Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:2763

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2020
Datum publicatie
18-11-2020
Zaaknummer
202004747/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 februari 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag zijn beslissing om op 31 januari 2020 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een platgemaakte doos die op 31 januari 2020 is aangetroffen naast een ondergrondse restafvalcontainer ter hoogte van de Janssoniusstraat 1 in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat haar naam en adres op het adreslabel op de doos staan. [appellante] betwist niet dat de doos van haar afkomstig is, maar stelt dat zij niet degene is geweest die de doos naast de ORAC heeft gezet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202004747/1/R4.

Datum uitspraak: 18 november 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Den Haag,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2020 heeft het college zijn beslissing om op 31 januari 2020 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 126,00, voor rekening van [appellante] komt.

Bij besluit van 3 augustus 2020 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 november 2020, waar [appellante], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door M. Eser, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een platgemaakte doos die op 31 januari 2020 is aangetroffen naast een ondergrondse restafvalcontainer (hierna: ORAC) ter hoogte van de Janssoniusstraat 1 in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat haar naam en adres op het adreslabel op de doos staan.

2.    [appellante] betwist niet dat de doos van haar afkomstig is, maar stelt dat zij niet degene is geweest die de doos naast de ORAC heeft gezet. Zij voert aan dat het college niet heeft bewezen dat zij de doos daar heeft gezet. Zij stelt dat zij karton altijd verzamelt op het balkon totdat haar vader het meeneemt naar zijn werk om het daar weg te gooien. Zij vermoedt dat de doos van het balkon is gewaaid en door een buurtbewoner naast de ORAC is gezet.

2.1.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag ervan worden uitgegaan dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is, tenzij de betrokkene het tegendeel aannemelijk maakt. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.

De overtreder is in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek verricht. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk begaat, maar aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en daarom als overtreder worden aangemerkt.

2.2.    Door het adreslabel is de doos tot [appellante] te herleiden. Dit betekent dat het college mag aannemen dat zij de overtreder is, tenzij zij aannemelijk maakt dat zij niet degene is geweest die de doos verkeerd heeft aangeboden. Anders dan waar [appellante] van uitgaat, hoeft het college niet onomstotelijk te bewijzen dat zij de doos naast de papiercontainer heeft gezet. Met haar stelling dat zij karton altijd verzamelt op haar balkon en dat de doos van het balkon moet zijn gewaaid, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat dat daadwerkelijk met deze doos is gebeurd.

Ook als ervan wordt uitgegaan dat deze doos van haar balkon is gewaaid, kan zij als overtreder worden aangemerkt. Doordat zij de doos op haar balkon heeft gezet op een manier waarop hij kon wegwaaien, is de omstandigheid dat de doos is weggewaaid aan haar toe te rekenen en kan zij ervoor verantwoordelijk worden gehouden dat de doos daardoor op straat terecht is gekomen en niet op juiste wijze ter inzameling is aangeboden. Daarbij maakt het niet uit dat iemand anders de doos vervolgens naast de ORAC heeft gezet, waar hij is aangetroffen.

Gelet op het voorgaande heeft het college [appellante] terecht als overtreder aangemerkt.

3.    Het beroep is ongegrond.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2020

687.