NPB legt de inhoud van de reclames ter beoordeling voor aan de gemeente, die onder meer beoordeelt of de inhoud van de reclame niet in strijd is met de openbare orde of goede zeden en plaatst lichtmastreclame pas nadat goedkeuring is verleend. Over de betreffende reclame heeft NPB desgevraagd verklaard dat er toestemming was gegeven door de gemeente. Zowel de tekst op de website, de handelwijze van NPB als de contractuele afspraken duiden op een zodanige verstrengeling tussen NPB en de gemeente dat de door NPB aan derden gedane mededelingen over goedkeuring van de gemeente moeten worden aangemerkt als de vereiste bestuursrechtelijke toestemmingen. Mocht dat niet zo zijn, dan mocht zij daar gelet op de verwijzing naar NPB gerechtvaardigd op vertrouwen. Bovendien heeft de burgemeester in andere gevallen van reclame voor coffeeshops niet handhavend opgetreden en heeft dit ook bijgedragen aan het vertrouwen dat reclame was toegestaan, aldus [appellante]. Coffeeshops zijn bovendien actief benaderd door NPB om reclame te maken.

8.1.    De bevoegdheid om ontheffingen te regelen voor het maken van reclame op of aan de openbare weg is een andere bevoegdheid dan de bevoegdheid om ontheffingen van gedoogvoorwaarden te verlenen. De rechtbank heeft met juistheid vastgesteld dat de burgemeester de tweede bevoegdheid niet heeft gedelegeerd of gemandateerd aan NPB. De mededeling van NPB kan niet worden aangemerkt als toestemming van de burgemeester voor het maken van reclame voor de coffeeshop.

8.2.    Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Verder is vereist dat de toezegging, andere uitlating of gedraging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dat is het geval indien de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichtte de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte. Er is geen sprake van gerechtvaardigde verwachtingen als:

-    de betrokkene de relevante feiten en omstandigheden onjuist of onvolledig heeft weergegeven;

-    de betrokkene gelet op zijn specifieke kennis of deskundigheid had moeten beseffen dat de uitlating of gedraging in strijd was met de toepasselijke rechtsregels;

-     de uitlating zo duidelijk in strijd was met de toepasselijke rechtsregels dat de betrokkene dit had moeten beseffen;

-    de betrokkene besefte of had moeten beseffen dat de uitlating van de ambtenaar ging over een beslissing die buiten de bevoegdheid van het bestuursorgaan lag.

8.3.    [appellante] had, als coffeeshophouder, moeten beseffen dat de mededeling van NPB in strijd was met het verbod op het maken van reclame door coffeeshops. Zoals de burgemeester heeft toegelicht, is het beleid voor coffeeshops heel strikt. De gedoogvoorwaarden zijn duidelijk en meer dan eens gecommuniceerd met [appellante]. [appellante] heeft op 29 april 2015 een eerste bestuurlijke waarschuwingsbrief gekregen en op 22 december 2015 een tweede. Deze waarschuwingen hadden betrekking op overlast die werd veroorzaakt door bezoekers van de coffeeshop, maar in de tweede waarschuwingsbrief staan alle voorwaarden nog eens opgesomd waaraan coffeeshops moeten voldoen, waaronder een verbod op het maken van reclame. [appellante] was dus op de hoogte van het reclameverbod in de gedoogvoorwaarden. Dat blijkt overigens ook uit het feit dat ze NPB heeft gevraagd of de ontwerpen voor de reclame zijn goedgekeurd door de gemeente en heeft gevraagd om een kopie van de goedkeuring. Ze had dit echter zelf dienen na te gaan bij de burgemeester. Ze kon niet in redelijkheid veronderstellen dat NPB de opvatting van de burgemeester over de gedoogvoorwaarden vertolkte. Uit de informatie op de website van de gemeente Amsterdam heeft ze niet kunnen afleiden dat NPB ook bevoegd zou zijn om ontheffingen te verlenen van de gedoogvoorwaarden. Evenmin kon [appellante] er in redelijkheid op vertrouwen dat niet gehandhaafd zou worden. Ze had al een waarschuwingsbrief ontvangen en een eerste sanctie opgelegd gekregen vanwege het overtreden van de gedoogvoorwaarden. Van informatie dat de gedoogvoorwaarde voor het maken van reclame op enig moment niet meer zou gelden, is niet gebleken. Ook het niet optreden tegen reclame van andere coffeeshops leidt niet tot de conclusie dat dan niet meer nodig is bij het bevoegde orgaan te informeren of deze gedoogvoorwaarde niet langer geldt. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat [appellante] geen gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt.

8.4.    Het betoog faalt.

Was handhaving in strijd met het gelijkheidsbeginsel?

9.    [appellante] betoogt dat de burgemeester heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Tegen andere coffeeshops is niet handhavend opgetreden. Zo was de burgemeester vanaf 29 juni 2018 op de hoogte dat er lichtmastreclame van coffeeshops Easy Times en Kokopelli hing. Die reclame is pas op 16 juli 2018 verwijderd, zonder dat handhavend is opgetreden. Ook tegen reclame van een andere coffeeshop, Get down to it, is niet handhavend opgetreden, terwijl de burgemeester van die reclame op de hoogte was. Deze reclame is pas verwijderd toen het gebied heringericht werd. Door bij haar wel te handhaven, heeft de burgemeester in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld. Ze verwijst naar de uitspraken van de Afdeling van 6 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:694, en 25 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3256, waarin een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel werd gedaan.

9.1.    De burgemeester heeft verklaard dat, als door de politie geconstateerd wordt dat een coffeeshop reclame maakt en daarvan een bestuurlijke rapportage wordt opgesteld voor de burgemeester, altijd handhavend wordt opgetreden. Kokopelli is een smartshop en mag wel reclame maken. Tegen de door [appellante] genoemde coffeeshops Easy Times en Get down to it is niet handhavend opgetreden, omdat niet door de politie was geconstateerd dat reclame werd gemaakt door die coffeeshops en de burgemeester geen bestuurlijke rapportage had ontvangen. Weliswaar had NPB aan de gemeente laten weten dat er reclame aanwezig was van Easy Times, maar voordat dit door de politie was geconstateerd en was gerapporteerd of door de burgemeester zelf was geconstateerd, was deze al verwijderd door NPB. Ook de aanwezigheid van reclame van Get down to it was niet door de politie geconstateerd en gerapporteerd en niet door de burgemeester zelf geconstateerd voordat deze was verwijderd. Als dit wel was gebeurd, was ook tegen hen handhavend opgetreden, zo heeft de burgemeester ter zitting te kennen gegeven. Omdat van de aanwezige reclame van de genoemde coffeeshops geen bestuurlijke rapportage was opgemaakt door de politie, dan wel door de burgemeester zelf was geconstateerd dat er reclame aanwezig was, zijn de genoemde gevallen niet gelijk. Deze situatie is ook niet vergelijkbaar met de situatie in de uitspraken waar [appellante] naar verwijst. In de uitspraak van 6 maart 2019 had het bestuursorgaan geen verklaring kunnen geven waarom in gelijke situaties niet werd gehandhaafd en in de uitspraak van 25 september 2019 had het bestuursorgaan toegelicht dat het alleen handhaafde na een integrale buurtcontrole en was het genoemde gelijke geval, een pand in de buurt, nog onveranderd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het besluit niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

9.2.    Het betoog faalt.

Was het besluit evenredig?

10.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het intrekken van de exploitatievergunning evenredig was. Gelet op al het voorgaande viel haar geen verwijt te maken en was het besluit, ook omdat daarbij de coffeeshop is geschrapt van de gedooglijst, onevenredig.

10.1.    Ingevolge artikel 3:4, tweede lid, van de Awb mogen de voor een belanghebbende nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig zijn tot de met het besluit te dienen doelen. De burgemeester heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevolgen van het intrekken van de exploitatievergunning en het schrappen van de gedooglijst niet onevenredig zijn in verhouding tot de doelen hiervan, zoals beschreven in 7.2. Hierbij heeft de burgemeester meegewogen dat [appellante] opdracht heeft gegeven tot het plaatsen van de reclame zonder bij de burgemeester navraag te doen. Dat valt [appellante] te verwijten. Op de zitting heeft de burgemeester benadrukt dat hij iedere overtreding van de gedoogvoorwaarden als even ernstig beschouwt. [appellante] heeft gesteld dat het besluit grote financiële gevolgen had voor haar, maar wat die gevolgen precies zijn, heeft ze niet onderbouwd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de burgemeester in redelijkheid de gevolgen van het intrekken van de exploitatievergunning evenredig kon vinden. Ook de, daaraan gelijke, gevolgen van het schrappen van de gedooglijst heeft hij niet onevenredig hoeven vinden.

10.2.    Het betoog faalt.

Slotsom

11.    Het hoger beroep is gegrond, gelet op overweging 6. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 6 september 2018 van de burgemeester alsnog ongegrond verklaren.

12.    De burgemeester dient op de hierna te vermelden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 december 2019 in zaak nr. 18/6353;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV.    veroordeelt de burgemeester van Amsterdam tot vergoeding van bij [appellante] en anderen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.050,00 (zegge: duizendvijftig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

V.    verstaat dat de griffier van de Raad van State aan [appellante] en anderen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 532,00 (zegge: vijfhonderdtweeëndertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de griffier aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

w.g. Langeveld-Mak

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2020

317-851.